Categorie archief: Persoonlijk woord

Philpot persoonlijk

Zijn Naam belijden: uit een preek over Hebreeën 4:14-15

Het zou kunnen zijn dat ook hier zich zulke bevin­den die den Heere vrezen en toch somtijds bijna wensen nimmer Zijn naam te hebben beleden, zoo is althans mijn ervaring. Trouwens, wanneer mijn gemoed vaak door in- en uitwendige beproevingen werd terneer geworpen en laag gezonken was of op andere tijden eens recht inzag wie ik in mijzelf ben, als een arme, vuile zondaar en gevoelde hoe weinig ik als Christen of als Evangeliedienaar tot eer en verheerlijking van ’s Heeren naam geleefd heb, dan heb ik bijna kunnen wensen dat ik den Naam van Jezus nooit in het openbaar beleden had. Wellicht meent gij dat ik, als alom bij de gemeenten der waarheid bekend, begeerte heb en zoek te zijn een volksman, maar dat is mijn streven of natuurlijken aan­leg niet. Ik zou veel liever stil en afgezonderd leven, dan mij telkens weer in het publiek te vertonen. Wanneer mijn roeping mij vaak aan uit- en inwendige tegen­stand bloot stelt, heb ik mij wel ik weet niet waar en wat gewenst, behalve wat en waar ik ben. Doch dit is niet alleen de ervaring van u en mij. Ook de profeet Jeremia had kennis aan deze zielsbeproevingen, als hij zeide: ‘Ik zal Zijner niet gedenken en niet meer in Zijn naam spreken’.

Philpot persoonlijk

IJver om eigengerechtigde godsdienst af te breken; uit een preek over Prediker 3:3-4

Alzo is het met onze armelijke godsdienst, onze bouwvallen van eigengerechtigheid, ons hutje van vleselijke wijsheid en van schepsels vermogen. Zij moet afgebroken, voor het gezicht weggenomen en ten enenmale weggevaagd worden! Dat is het lot hetwelk onze eigen godsdienst van God te wachten heeft. Ik mag geloven, dat God zoiets aan mijn godsdienst gedaan heeft; en omdat ik weet hoe gemakkelijk de duivel mij in het verleden verblindde, daarom ijver ik steeds zo, om de godsdienst van anderen af te breken. Wetende op welk bedrog en welke misleiding ik steunde, voor de Heere mij vernederde, zo doet dit mij, gelijk de blinde en geketende Simson, de handen uitstrekken naar de pilaren van de tempel van des mensen eigengerechtigheid, opdat ik die op de hoofden van de afgodendienaars zou doen neerstorten.

Philpot persoonlijk

De verzoening door de dood en de behoudenis door het leven: uit een preek over Romeinen 5:10

Er zijn twee vrienden waartussen verdeeldheid bestaat. Eén van hen komt op het sterfbed en hierop wordt zijn hart vertederd en de vijandschap weggenomen. Door een zekere vriend of kennis zendt hij een boodschap van liefde aan zijn vroegere vriend en sterft op vreedzame wijze, dankende en lovende God. Als de boodschap bij hem komt en wanneer deze het hart bereikt, dan neemt het alle vroegere vijandschap weg en dan vindt er onmiddellijk verzoening plaats. Ik heb dit ondervonden en daarom ken ik dit. Het is geen toelichting die bedacht is, maar een waar feit, daar de zaak mij persoonlijk overkomen is, tenminste, iets soortgelijks. Ik breng dit alleen naar voren om aan te tonen, dat er op een bepaald ogenblik een feitelijke verzoening kan zijn en dat evenwel de gevoelde verzoening pas dagen of weken later kan plaatshebben. Mijn vriend was inderdaad met mij verzoend en schreef om hieraan uitdrukking te geven een paar dagen vóór hij door de dood werd weggenomen, doch ontving mijn vriendelijk antwoord op zijn sterfbed en zond me een betuiging van zijn stervende liefde. Op deze wijze werd de feitelijke verzoening gewerkt door de dood van Christus; de doorleefde verzoening moet in de ziel worden gewerkt door de toepassing van de dood van Christus aan de consciëntie.

Philpot persoonlijk

Gebed ‘zie mij aan’: uit een preek over Psalm 119:132
Ik geloof in waarheid te kunnen zeggen, dat deze woorden duizend malen van mijn lippen gevloeid zijn: ‘Zie mij aan’. Zelden buig ik mijn knieën in het gebed voor de Heere der heirscharen, zonder de woorden ‘zie mij aan’ te gebruiken. Hoe krachtig zijn zij!

Philpot persoonlijk

Verblinde verwachting van de uitwerking van Goddelijk leven: uit een preek over Het leven van Christus geopenbaard in de dood van het schepsel, 2 Korinthe 4:11

De uitwerkingen van Goddelijk leven aan de ziel zijn gewoonlijk heel anders, dan wij verwachten. Als wij eerst in de waarheid werkzaam werden, maakten wij, jong en onervaren zijnde, vele misvattingen en misrekeningen. Bijvoorbeeld: wij dachten, dat de godsdienst bestond in reine harten te hebben, in heilig te leven, in het dienen van God met al ons vermogen, en zo vervolgens. En ontvingen wij al enig licht over de geestelijke aard van de ware godsdienst, dan grepen wij veelal mis, in het hoe deze deelachtig te worden. Wij zagen uit naar leven, zonder te weten, dat het kwam door de dood; naar hoop, niet wetende, dat zij ontsproot uit wanhoop; naar wijsheid, zonder er rekening mee te houden dat zij begon met de kennis van onze dwaasheid; naar sterkte, niet bedenkende, dat zij in zwakheid volbracht wordt. Tenminste, zo waren mijn denkbeelden. Doch toen de Heere krachtiger in mijn ziel doorwerkte, toen leerde Hij mij door zijn Heilige Geest die nederige lessen, waarvan ik tevoren geheel onkundig was. En terwijl wij onder deze onderwijzingen verkeren, kunnen wij haar eindoogmerk niet bemerken. Wij verkeren, als het ware, in een doolhof van verwarring.

Philpot Persoonlijk

Hoe vaak ben ik op de kansel gekomen met wel duizend gevoelens van opstand en heb ik gewenst alles te zijn behalve predikant! Doch, wanneer wij een weinig leven in onze ziel beginnen te voelen en het wordt vertederd en week gemaakt door de goedheid des Heeren, dan zingen wij een andere toon en spreken: Wat is het goed om hier te zijn! O ellendig, ellendig schepsel om zulk een afkeer te hebben van die dingen, welke mijn ziel in het binnenste van mij begeert lief te hebben! Welk een walgelijk schepsel was ik, een afkeer te hebben en om moe te zijn van de Heere en van deze hemelse wezenlijkheden, waarin, naar ik weet, al mijn gelukzaligheid waarlijk bestaat!