Categoriearchief: Persoonlijk woord

Gadsby persoonlijk

Ik voor mij moet tot mijn eigen schande en tot eer van de Heere zeggen dat ik zodanig was, en de wonderbare goedertierenheid en lankmoedigheid van God jegens mij zodanig waren, dat de Heere mij vaak belet heeft, ja, en dat tegen mijn eigen neiging in, om mezelf in het onmiddellijke verderf te storten. ‘Wie is een groot God, gelijk God?’

Philpot persoonlijk

Ik zeg niet dat ik de wereld inga of dat ik al mijn belijdenis en al mijn hoop opgeef; maar ik heb geen godsdienst, tenminste niets wat ik godsdienst noem, tenzij het de Heere behaagt om in mijn arme hart te spreken en Zichzelf door Zijn almachtige kracht bekend te maken.

Warburton sr persoonlijk

Ge moogt en zult door de duivel bestreden worden, en in duizend gevallen beproefd worden; maar God zal u nooit begeven, Hij zal u nimmer verlaten. O nee, dat zal Hij nooit, loof Zijn dierbare Naam.

Mijn ziel verlaat Hem dikwijls en zwerft – ik weet niet waar al heen. Soms, wanneer ik onder de vreselijke werkingen van mijn hart, en de macht van satans verzoekingen was, heb ik wel gedacht dat er geen werkelijkheid in de godsdienst was, en dat de Bijbel helemaal geen Waarheid was. Dan zou ik van strijd en verzoeking van binnen gestorven zijn. Nochtans is de Heere zo vriendelijk, zo teder en zo medelijdend geweest dat Hij mij bij tijden geheel overstelpte met de waarneming van Zijn goedertierenheid. Op zulke tijden heeft Hij tegen mij gezegd: ’Ben Ik Israël een woestijn geweest?’ En ik moest zeggen: ’Nee Heere, nimmer. Niets dan het goede en de weldadigheid hebben mij al de dagen mijns levens gevolgd’. Dit heeft mij verkruimeld – mijn geest verbroken en verslagen. En ik heb gezegd: ’Heere, welk een laag en ondankbaar ellendige ben ik toch, om ooit één harde gedachte van u te koesteren!’

Gadsby persoonlijk

Ik weet enigszins waarover ik het heb. Ik herinner mij hoe mijn vleselijke gemoed de godsdienst probeerde kwijt te raken. Ik was een grote dwaas en zat zo vol grollen dat ik degene was die al mijn vrienden pret bezorgde. Ik bracht leven in hun brouwerij en het leek dat ze niet zonder mij konden. Ik herinner mij dat ik, toen ik tussen de zestien en zeventien jaar oud was, stopte met het werk dat ik deed. Maar drie van mijn collega’s kwamen naar mij toe en zeiden dat zij daar ook weg zouden gaan, tenzij ik terug zou komen. Ze wilden niet zonder mij werken, en omdat ze vastbesloten waren om mij terug te halen, was mijn vleselijke gemoed daar zo mee ingenomen dat ik terugkwam. Maar juist in die werkplaats kwam God mij tegen. O, de wonderen van genade! Al hun pogingen en inspanningen hadden toen geen zin meer. Ze konden niet uitdoven wat God in mijn ziel gelegd had. Alles waar ze mij mee confronteerden, was niet in staat mij te weerhouden God sterk achteraan te kleven en om God te strijden en te worstelen. De zondaar kan niet anders dan onder deze dingen worstelen, wanneer God aldus leven in hem geeft en wanneer het de Heere behaagt aldus Zijn genade te openbaren.

Kershaw persoonlijk

Steeds moet ik des Heeren wonderlijke goedheid jegens mij bewonderen, welke Hij mij in al mijn wederwaardigheden bewees, want Hij heeft mij op de rechte weg geleid. Welk een wonder, als ik nu terugkijk en let op de armoede die ik steeds had, van alle zijden ingesloten terwijl de mensen om mij heen op mijn ondergang wachtten, en bergen van vrees mij bezetten dat dit waarlijk het geval zou zijn. En toch, geloofd zij de Heere, Hij heeft mij uit al mijn vrezen gered. En Hij, Die mij verlost heeft, verlost mij nog, en ik vertrouw dat Hij mij steeds verlossen zal.

