Categoriearchief: Persoonlijk woord

Gadsby persoonlijk

In mijn laatste verdrukking was er één gedeelte in Gods Woord dat mij trof. Verdrukkingen geven altijd ‘van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn’ (Hebr. 12:11). Ik geloof dat de Heere het merg ervan voor mijn ziel openlegde in deze woorden: ‘Dengenen die door dezelve geoefend zijn.’

Philpot persoonlijk

Ik heb geen hoge dunk van de godsdienst van wie dan ook, die niet met een geest van gebed begonnen is. Ik weet dat de mijne zo begonnen is en dat deze geest over mij is gekomen zonder dat ik hem zocht voort te brengen, en dat hij mij tot op deze dag min of meer bijgebleven is.

Gadsby persoonlijk

Ik voor mij moet belijden dat ik ontzaglijk heb gezondigd, zelfs met een zekere mate van de verschrikkingen van de hel in mijn consciëntie. Is het geen wonder, geen gadeloos wonder, dat God zo’n aanmatigende ellendeling niet naar de zwarte wanhoop heeft gezonden, om daar voor eeuwig weg te zinken? Ik heb tot blijdschap van mijn ziel ervaren dat de Heere inderdaad een lankmoedige God is.

Gadsby persoonlijk

in een preek over Jesaja 33:20: Er zijn ogenblikken waarin wij geneigd zijn enig vertrouwen te stellen op onze ootmoedigheid, zachtmoedigheid en blijde gevoelens, in plaats dat we geheel vertrouwen op de Heere Zelf, Die het genadig behaagt om deze gevoelens te veroorzaken. Ten minste, zo was het bij mij, en ik heb er meer dan eens voor moeten boeten. Ik heb het vonnis des doods in mijzelf op allerlei manieren gevoeld, opdat ik niet op mijzelf zou vertrouwen, maar op de Heere. Als wordt toegelaten dat wij enig vertrouwen stellen op onze zoete gevoelens, zal het doodvonnis daarover komen

Philpot persoonlijk

Ik weet, dat ik soms geen woord te zeggen heb over mezelf of over mijn bevinding — goed of slecht — en dat ik dan stil ben voor God en voor de mensen; maar deze mensen schijnen het alles op hun duimpje te kennen, en ze kunnen het even ge­makkelijk van zich afspoelen, als men een streng katoen afspoelt en dat op een vrijwel even harde en droge wijze. Het is, geloof ik, meestentijds stil voor ons heen, dat we het beste kunnen terugblikken op al de weg,  door welke ons God geleid heeft in de woestijn.

Philpot persoonlijk

Voordat het de Heere behaagd om onze zielen tot Goddelijk leven op te wekken, hebben wij geen ware kennis dat er één God is. Soms kijk ik terug op de tijd dat het de Heere behaagde mijn ziel levend te maken, in het vroege voorjaar van 1827. Ik herinner mij alle gebeurtenissen die ermee verbonden zijn, zo duidelijk alsof het nog maar gisteren was. Ik denk dat ik in het werk van God in mijn ziel deze vier kenmerken kan vinden:

1. Ten eerste was er een groot besef van de eeuwige werkelijkheden in mijn gemoed. Ik had over godsdienst gepraat, ik was naar de kerk gegaan, ik had mijn gebeden opgezegd en toch had ik nooit enig besef van de eeuwige werkelijkheden gehad. Maar toen de Heere, te midden van diepe verdrukking, het gewicht van de eeuwige werkelijkheden op mijn gemoed legde, voelde ik dat er een eeuwigheid was.

2. Het volgende wat ik voelde, was een grote zachtheid van geest. Ik heb in die zes maanden meer tranen vergoten dan ik ooit ervóór of erna heb gedaan.

3. Daarmee ging ten derde een mededeling van een geest van gebed samen, die dag en nacht op mij rustte.

4. Het vierde was dat het oor geneigd werd om de waarheid te horen.

Ik ben ervan overtuigd dat wát een mens ook moge weten door preken te horen of boeken te lezen, er is geen werkelijke bekendheid met God, tenzij er een straal van Goddelijk licht valt, wanneer deze in het gemoed schijnt vanuit de grote en heerlijke IK BEN. ‘In Uw licht zien wij het licht’. Er moet een ontdekking plaatsvinden, door het deksel van het ongeloof weg te nemen – een ontdekking van Zijn heerlijke volmaaktheden.

Philpot persoonlijk

Ik wil liever ziek en verdrukt zijn, met de zegen en tegenwoordigheid des Heeren, dan gezond en wel zijn zonder. Ik herinner mij dat ik op mijn verjaardag, vele jaren geleden, ziek op bed lag, maar zo vervuld was met de tegenwoordigheid en zegen des Heeren, dat het de gelukkigste verjaardag van mijn leven was. Als het dus om ziekte en lichamelijke verdrukking gaat: deze dingen zijn niets wanneer we de zegen des Heeren over onze ziel ontvangen.

