Categoriearchief: Persoonlijk woord

Gadsby persoonlijk

De Heere is mij voorgekomen en heeft mij gebracht tot een zoete en plechtige genieting van de verborgenheden van Gods liefde om mij tot de zaligheid te brengen, en heeft mij doen smaken van de genade, de vrije genade van God. Elk beginsel dat de zaligheid voorwaardelijk wil maken in de mens, haat ik zoals ik de duivel haat. Want God, in de rijkdom van Zijn genade, heeft mij ertoe gebracht zo plechtig te voelen dat het alles een rijke, dierbare stortvloed is uit de liefde van God.

Fowler persoonlijk

Wij bezaten geen weelde maar hetgeen veel beter is: alles wat voor het lichaam noodzakelijk is en meer begeerde ik niet. Ik ben altijd aan een eenvoudige levenswijze gewoon geweest en zulks ben ik nog. Ik ben overtuigd dat het verre weg het beste is voor lichaam en ziel. Een overmatig leven maakt beiden ongesteld, en hij die zulk een gewoonte voortzet kan jaarlijks een vrij grote rekening van de dokter verwachten. Het behoeftige leven heeft ongetwijfeld haar duizenden, maar overmatig leven haar tienduizenden gedood. ……

Mijn gewoonte is steeds geweest, om nimmer te leven op het inkomen van het volgende jaar, nimmer in schulden te geraken ten einde deftig te kunnen verschijnen, terwijl het op de bezittingen van anderen was. Ik zou mij liever bekrimpen en een tijd lang wachten, dan de al zeer heersende voorbeelden na te volgen van lieden van alle rangen en standen in deze loszinnige en wispelturige eeuw. Ik hecht geen verdienstelijke waarde aan die dingen. Er kan hoogmoed onder verscholen liggen, maar zo er hoogmoed in bestaat, ontheft het mij van een groot bezwaar en anderen evenzeer door zo te doen.

Taylor persoonlijk

In mijn jeugd trok ik graag in het veld en joeg op konijnen van Lord Towneley zonder dat mijn geweten echt sprak. Ik was er stellig van overtuigd dat er niets mis was met het vertier van jagen op konijnen of enig wild. Hoe gemakkelijk hebben we een excuus voor de dingen die we graag doen, maar die eerdere vraag ‘Wat zult gij ten einde van dien maken?’ bleef als een brok in mijn keel hangen en ik kon hem wegslikken noch missen. Iets deed mij beseffen dat ik waardevolle aan het verspillen was.

Gadsby persoonlijk

Hij is niet alleen Jezus, maar Hij is de Heere Jezus. Ik denk dikwijls dat ik een van de grootste dwazen ben die God ooit heeft laten leven, want de zonde en de satan verduisteren de heerlijkheden van Christus’ Persoon zozeer voor mijn oog. Met mijn verstandelijke oordeel geloof ik vast dat de Heere Jezus de ‘Heere der heren en Koning der koningen’ is, dat Gods voorzienigheid in Zijn handen ligt, dat al mijn zorgen en al mijn beproevingen onder Zijn bepaling staan, dat duivelen en mensen Zijn soevereine wenk moeten gehoorzamen, dat ‘Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er’, en dat Zijn eeuwige Majesteit, als God, onafscheidelijk verenigd is met Zijn mensheid in Zijn heerlijke Persoon; en dit alles tot mijn eeuwig welzijn.
Maar toch, hoe verontrust ben ik bij tijden, alsof ik Hem nooit gekend had.