Gadsby persoonlijk

Wat een hoogmoedig, hoogdravend werk is het als arme, stervende wormen innerlijk opgeblazen zijn door deze lege ijdelheid, dat als God Zijn deel doet, zij ook hun deel zullen doen! Hoor eens, ik ben een oude man, bijna 70 jaar, en ik heb even weinig hoop om op zulk een grond zalig te worden, als dat ik de Almachtige van Zijn troon zou stoten. Ik heb vele malen geprobeerd om mijn deel te doen; het heeft mij altijd te gronde gericht en mij gevoelig en bewust tot de ondergang gebracht.

Gadsby persoonlijk

Ik voor mij moet belijden dat ik ontzaglijk heb gezondigd, zelfs met een zekere mate van de verschrikkingen van de hel in mijn consciëntie. Is het geen wonder, geen gadeloos wonder, dat God zo’n aanmatigende ellendeling niet naar de zwarte wanhoop heeft gezonden, om daar voor eeuwig weg te zinken? Ik heb tot blijdschap van mijn ziel ervaren dat de Heere inderdaad een lankmoedige God is.

Gadsby persoonlijk

De mens heeft geen kracht om te geloven. God heeft mij in elk geval dit doen voelen: als mijn zaligheid ervan afhing dat ik dit, dat of nog wat anders zou doen, zou ik verdoemd worden, zo zeker als de duivel verdoemd wordt. Ik ben ertoe gebracht te voelen dat als het geloof gelooft, dit Gods werk moet zijn, want Hij moet het werkzaam maken en Hij moet het doen.

Gadsby persoonlijk

In mijn laatste verdrukking was er één gedeelte in Gods Woord dat mij trof. Verdrukkingen geven altijd ‘van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn’ (Hebr. 12:11). Ik geloof dat de Heere het merg ervan voor mijn ziel openlegde in deze woorden: ‘Dengenen die door dezelve geoefend zijn.’

Philpot persoonlijk

Ik heb geen hoge dunk van de godsdienst van wie dan ook, die niet met een geest van gebed begonnen is. Ik weet dat de mijne zo begonnen is en dat deze geest over mij is gekomen zonder dat ik hem zocht voort te brengen, en dat hij mij tot op deze dag min of meer bijgebleven is.

Gadsby persoonlijk

Ik voor mij moet belijden dat ik ontzaglijk heb gezondigd, zelfs met een zekere mate van de verschrikkingen van de hel in mijn consciëntie. Is het geen wonder, geen gadeloos wonder, dat God zo’n aanmatigende ellendeling niet naar de zwarte wanhoop heeft gezonden, om daar voor eeuwig weg te zinken? Ik heb tot blijdschap van mijn ziel ervaren dat de Heere inderdaad een lankmoedige God is.

Gadsby persoonlijk

in een preek over Jesaja 33:20: Er zijn ogenblikken waarin wij geneigd zijn enig vertrouwen te stellen op onze ootmoedigheid, zachtmoedigheid en blijde gevoelens, in plaats dat we geheel vertrouwen op de Heere Zelf, Die het genadig behaagt om deze gevoelens te veroorzaken. Ten minste, zo was het bij mij, en ik heb er meer dan eens voor moeten boeten. Ik heb het vonnis des doods in mijzelf op allerlei manieren gevoeld, opdat ik niet op mijzelf zou vertrouwen, maar op de Heere. Als wordt toegelaten dat wij enig vertrouwen stellen op onze zoete gevoelens, zal het doodvonnis daarover komen

Philpot persoonlijk

Ik weet, dat ik soms geen woord te zeggen heb over mezelf of over mijn bevinding — goed of slecht — en dat ik dan stil ben voor God en voor de mensen; maar deze mensen schijnen het alles op hun duimpje te kennen, en ze kunnen het even ge­makkelijk van zich afspoelen, als men een streng katoen afspoelt en dat op een vrijwel even harde en droge wijze. Het is, geloof ik, meestentijds stil voor ons heen, dat we het beste kunnen terugblikken op al de weg,  door welke ons God geleid heeft in de woestijn.