Philpot persoonlijk

Naast algemene leidingen, heb ik vaak opgemerkt — het was mijn eigen geval, en ik heb het in andere gevallen gezien — dat zich in de Voorzienigheid een zeker opmerkelijk tussenbeide komen van God voordeed, zoals een verandering van woonplaats, het brengen van een bijzondere bezoeking over lichaam of geest, de ontsluiting van de één of andere onverwachte omstandigheid, welke zo het geen genade werkte, toebereidde tot de genade; en ofschoon het in de kiem zou zijn gesmoord, zo het slechts iets tijdelijks en natuurlijks ware geweest, werkte het nu op een zo­danige wijze in de Voorzienigheid Gods met Zijn genade mede, dat ze beide als schakels in een keten aan elkaar verbonden waren. Aldus was de eerste schakel, een schakel in de Voor­zienigheid, laten we bijvoorbeeld zeggen: de één of andere zware en pijnlijke beproeving, die de hartzenuwen van het leven zelf schenen af te snijden. Velen hebben wellicht zwaardere beproevingen ondervonden dan wij; maar zij hadden daarbij slechts de droefheid der wereld, die de dood werkt; doch wij hadden naar we hopen, de genade ten leven, die met de beproeving medewerkte, haar overheerste en die haar veranderde in een kanaal der genade. De genade maakte het hart week; en ofschoon dit vertederen zelf de beproeving heviger deed gevoelen, verootmoedigde dit de ziel toch en maakte dit de ziel hieronder zachtmoediger.

Gadsby persoonlijk

De Heere is mij voorgekomen en heeft mij gebracht tot een zoete en plechtige genieting van de verborgenheden van Gods liefde om mij tot de zaligheid te brengen, en heeft mij doen smaken van de genade, de vrije genade van God. Elk beginsel dat de zaligheid voorwaardelijk wil maken in de mens, haat ik zoals ik de duivel haat. Want God, in de rijkdom van Zijn genade, heeft mij ertoe gebracht zo plechtig te voelen dat het alles een rijke, dierbare stortvloed is uit de liefde van God.

Fowler persoonlijk

Wij bezaten geen weelde maar hetgeen veel beter is: alles wat voor het lichaam noodzakelijk is en meer begeerde ik niet. Ik ben altijd aan een eenvoudige levenswijze gewoon geweest en zulks ben ik nog. Ik ben overtuigd dat het verre weg het beste is voor lichaam en ziel. Een overmatig leven maakt beiden ongesteld, en hij die zulk een gewoonte voortzet kan jaarlijks een vrij grote rekening van de dokter verwachten. Het behoeftige leven heeft ongetwijfeld haar duizenden, maar overmatig leven haar tienduizenden gedood. ……

Mijn gewoonte is steeds geweest, om nimmer te leven op het inkomen van het volgende jaar, nimmer in schulden te geraken ten einde deftig te kunnen verschijnen, terwijl het op de bezittingen van anderen was. Ik zou mij liever bekrimpen en een tijd lang wachten, dan de al zeer heersende voorbeelden na te volgen van lieden van alle rangen en standen in deze loszinnige en wispelturige eeuw. Ik hecht geen verdienstelijke waarde aan die dingen. Er kan hoogmoed onder verscholen liggen, maar zo er hoogmoed in bestaat, ontheft het mij van een groot bezwaar en anderen evenzeer door zo te doen.

Taylor persoonlijk

In mijn jeugd trok ik graag in het veld en joeg op konijnen van Lord Towneley zonder dat mijn geweten echt sprak. Ik was er stellig van overtuigd dat er niets mis was met het vertier van jagen op konijnen of enig wild. Hoe gemakkelijk hebben we een excuus voor de dingen die we graag doen, maar die eerdere vraag ‘Wat zult gij ten einde van dien maken?’ bleef als een brok in mijn keel hangen en ik kon hem wegslikken noch missen. Iets deed mij beseffen dat ik waardevolle aan het verspillen was.

Gadsby persoonlijk

Hij is niet alleen Jezus, maar Hij is de Heere Jezus. Ik denk dikwijls dat ik een van de grootste dwazen ben die God ooit heeft laten leven, want de zonde en de satan verduisteren de heerlijkheden van Christus’ Persoon zozeer voor mijn oog. Met mijn verstandelijke oordeel geloof ik vast dat de Heere Jezus de ‘Heere der heren en Koning der koningen’ is, dat Gods voorzienigheid in Zijn handen ligt, dat al mijn zorgen en al mijn beproevingen onder Zijn bepaling staan, dat duivelen en mensen Zijn soevereine wenk moeten gehoorzamen, dat ‘Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er’, en dat Zijn eeuwige Majesteit, als God, onafscheidelijk verenigd is met Zijn mensheid in Zijn heerlijke Persoon; en dit alles tot mijn eeuwig welzijn.
Maar toch, hoe verontrust ben ik bij tijden, alsof ik Hem nooit gekend had.

