Brief 184 – Mijn twee geliefkoosde schrijvers, van wie ik kan zeggen de meeste lering, voordeel en troost genoten te hebben, en die mijns inziens het meest hartgrondig onderzoekende zijn boven andere schrijvers, zijn Dr. Owen en Huntington. Voor zover ik tijd en gelegenheid heb, lees ik tegenwoordig dokters ‘Verklaring van de Hebreeën,’’ die ik mij voor enigen tijd heb aangeschaft. Die brief is mij altijd zeer lief en dierbaar geweest, en Dr. Owen is waarlijk groot in deze diepe en gewichtige onderwerpen, die daar behandeld worden, als: de Persoon, de offerande, bloedstorting en dood van onze groten Hogepriester, met Zijn tegenwoordig Middelaarswerk binnen het voorhangsel. Dit zijn de Goddelijke wezenlijkheden, die het voedsel zijn voor het geloof. Doch hoe weinig worden zij omhelsd en geloofd, ook door velen van hen, van wie men betere dingen mocht verwachten. Velen schijnen zich te vergenoegen met een hoop, dat zij tot de kinderen Gods behoren, omdat hun gevoelens in overeenstemming schijnen te zijn, met wat als kenmerken der genade van den kansel beschreven worden. Maar van de Heere Jezus Christus, als het voorwerp van hun geloof, met de aankleving der hoop en uitgangen der liefde tot Zijn dierbare naam, met de onderscheidene werkzaamheden waardoor dit geloof in Hem beproefd is, schijnen zij weinig te weten, en wat nog erger is, zij schijnen er zich ook niet over te bekommeren. Doch een geloof, van hetwelk de eens gekruisigde en nu verheerlijkte Heere niet het onderwerp en het voorwerp is, gelijkt weinig op het geloof waarvan de Schrift melding maakt. Ziet bijv. de eersten brief van Johannes. Welk een nadruk legt hij op het geloven in de naam des Zone Gods; en hoe scheidt hij alle mensen in twee klassen, zij die al en zij die niet de Zone Gods hebben. Hij stelt niet een zeker aantal altijd wisselende gevoelens als zoveel kenmerken van hemelse genade voor; maar komt in eens tot de drie christelijke genaden: geloof, hoop en liefde, – geloof en liefde bijna in ieder vers, en hoop in l Joh. 3: 3.
Ook lees ik thans wel bij bijzondere gelegenheden Godwin [Goodwin?] over Efeze; maar ik kan met hem niet zo goed voort als met Owen. In enkele waarheden is hij misschien meer grondig bedreven dan Dr. Owen, maar er is zoveel herhaling en zulk een langdradigheid in besluiten te trekken, dat ik na de lezing mij weinig gesticht voel of voordeel getrokken heb.
Hoe verschilt daarvan de onsterfelijke mijnwerker, William Huntington! Hoe komt hij opeens tot het pit van zijn onderwerp, en op zijn oorspronkelijke, navolgingswaardige manier vloeit zijn pen over van levende woorden van de rechte en allergenadigste bevinding, van de aanvang van het genadewerk tot het hoogste toppunt van Goddelijke ervaringen. Gelijk een muziekmeester zweeft hij op en neer over de snaren van het hart, en weet, zonder de minste moeite, de plaatsen te treffen die vol waarheid en schoonheid zijn. Het schijnt alsof het boek van het menselijke hart, met al zijn arglistigheid en snoodheid, het boek van de nieuwe mens der genade, met al zijn onderscheidene bladzijden, en het boek van Gods Woord, hem allen even duidelijk en gemeenzaam zijn, en dat hij zich beurtelings van het een naar het ander wendt, met een kennis, die een koopman heeft van zijn journaal en grootboek, om in een ogenblik te weten welke order te schrijven of welke som te boeken. Ik moet belijden, dat geen schrijver mij zo verlegen maakt om te schrijven als de mijnwerker, wiens naam thans nauwelijks gefluisterd wordt in de belijdende gemeente.