Beproevingen

Strict Baptists halen in hun preken en verhandelingen thema’s aan. Op deze pagina kunt u lezen wat J.C. Philpot aanhaalt over het thema Beproevingen.


 

J.C. Philpot in zijn preken over Beproevingen

J.C. Philpot in een preek over 2 Korinthe 12:9

Hoe gepast voor onze bevinding van onze hulpeloosheid zijn des Heeren woorden: ‘Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.’ Als wij dus onze zwakheid leren, dan beginnen wij onze kracht te leren. ‘Als ik zwak ben, dan ben ik machtig’. Wij beginnen een blik te werpen buiten ons ellendig eigen ik, en tot de Heere op te zien, opdat er kracht uit Hem in onze ziel komen moge. Aldus bevond Jeremia het: ‘HEERE, ik heb Uwen Naam aangeroepen uit de onderste kuil. Gij hebt mijn stem gehoord,verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen. Gij zijt genaderd ten dage, als ik U aanriep. Gij hebt gezegd: Vrees niet!’ (Jer. 3:55-57)

Op deze wijze kan de Heere, door de toepassing van Zijn Woord, door een zoete toefluistering van Zijn liefde, of door het bijbrengen van een genadebelofte, in een ogenblik kracht mededelen. Hebt u het niet aldus ondervonden? In een tijd van verzoeking en beproeving, toen het scheen, alsof u nauwelijks een korrel genade in uw ziel bezat, evenwel toen de Heere maar begon te verschijnen in de ontsluiting van de één of andere belofte, of in de toepassing van enig woord, of in het schijnen van het licht Zijns aanschijns, welk een kracht werd er dan medegedeeld om te geloven!

Welnu, naarmate het geloof de kop begint op te steken, komt de hoop na in zijn gevolg en de liefde vormt de achterhoede. Welk een kracht is het, die de Heere schenkt! Wat bovennatuurlijk, wat bijzonder, wat alle andere kracht overtreffend! Maar, indien wij sterk in onszelf zouden zijn, dan zouden wij de kracht des Heeren niet van onze eigen kracht kunnen onderscheiden. Indien het geloof te mijner beschikking zou staan, hoe zou ik dan kunnen vertellen, in welk geval ik uit mezelf geloofde, en in welk geval het de Heere behaagde, het mij te geven om te geloven, evenals om Zijns Naams wil te lijden? Indien ik zou kunnen bidden of preken, of indien u zou kunnen horen, als en wanneer het ons belieft, hoe zouden wij dan het onderscheid kunnen vertellen tussen hetgeen de Heere in en voor ons doet, door Zijn Geest en genade, en hetgeen wijzelf doen? Maar door bevindelijk onze eigen zwakheid te leren kennen, wanneer het de Heere behaagt Zijn kracht bekend te maken, dan is de tegenstelling zo groot, dat wij deze kunnen opmerken, schijnende als met een lichtstraal van de hemel, en dan weten wij, wat het zeggen wil, dat Zijn kracht in onze zwakheid wordt volbracht.

Onze zwakheid, zoals deze innerlijk wordt gevoeld, brengt ons altijd tot de troon der genade, als nooddruftige smekelingen, opdat wij dagelijkse vervulling mogen verkrijgen. Het is onze zwakheid en de kracht des Heeren, onze nooddruft en Zijn vervulling, onze beproevingen en Zijn ondersteuning hieronder,die de gemeenschap met de Heere onderhouden. Indien ik dag aan dag zou kunnen bidden, of preken, of schrijven, of geestelijke werken doen in mijn eigen kracht, zonder de Heere, door Zijn kracht in mijn ziel werkende, waarvoor zou ik dan behoefte hebben aan de Heere? Ik zou het zonder Hem kunnen stellen. Hij zou voor mij niets betekenen. Doch indien ik niet kan preken, of bidden, of schrijven, of geloven, of hopen, of liefhebben, of enige genadevrucht kan voortbrengen, tenzij het de Heere behaagt Zijn genade aan mijn hart mede te delen, een gevoel hiervan brengt mijn ziel min of meer dag aan dag in vereniging met Hem, opdat ik toedieningen van sterkte en kracht uit Hem moge verkrijgen. Wanneer ik onafhankelijk van Hem kan leven, dan zal ik dat doen.