Philpot persoonlijk

Als ik waarlijk ver­nederd ben, dan kan ik mijn hand niet opheffen tegen God; ik kan geen murmurerende tong tegen Hem verheffen en zeggen: ‘Waarom hebt Ge mij alzo gemaakt’; want zo ik dit zou doen, dan zou ik het oordeel van mijn eigen consciëntie tegen me heb­ben. Ik moet Hem dus nederig en zachtmoedig te voet vallen; ik moet mijn mond in het stof steken; ik moet erkennen, dat ik walgelijk ben, omdat ik Zijn grootheid, majesteit, heiligheid, rein­heid en volmaaktheid zie, en omdat ik in tegenstelling hiermede mijn eigen buitengewone zondigheid voor Hem zie en gevoel. Dit leert me daarom nederigheid; ten minste als ik op deze wijze geen nederigheid verkrijg, dan weet ik niet, hoe deze wel te ver­krijgen. Welnu, als ik terugblik op een levenslange belijdenis, hoe vele zaken zie ik dan — waarvan ik hoop, in weerwil van mijn zonden en dwaasheden, afwijkingen en afkeringen, dat de Heere me ervoor bewaard heeft Zijn Naam en zaak openlijk te schande te maken en dat God me tot het einde toe zal bewaren, want het zou voor mij een vreselijke zaak zijn, na mijn langdurige en bekendstaande belijdenis in mijn laatste dagen schande te brengen over de waarheid. Niettemin getuigt mijn consciëntie van vele dingen, die ik gedacht, gezegd en gedaan heb, die mijn ziel bijna iedere dag bij de herinnering ervan bedroeven, en die me het hoofd doen buigen voor God, en die me mijn zonden voor Hem doen belijden. Ik geloof ook niet, dat ik een éénling ben met deze gevoelens, want ik ben er goed van overtuigd, dat er niet één enkele persoon in deze vergadering is, die de vreze Gods in een tedere consciëntie bezit, die kan terugblikken op een leven, en in ’t bijzonder op een lang leven krachtens een belijdenis, zonder vele schrijnende overdenkingen, vele pijnlijke herinneringen, en vele bedroevende overpeinzingen, die hem diep verootmoedigen voor God. Ik heb tenminste geen gemeenschap en wens die ook niet te hebben, dan met degenen, die God vernederd heeft. Mensen met een verbroken hart, met een verslagen geest, en met een tedere consciëntie, zou ik me als metgezel wensen, ingeval ik er enige heb.

Philpot persoonlijk

Ik kan niet zeggen, dat preken bij afscheid of rouw en op gedenkdagen mij erg bevallen. En wanneer ik ook getracht heb te preken met het oog op zulke gelegenheden, dan is het maar zelden, dat ik enige vrijheid naar de ziel, of om te spreken gehad heb. Niet zo lang voordat ik de Staatskerk heb verlaten, heb ik een les geleerd aangaande dit onderwerp, die mij zeer belet heeft, zelfs ook maar de poging te wagen. De omstandigheid waarop ik zinspeel was deze. Paaszondag naderde, hetgeen, zoals u weet, in de Kerk van Engeland de gedenkdag is van de opstanding van Christus. Op de zaterdagavond onmiddellijk eraan voorafgaande, maakte ik een wandeling, zoals ik gewoon was dat te doen. En ik werd ertoe gebracht te mediteren over de aanstaande zondag, toen deze woorden met enige kracht op mijn gemoed kwamen: ‘De kracht Zijner opstanding.’ Ik meende, dat de woorden erg gepast waren voor de gelegenheid. En ik scheen geleid te worden in een gang van zoete en troostvolle overdenking erover, zodat ik helemaal verwachtte, dat ik een tekst had voor de volgende dag, van waaruit ik zou kunnen spreken met enige vrijheid en met enig gevoel. Maar toen de volgende dag aanbrak, was de tekst geheel weggenomen. In feite bleef er nauwelijks een enkele gedachte van over, zodat ik verplicht was uit enige andere woorden te spreken. Enkele zondagen later kwam de tekst terug op mijn gemoed, en toen werd ik in staat gesteld met enige zoetheid eruit te spreken. Uit dit voorval besloot ik, dal het niet de wil des Heeren was, dat ik predikaties zou uitspreken, die gepast zouden zijn voor bijzondere gelegenheden. En vanaf die tijd tot op dit ogenblik heb ik het heel zelden geprobeerd. Maar nadat u mij zeer geboeid hebt aangehoord, en na de volle vergaderingen, die er zijn samengekomen gedurende mijn bezoek aan deze plaats, meen ik, dat ik in mijn juiste gevoelen tekort zou schieten, indien ik u zou verlaten zonder op de een of andere wijze mijn wensen en begeerten uit te drukken met u ‘vaarwel’ te zeggen.

