DE WENS – (Nieuwjaarswens)
1. Als stof en as zich mogen onderwinden
Om te spreken tot U, grote God;
Als in Uw tegenwoordigheid ruimte kan zijn
Voor kruipende wormen zoals ik –
Dan wil ik ootmoedig mijn wens voorstellen,
Want wensen heb ik niet;
Al mijn begeerten zijn er nu mee tevreden
Om in één begeerte te worden samengevat.
2. Ik wil niet smeken om een lang leven,
Om een eervolle positie of om rijkdom;
Ook niet om iets wat daar ver boven uitstijgt:
Een onafgebroken goede gezondheid;
Ik wil niet vragen om de erfgenaam
Of de raadsman van een koning te mogen zijn.
Ik wil deelhebben aan een betere wijsheid
En behoren bij een edeler stamboom.
3. Ik wil geen verzoek doen om vreugde of sterkte,
Hoewel ik geen van beide versmaad;
Maar ik wil een petitie indienen om gezegend te worden
Met wat die dingen te boven gaat;
Nee, niet dat engelen mijn ziel
Deze nacht naar de hemel zullen overbrengen:
Ik kan Uw tijd met geduld afwachten,
Aangezien al mijn zonde vergeven is.
4. Ook wil ik niet hunkeren om op de hoogste plaats
Aan Uw rechterhand te mogen zitten;
(Het verzoek van Zebedeüs’ zonen)
Ik weet dat ik voor zoiets ongeschikt ben;
Ik wil er niet naar staan om in Uw kerk op aarde
Een prachtige functie te vervullen;
Uit vrees dat ik Uw wil niet goed zou onderscheiden,
Of zou verzuimen om hem te doen.
5. De ene weldaad waarom ik wil bidden,
Is dat ik door U geleid word
Om mijn blik te vestigen op Uw bloedige zweet
In droevig Gethsémané;
Om (althans voor zover ik het kan verdragen)
Uw tedere gebroken hart te aanschouwen,
Als een volle olijf, verbrijzeld en geperst,
Met intense pijn in Uw zware strijd.
6. Om U gebogen te zien onder mijn schuld –
Ondraaglijke last! –
Om Uw bloed voor zondaars vergoten te zien,
Mijn kreunende, zieltogende God!
Om met medelijdende droefheid te rouwen
Over de smarten van Uw ziel;
Om enigermate mee te leven
Met de pijnigingen en folteringen die U onderging.
7. Daar wil ik altijd blijven,
Mijmerend over Uw machtige liefde;
Of alleen nog naar Golgotha doorgaan,
En vandaar weer naar Gethsémané terugkeren.
Laat op deze beide dierbare plaatsen
Hetzelfde rijke schouwspel altijd vernieuwd worden.
Geen ander voorwerp mag tussenbeide komen,
Maar alles moet liefde en bloed zijn.
8. Naar deze ene gunst heb ik vaak gezocht;
En als deze ene gunst verleend wordt,
Zoek ik op aarde geen gelukkiger lot
En hoop ik op eenzelfde deel in de hemel;
Heere, vergeef wat ik verkeerd vraag,
Want kennis heb ik niet;
Ik spreek slechts ootmoedig mijn wens uit,
En mag Uw wil geschieden.