Onafhankelijkheid beminnen wij allen op innige wijze. Juist dit is het bloed, dat door al onze aderen stroomt. In vroeger dagen placht dit mijn leuze te zijn, want ik was te hovaardig om voor wat dan ook van iemand afhankelijk te zijn. Doch de genade leert ons hetgeen wij van nature nimmer zouden leren. De genade heeft me geleerd afhankelijk te zijn, niets te zijn, vol van zwakheden te zijn en terwijl ik deze zaken gevoel, brengt dit me tot de Heere, opdat Hij Zijn kracht in mijn zwakheid zou willen volbrengen, opdat Hij mij in mijn onwetendheid zou willen onderwijzen, Zijn verzoenend bloed en stervende liefde in mijn schuld en schande zou willen openbaren, opdat ik ervaar, in het persoonlijke en in het openbaar, met mijn pen en met mijn tong, op de kansel, en in mijn huis, voor de kerk en in de wereld, dat Zijn kracht op me mag rusten. Welnu, terwijl deze zaken in onze ziel werken, bren­gen ze ons in levende vereniging met een levende Heere, openen ze een verbindingsweg tussen Zijn kracht en onze zwakheid, Zijn goedertierenheid en onze ellende, Zijn macht en onze hulpeloosheid. Ik kan u vertellen, hoe u dag aan dag leeft, hoewel ik u noch ontmoeten, noch met u spreken moge. Indien u geen doorn in het vlees hebt, indien u geen engel des satans hebt om u met vuisten te slaan, indien u geen beproevingen of verzoekingen hebt, dan hebt u geen mededelingen aan uw ziel van de liefde en goedertierenheid, genade en kracht des Heeren. U moogt uw Bijbel lezen, en in alle getrouwheid op uw knieën vallen, doch er is geen mededeling aan uw hart vanuit de volheid van Christus. Maar, indien u aan de andere kant beproefd en verzocht wordt, bekommerd en geoefend bent, een dagelijkse doorn hebt, en een engel des satans, en indien door deze middelen uw schepselskracht is uitgeput, dan hebt u er behoefte aan, dat de Heere bezit neemt van uw ziel om u Zijn genade te schenken, om u te sterken en te ondersteunen. Aldus worden juist deze zwakheden en verzoekingen op een erg gezegende wijze overheerst, u ten goede en tot roem des Heeren, door een verbindingsdeur te openen tussen een volle Christus en een ontledigde zondaar, een genadige en liefhebbende Jezus, en een ellendig, afhankelijk schepsel, dat niets heeft en niets is in zichzelf, dan zonde en ellende.

Loof God dan voor uw beproevingen. Zij zijn de beste zaken, die u kunnen overkomen. Juist uw beproevingen in de voorzienigheid zijn zovele gewichten, die rond de hals gebonden zijn, blokken, die rondom uw voeten gesloten zijn, om u ervoor te bewaren de weg der zonde te begaan. Juist de verzoekingen, die u ondergaat, zijn middelen u van de farizese hoogmoed te ontledigen en te ontbloten. De doorn in het vlees en de engel des satans zijn middelen in Gods hand om uw kracht erdoor te verzwakken, en om u ervan te overtuigen, dat u zonder Christus niets doen kunt. Ze zijn inderdaad pijnlijk om te verdragen. Zij zijn bedoeld dit te zijn. Zij zouden de juiste uitwerking niet hebben, tenzij ze pijnlijk zouden zijn. God speelt niet met ons, en zal ons niet toestaan met Hem te spelen. Soms hebben wij behoefte aan krachtige en pijnlijke leidingen, om ons tot ons verstand te brengen en om ons uit die droom van valse verzekerdheid te schudden, waarin duizenden geheel opgaan, en om ons de zonde en het eigen ik in hun ware licht te tonen. Wanneer wij door de doorn en door de engel worden beproefd en geoefend, wat verdwijnen de dingen der wereld dan uit het oog! Welk een ledig toneel wordt deze ijdele wereld, met al zijn vermaken en bezigheden, dan om te aanschouwen!