Philpot persoonlijk

Voordat het de Heere behaagd om onze zielen tot Goddelijk leven op te wekken, hebben wij geen ware kennis dat er één God is. Soms kijk ik terug op de tijd dat het de Heere behaagde mijn ziel levend te maken, in het vroege voorjaar van 1827. Ik herinner mij alle gebeurtenissen die ermee verbonden zijn, zo duidelijk alsof het nog maar gisteren was. Ik denk dat ik in het werk van God in mijn ziel deze vier kenmerken kan vinden:

1. Ten eerste was er een groot besef van de eeuwige werkelijkheden in mijn gemoed. Ik had over godsdienst gepraat, ik was naar de kerk gegaan, ik had mijn gebeden opgezegd en toch had ik nooit enig besef van de eeuwige werkelijkheden gehad. Maar toen de Heere, te midden van diepe verdrukking, het gewicht van de eeuwige werkelijkheden op mijn gemoed legde, voelde ik dat er een eeuwigheid was.

2. Het volgende wat ik voelde, was een grote zachtheid van geest. Ik heb in die zes maanden meer tranen vergoten dan ik ooit ervóór of erna heb gedaan.

3. Daarmee ging ten derde een mededeling van een geest van gebed samen, die dag en nacht op mij rustte.

4. Het vierde was dat het oor geneigd werd om de waarheid te horen.

Ik ben ervan overtuigd dat wát een mens ook moge weten door preken te horen of boeken te lezen, er is geen werkelijke bekendheid met God, tenzij er een straal van Goddelijk licht valt, wanneer deze in het gemoed schijnt vanuit de grote en heerlijke IK BEN. ‘In Uw licht zien wij het licht’. Er moet een ontdekking plaatsvinden, door het deksel van het ongeloof weg te nemen – een ontdekking van Zijn heerlijke volmaaktheden.

Philpot persoonlijk

Ik wil liever ziek en verdrukt zijn, met de zegen en tegenwoordigheid des Heeren, dan gezond en wel zijn zonder. Ik herinner mij dat ik op mijn verjaardag, vele jaren geleden, ziek op bed lag, maar zo vervuld was met de tegenwoordigheid en zegen des Heeren, dat het de gelukkigste verjaardag van mijn leven was. Als het dus om ziekte en lichamelijke verdrukking gaat: deze dingen zijn niets wanneer we de zegen des Heeren over onze ziel ontvangen.

Philpot persoonlijk

Naast algemene leidingen, heb ik vaak opgemerkt — het was mijn eigen geval, en ik heb het in andere gevallen gezien — dat zich in de Voorzienigheid een zeker opmerkelijk tussenbeide komen van God voordeed, zoals een verandering van woonplaats, het brengen van een bijzondere bezoeking over lichaam of geest, de ontsluiting van de één of andere onverwachte omstandigheid, welke zo het geen genade werkte, toebereidde tot de genade; en ofschoon het in de kiem zou zijn gesmoord, zo het slechts iets tijdelijks en natuurlijks ware geweest, werkte het nu op een zo­danige wijze in de Voorzienigheid Gods met Zijn genade mede, dat ze beide als schakels in een keten aan elkaar verbonden waren. Aldus was de eerste schakel, een schakel in de Voor­zienigheid, laten we bijvoorbeeld zeggen: de één of andere zware en pijnlijke beproeving, die de hartzenuwen van het leven zelf schenen af te snijden. Velen hebben wellicht zwaardere beproevingen ondervonden dan wij; maar zij hadden daarbij slechts de droefheid der wereld, die de dood werkt; doch wij hadden naar we hopen, de genade ten leven, die met de beproeving medewerkte, haar overheerste en die haar veranderde in een kanaal der genade. De genade maakte het hart week; en ofschoon dit vertederen zelf de beproeving heviger deed gevoelen, verootmoedigde dit de ziel toch en maakte dit de ziel hieronder zachtmoediger.