De dag des Heeren van 1 oktober 1854 was voor ons een tijd waarin we meer dan gewoonlijk gevoelig en plechtig gesteld waren in de dingen Gods. De indruk bleef grotendeels voortduren in de ochtend van de volgende dag. Rond twaalf uur op die maandag maakten we een wandeling om wat frisse lucht in te ademen. Maar we waren nog niet veel honderden meters de straat opgegaan toen we een groot aanplakbiljet zagen, waarvoor zich een talrijke menigte voor verdrong. Ook onze ogen zaten in één ogenblik vastgekluisterd. Het nieuws wat erop stond was: ‘DE SLAG AAN DE ALMA EN DE INNAME VAN SEBASTOPOL’. Het was onmogelijk om niet enkele ogenblikken stil te houden en de paar regels van het telegram te lezen. Maar wat was de uitwerking? Ons hart sprong bijna in onze keel op en door ons lichaam schoot een elektrische schok heen, die onze polsslag en onze tred versnelde, en ons gemoed met een stortvloed van alles meesleurende, opwindende gedachten vervulde. Waar waren de plechtige gevoelens nu gebleven? Waar was geestelijke meditatie, verborgen gebed of enige opheffing van het hart tot God? Weg, weg. Gedurende de rest van de wandeling – en we moeten belijden: ook bijna de rest van de dag – voerde het hartverwarmende bericht de boventoon. Misschien kwam het door gebrek aan genoegzame genade of door onbekwaamheid om de opwellingen van een sterk natuurlijk gevoel de baas te worden. Maar we geven toe dat de heldendaden van onze dappere soldaten en hun vermeende succes in de inname van de vesting van de tsaar ons bloed in beweging brachten en in alle aders lieten opspringen. Konden wij, kon wie dan ook van ons – als haters van onderdrukking, liefhebbers van vrijheid, vrienden van beschaving en bovenal Engels tot op de bodem van ons hart – lezen of horen over zulke manhaftige daden en over zo’n zegevierend succes en daaronder even koud en kalm blijven als een bergmeer? Hoewel velen van ons, lieve lezers, naar we vertrouwen, in een hoger, heiliger en duurzamer band verenigd zijn als burgers van een hemels vaderland, is er iemand van ons die bij de gedachte dat hij een christen is, kan vergeten dat hij ook een Engelsman is?
Maar hier ligt nu precies een grote verzoeking op de loer – en we zullen er goed aan doen als we daartegen waakzaam op onze hoede kunnen zijn – de verzoeking om meegevoerd te worden met de neerwaartse stroom van een alles opslokkende opwinding.