Philpot Persoonlijk

Hij is een groot Zaligmaker, want wij zijn grote zondaars (ik spreek voor mijzelf). Ik ken geen groter zondaar, dan hij die nu vanavond tot u spreekt; de voornaamste der zondaren en de allerminste van alle heiligen; en dat doet hem behoefte hebben aan zulk een Zaligmaker als Jezus is; en om verzoend te worden en wel bijna iedere dag, door Zijn leven. O welk een genade, dat Hij, Die dood was leeft aan de rechterhand Gods.

Philpot persoonlijk

Hoe vaak ben ik op de kansel gekomen met wel duizend gevoelens van opstand en heb ik gewenst alles te zijn behalve predikant! Doch, wanneer wij een weinig leven in onze ziel beginnen te voelen en het wordt vertederd en week gemaakt door de goedheid des Heeren, dan zingen wij een andere toon en spreken: Wat is het goed om hier te zijn! O ellendig, ellendig schepsel om zulk een afkeer te hebben van die dingen, welke mijn ziel in het binnenste van mij begeert lief te hebben! Welk een walgelijk schepsel was ik, een afkeer te hebben en om moe te zijn van de Heere en van deze hemelse wezelijkheden, waarin, naar ik weet, al mijn gelukzaligheid waarlijk bestaat!

Fowler Persoonlijk

Henry: Ik worstelde verscheidene weken lang met beproevingen omtrent ongeloof. ….Ik herinner mij een dag dat toen ik op de markt te Portsmouth liep, ik plotseling werd aangevallen met een geest van godslastering en opstand..de vijand fluisterde mij in: gij doet er beter aan uzelf te verdrinken dan zou al die ellende een einde hebben. Zulke wanhopige gedachte deed mij sidderen en ik strijde met de Heere, die had toegelaten dat ik in zulke toestand was gekomen. Ten laatste kwamen deze woorden allerkrachtigst in mijn gemoed: Wees niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, welke geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit. Dit stuitte in korte tijd mijn opstand en dacht: Wel, ik heb gehandeld gelijk een beest! Heeft de Heere geen recht om mij te beproeven gelijk het Hem behaagt?

..Bij het herdenken van dit bezoekingsuur, ben ik geneigd te geloven dat het Gods leerschool was en dat Hij mij voorbereidde, om voor Zijn volk van enig nut te zijn en ik geloof dat de leerschool van beproeving beter berekend is, om een nuttig prediker van Jezus Christus toe te bereiden, dan al de geleerdheid van al de hoge scholen en academies in het heelal. Alle menselijke bekwaamheden die iemand kan hebben, kunnen hem niet tot een leraar van Jezus Christus maken

tiptaft persoonlijk

Ik bemerk dat mijn oude natuur erg sterk aan geld gehecht is, als ik ervan scheid. Als ik had geleefd in de dagen der apostelen, zou ik in mijn hart de zonde van Ananias hebben gevonden, als ze al niet de overhand had verkregen. Alles verkopen of een deel verkopen is een heel verschillende zaak. Maar als de wereld ziet, dat we hebzuchtig zijn en geen offers willen brengen, staan ze gereed te zeggen: ‘Wat doet u meer dan anderen doen?’

philpot persoonlijk

Welnu, indien u het kunt stellen met een godsdienst, die hierbij ten achter blijft, welke dit dan ook zijn mag, ik kan dit niet. Ik heb een einde gezien aan iedere andere godsdienst. Geen andere godsdienst zal een schuldige consciëntie stillen. Geen andere zal van vrede spreken tot een bekommerd hart. Geen andere zal twij­fel en vrees uitbannen. Geen andere zal mij hier zegenen en mij ook niet veilig ten hemel opnemen hierna. Maar ik ben er zeker van, dat die godsdienst, die Gods gave en Gods werk is, en die niet in de wijsheid van de mens staat, maar in de kracht van God, dat die mij hier zal zegenen, en mij hierna ten hemel zal opnemen. Ik ben er zeker van, dat wat God tot mijn ziel spreekt, stand zal houden, als de wereld in brand zal staan.