Philpot persoonlijk

Als ik waarlijk ver­nederd ben, dan kan ik mijn hand niet opheffen tegen God; ik kan geen murmurerende tong tegen Hem verheffen en zeggen: ‘Waarom hebt Ge mij alzo gemaakt’; want zo ik dit zou doen, dan zou ik het oordeel van mijn eigen consciëntie tegen me heb­ben. Ik moet Hem dus nederig en zachtmoedig te voet vallen; ik moet mijn mond in het stof steken; ik moet erkennen, dat ik walgelijk ben, omdat ik Zijn grootheid, majesteit, heiligheid, rein­heid en volmaaktheid zie, en omdat ik in tegenstelling hiermede mijn eigen buitengewone zondigheid voor Hem zie en gevoel. Dit leert me daarom nederigheid; ten minste als ik op deze wijze geen nederigheid verkrijg, dan weet ik niet, hoe deze wel te ver­krijgen. Welnu, als ik terugblik op een levenslange belijdenis, hoe vele zaken zie ik dan — waarvan ik hoop, in weerwil van mijn zonden en dwaasheden, afwijkingen en afkeringen, dat de Heere me ervoor bewaard heeft Zijn Naam en zaak openlijk te schande te maken en dat God me tot het einde toe zal bewaren, want het zou voor mij een vreselijke zaak zijn, na mijn langdurige en bekendstaande belijdenis in mijn laatste dagen schande te brengen over de waarheid. Niettemin getuigt mijn consciëntie van vele dingen, die ik gedacht, gezegd en gedaan heb, die mijn ziel bijna iedere dag bij de herinnering ervan bedroeven, en die me het hoofd doen buigen voor God, en die me mijn zonden voor Hem doen belijden. Ik geloof ook niet, dat ik een éénling ben met deze gevoelens, want ik ben er goed van overtuigd, dat er niet één enkele persoon in deze vergadering is, die de vreze Gods in een tedere consciëntie bezit, die kan terugblikken op een leven, en in ’t bijzonder op een lang leven krachtens een belijdenis, zonder vele schrijnende overdenkingen, vele pijnlijke herinneringen, en vele bedroevende overpeinzingen, die hem diep verootmoedigen voor God. Ik heb tenminste geen gemeenschap en wens die ook niet te hebben, dan met degenen, die God vernederd heeft. Mensen met een verbroken hart, met een verslagen geest, en met een tedere consciëntie, zou ik me als metgezel wensen, ingeval ik er enige heb.

Philpot persoonlijk

Ik kan niet zeggen, dat preken bij afscheid of rouw en op gedenkdagen mij erg bevallen. En wanneer ik ook getracht heb te preken met het oog op zulke gelegenheden, dan is het maar zelden, dat ik enige vrijheid naar de ziel, of om te spreken gehad heb. Niet zo lang voordat ik de Staatskerk heb verlaten, heb ik een les geleerd aangaande dit onderwerp, die mij zeer belet heeft, zelfs ook maar de poging te wagen. De omstandigheid waarop ik zinspeel was deze. Paaszondag naderde, hetgeen, zoals u weet, in de Kerk van Engeland de gedenkdag is van de opstanding van Christus. Op de zaterdagavond onmiddellijk eraan voorafgaande, maakte ik een wandeling, zoals ik gewoon was dat te doen. En ik werd ertoe gebracht te mediteren over de aanstaande zondag, toen deze woorden met enige kracht op mijn gemoed kwamen: ‘De kracht Zijner opstanding.’ Ik meende, dat de woorden erg gepast waren voor de gelegenheid. En ik scheen geleid te worden in een gang van zoete en troostvolle overdenking erover, zodat ik helemaal verwachtte, dat ik een tekst had voor de volgende dag, van waaruit ik zou kunnen spreken met enige vrijheid en met enig gevoel. Maar toen de volgende dag aanbrak, was de tekst geheel weggenomen. In feite bleef er nauwelijks een enkele gedachte van over, zodat ik verplicht was uit enige andere woorden te spreken. Enkele zondagen later kwam de tekst terug op mijn gemoed, en toen werd ik in staat gesteld met enige zoetheid eruit te spreken. Uit dit voorval besloot ik, dal het niet de wil des Heeren was, dat ik predikaties zou uitspreken, die gepast zouden zijn voor bijzondere gelegenheden. En vanaf die tijd tot op dit ogenblik heb ik het heel zelden geprobeerd. Maar nadat u mij zeer geboeid hebt aangehoord, en na de volle vergaderingen, die er zijn samengekomen gedurende mijn bezoek aan deze plaats, meen ik, dat ik in mijn juiste gevoelen tekort zou schieten, indien ik u zou verlaten zonder op de een of andere wijze mijn wensen en begeerten uit te drukken met u ‘vaarwel’ te zeggen.