Categoriearchief: Kernuitspraak

Gadsby aan het woord

In de gezegende gave van Christus is kracht voor de zwakken; maar daar zou geen behoefte aan zijn als er geen zwakke mensen te vinden waren.
Hier is wijsheid voor dwazen; maar als alle dwazen uit de wereld verdwenen waren, wat zou de Heere met Zijn wijsheid moeten doen?

Gadsby aan het woord

De zee van liefde en bloed, die is zeker gesteld in de gehoorzaamheid van Christus, is voor Gods gemeente een kroon van vertroosting te midden van haar moeite. En deze vraagt beslist om erkentelijkheid en dankbaarheid.

Tiptaft aan het woord

Ik geloof dat wij in een tijd leven waarin erg naar wereldse voorspoed wordt gestreefd; voorspoed is ons vlees zeer lief. Maar de Heere zegt: ‘Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen’.

Philpot aan het woord

Het is maar al te duidelijk dat wij ons niet kunnen vermengen met de belijdenis en de belijders van vandaag zonder, in zekere mate, hun geest in te drinken en meer of minder door hun voorbeeld beïnvloed te worden. Hierin lijken ze te veel op het verkoren volk, van wie de Heilige Geest getuigt: Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken. En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik (Ps. 106:35-36). (uit de Metgezel)

Kershaw over het gebed

Uit een preek over Spreuken 10:24. Ik ben ervan overtuigd dat als uw hart recht met God en onder de invloed van Zijn gezegende Geest is, en Hij uw Gids en Leraar is, uw vurig roepen aan de genadetroon op het volgende neer zal komen, naast de zaligheid van uw ziel: ‘Lieve Heere! zolang ik in de woestijn ben, houd mij heel nederig, houd mij plechtig, houd mij altijd waakzaam, houd mij bekend, meer en meer, met mijn totale afhankelijkheid van U en van mijn eigen volslagen ongenoegzaamheid, houd mij altijd naijverig over mijn eigen hart, en laat mij nooit op mijn eigen hart vertrouwen en van U wegvallen, zoals de arme Petrus. Houd mijn geweten heel teer door hernieuwende toepassingen van het bloed van Jezus en de bedauwende invloeden van Uw gezegende Geest. Laat mij Uw vreze gedurig voor mijn ogen hebben, zowel in mijn uitgang als in mijn ingang, opdat mijn begeerte zal zijn: “Houd Gij mijn gangen in Uw weg, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen” (vgl. Ps. 17:5, Eng. vert.). O Heere, bewaar mij en ik zal wel bewaard zijn. Stel Gij mij in staat om stand te houden en “alles verricht hebbende, staande te blijven” (Ef. 6:13). Houd mij in de “voetstappen der schapen” (Hoogl. 1:8), op de “nauwe weg” (Matth. 7:14) en laat mij nooit van U afdwalen. Geef zo, Heere, dat mijn overige dagen toegewijd mogen zijn aan Uw eer en heerlijkheid, dat ik U en Uw wegen hoe langer hoe meer mag liefhebben, dat Uw ordinanties mijn vermaak mogen zijn, en dat ik Uw geboden en bevelen mag bewaren, en U verheerlijken in lichaam, ziel en geest, die Uwe zijn, totdat de tijd zal aanbreken wanneer Gij zult komen en mij tot U nemen, opdat ik ook zijn mag waar Gij zijt.’

Philpot aan het woord

De godsdienst is voorzeker de allerbelangrijkste en nochtans de meest verborgen zaak waarmee wij op deze wereld ooit van doen hebben gehad of kunnen krijgen. Deze zal u óf troosten, óf bedroeven. In de grootste voorspoed kan deze de oorzaak van de opperste ellende zijn, of in tegenspoed de oorzaak van de allerzuiverste vreugde.

Philpot aan het woord

U moet erop letten dat ’s mensen verlegenheid Gods gelegenheid is. Wanneer de arme ziel zo in de laagte gebracht is dat hij nergens in staande kan blijven dan in de almachtige kracht van God, dán is het de tijd dat de Heere zal beginnen om Zichzelf te ontdekken als Eén die de ongerechtigheid vergeeft en de overtredingen van het overblijfsel van Zijn verkoren erfenis voorbijgaat.

John Kershaw aan het woord

Laten er grote onderzoekingen des harten onder ons zijn, opdat we zullen zien hoe de zaken staan tussen God en onze kostbare, nimmer stervende zielen. We kunnen een gedaante van godzaligheid hebben, een naam dat we leven, en we kunnen een grootse vertoning in het vlees maken, maar toch niet uit God geboren zijn.

overgenomen uit een preek over Johannes 1:13