philpot persoonlijk

Ik ben ervan overtuigd, dat er voor mij tijden zijn, waarin ik niet meer godsdienst, niet meer geestelijk gevoel schijn te hebben, en het werk Gods in mijn consciëntie niet meer kan naspeuren, dan alsof er geen God, geen hemel, geen hel, geen oordeel, geen eeuwigheid was. Maar door genade zijn er tijden en ogenblikken, waarop mijn hart ernstig wordt gestemd door de Goddelijke zaken. Wanneer deze met dat gewicht en met die kracht op mijn ziel liggen, dat ik ze wel moet gevoelen, of ik nu wil of niet.

Philpot persoonlijk

Wat mezelf betreft heb ik de vreze Gods bijna veertig jaar lang beleden, en naar ik hoop ook bezeten… ….. We kunnen – zelf ben ik dat vaak geweest – beproefd worden, wat betreft de wezenlijkheid van het werk; en soms word ik tot op deze dag beproefd of ik een enkele korrel genade in mijn hart bezit. Maar, ik heb nooit getwijfeld aan het tijdstip, waarop, nóch aan de omstandigheden, waaronder het begon, nóch wat mijn gevoelens waren onder de eerste onderwijzingen van de ge­zegende Geest in mijn hart; en ik ben in mijn eigen gedachten tot dit besluit gekomen, dat zo dit verkeerd is, dat dan alles verkeerd is; zo dit goed is, dat dan alles goed is. Als ik met God begonnen ben, dan kan God me tot het einde aan mezelf overlaten; maar als God met mij begonnen is, onafhankelijk van enige wil, neiging, kracht of handeling van mezelf, in een souvereine weg van genade, door Zijn vreze in mijn hart te planten en Goddelijk leven aan mijn ziel mede te delen – als God Zelf aldus een goed werk in me begonnen is, dan heb ik Zijn zekere belofte, dat Hij dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus (Filip. 1:6). Hierop steunen we soms temidden van twijfel, vrees, en ver­warring; ja we steunen op het werk Gods in ons hart, zoals dat door Hemzelf begonnen is. Dit moeten we dus gedenken, en dit is niet erg moeilijk, want het eerste werk op onze consciëntie ligt soms zo vers in de gedachten, alsof het gisteren geschiedde. De mensen vertellen me soms, dat ik een sterk geheugen bezit, doch of ons geheugen sterk of zwak is, het is verbazend wat een indruk de Goddelijke wezenlijkheden op onze geest maken in hun eerste mededeling. Vaak ook, waren de leidingen Gods met ons in de Voorzienigheid even kenmerkend als de leidingen met ons in de genade.

Philpot persoonlijk

Ik kan hier wel van ondervinding spreken, dat het ontbloten en in de laagte brengen niet in één dag geschiedt, maar vaak een werk van lange duur is. Ik was voor vele jaren terug niet ontbloot, niet in de laagte gebracht, toen, naar ik geloof dat de Heere mijn ziel levend maakte; maar toen werd ik van het eerste ogenblik af, geleid om meerder of minder te strijden naar wettige voorwerpen en kon ik niet zijn zonder inwendige godsdienst. Maar volkomen zielsarmoede drukte mij niet, schaamte en verlegenheid had mijn aangezicht nog niet bedekt. Ik had toen nog niet gevoeld wat een laag monster van snoodheid ik was, noch van mijzelf gewalgd en mij verfoeid in stof en as. De volkomen hulpeloosheid van de mens was voor mij meer een leerstelling dan een waarheid; ik was niet bekend met de machtige en overweldigende kracht van de zonde, nog had het ploegijzer van de verzoeking het diep bederf van mijn hart aan de dag gebracht. Daarom streed ik onwettig. Wanneer ik viel, zoals ik gedurig viel, zo had ik enig geheim voorbehoud in mijzelf, enige gebeden, of berouw, of hoop of voornemens, om mij uit de diepte op te helpen.