Wat schijnt hier beneden alles verdord en verwelkt, een tranendal, een woeste huilende wildernis! En naarmate de hemel zich ontsluit met Zijn heerlijkheid en gelukzaligheid, Zijn eeuwige rust en vrede, welk een duurzame wezenlijkheid wordt er dan gevonden en gevoeld in de genade van Christus, in de vertroostingen des Evangelies, en in de liefde Gods!

Maar zouden de kracht en de wezenlijkheid dezer hemelse zegeningen ondervonden worden, tenzij er eerst een verzwakkende doorn zou zijn geweest, om alle schepselskracht – die vijand van het kruis van Christus uit te putten? Zou Jezus gekend worden in Zijn bloed, liefde, en genade, indien er noch beproeving, noch verzoeking, zwakheid of lijden zou zijn, om ons onze diepgaande en dagelijkse behoefte aan Hem te doen voelen? Aldus kon de apostel spreken: ”Zo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone” – zoals de wolkkolom op de tabernakel rustte, zoals de heerlijkheid Gods rustte op het verzoendeksel. Het zal ons genade zijn, zo wij zijn taal, naar welke mate zijner bevinding dan ook, kunnen bezigen. Want zoals hij kon roemen in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op hem mocht rusten, zo zullen wij dit kunnen, juist naar de mate ons dit geleerd is, door dezelfde Goddelijke Onderwijzer, en zo wij hetzelfde geloof in ons hart hebben, door dezelfde kracht Gods gewerkt. AMEN

 

J.C. Philpot in een preek over Efeze 1:19-20

Hoe rijk, hoe veelomvattend is de heerschappij van Christus. Beschouw de woorden ‘alle dingen’ en zie wat ze omvatten. Sluiten ze niet alle aardse, evenals alle hemelse zaken in? Alle beproevingen, alle bezoekingen, alle verzoekingen, alle zonden, en alle droefenissen, alle vijanden, en alle vrezen, mensen, engelen, duivelen, tegenwoordige dingen, dingen in het verleden, toekomende dingen, alle zijn dan ook Zijn voeten onderworpen. Want Hij moet regeren, totdat al Zijn vijanden tot Zijn voetbank zijn gemaakt.

Konden wij vaker en meer aanhoudend een blik werpen binnen de voorhang en ons meer die verwonderlijke kracht toe-eigenen, waarmede God Hem bekleedde, toen Hij alles Zijn voeten onderworpen heeft. Wat zou het ons doen bedaren, onder de druk van onze verschillende en verwarde beproevingen, verzoekingen, bezoekingen en droefenissen, en wat zou het deze verlichten! Vaak worden zij ons de baas, maar kunnen zij Hem de baas worden? Lasten van beproevingen en bezoekingen, ons op de rug gelegd, zijn voldoende om onze schouders te kneuzen, maar kunnen ze de schouders kneuzen van Hem, bij Wie God hulpe besteld heeft, als Eén, Die machtig is? Onze zonden, gedragen door onszelf, zouden lichaam en ziel in het stof verbrijzelen, en niet slechts in het stof des doods, maar in de vlammen der hel. Maar kunnen onze zonden de almachtige arm en de eeuwige schouders der verheerlijkte Godmens, Die deze wegdroeg, toen Hij stierf aan het kruis, verbrijzelen? U kunt uw verzoekingen niet aan. Zij zijn u te sterk, en u vreest, dat u er op een zekere dag nog aan ten prooi zou vallen. Doch zijn uw verzoekingen voor de voeten van Hem, onder Wiens voeten alles is gezet, te sterk om ze te verbrijzelen? Zijn uw verzoekingen te sterk voor de handen van Hem, Wiens handen een wereld kunnen dragen, om deze van u weg te nemen? Uw bezoekingen, uw droefenissen in de voorzienigheid en in de genade, gedragen door uzelf, daaraan kunt u wel bezwijken. O, indien u ze maar bij de Lastdrager zou kunnen brengen!

O, indien u maar zou kunnen geloven, dat onder u de eeuwige armen zijn! O, indien u maar de opgeheven voet van onze gezegende Verlosser zou kunnen zien, gereed om op uw bezoekingen en droefenissen te worden gezet, en Zijn hand uitgestrekt om de last van uw schouders op te heffen, en deze op Zijn eigen schouders te leggen, wat zou dit uw smarten verlichten, en u in staat stellen u goed te houden, onder een last, welke u, zonder deze kracht, zou verbrijzelen !

 

J.C. Philpot in een preek over Psalm 107:17-20

‘De zotten worden om de weg hunner overtreding en om hunne ongerechtigheden geplaagd. Hunne ziel gruwde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen. Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hunne angsten. Hij zond Zijn Woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hunne kuilen’

De 107de Psalm is één der opmerkelijkste gedeelten der van God ingegeven Schrift, in zoverre deze op een aantal verschillende wijzen en onder verschillende beelden de bevinding der heiligen Gods voorstelt. Er zijn vier personen, wien deze speciaal tekent, die ik niet ongepast moge noemen de zwerver, de gevangene, de zot of afkerige, en de zeeman. Deze vier personen worden voorgesteld en beschreven als typen en beelden van de heiligen Gods, die door die bijzondere aard der bevinding worden geleid. U zult vaststellen, dat er vier dingen van hen worden gezegd. Zij hebben benauwdheid, gebed of een roepen, verlossing en lof. Zij worden allen voorgesteld als geworpen in bezoeking en benauwdheid, en gebed en smeking oefenende in hun bezoeking en benauwdheid. Zij worden allen voorgesteld, als verlossing ontvangende in antwoord op het gebed, en van de lof wordt gesproken als Gode geschonken door allen.

Met Gods zegen zal ik proberen de woorden onzer verhandeling wat te verklaren: en dat doende zal ik aantonen:

  1. Ten eerste: wie deze zot is, voor zover de Heere ertoe in staat moge stellen, wat van zijn persoon te tekenen.
  2. Ten tweede: zijn bezoeking, welke is zijn overtreding en ongerechtigheid.
  3. Ten derde: hoe hij in zijn bezoeking tot den Heere roept.
  4. En ten vierde: hoe de Heere spreekt, heelt, en verlost.

1. Ik geloof, dat sommigen uwer in staat zullen zijn iets in uw eigen bevinding vast te stellen, dat moge overeenkomen met wat de Heilige Geest ons hier heeft voorgelegd. Het is ons niet toegestaan elkander dwazen te noemen, want er is een nadrukkelijke verklaring uit de mond der vleesgeworden Waarheid, dat hij, die zijn broeder een dwaas noemt, in gevaar zal zijn van het helse vuur. Maar ik ken geen Schriftplaats, die enig mens verbiedt zichzelf een dwaas te noemen: als er één is, ben ik mij er niet van bewust. Noch is er enige Schriftplaats, niet dat ik weet, die ons dwazen heet. In de woorden onzer verhandeling spreekt God van sommigen van Zijn volk, en noemt hen dwazen, maar alleen zoals elders: ‘Gij, dwaas en onwijs volk.’ Een dwaas te zijn in geestelijke zin is het te­genovergestelde te zijn van wat een wijs man is. Dwaas te handelen betekent te handelen op een wijze, tegengesteld aan die, waarop de wijze handelt. De wijze is een man, die hemels onderwijs in zijn ziel heeft, en ernaar handelt. Hij zet dan ook een wacht voor de deuren zijner mond, en wandelt zonder ter rechter- of linkerzijde te struikelen. Hij heeft geen erg drukkende last van schuld op zijn consciëntie, hij is niet verward in de strikken van satan, en aldus handelt hij als een wijs man, omdat hij de zonde veracht. Maar de dwaas, bewust zijnde wat hij is, ziet op Jezus, ‘Die ons geworden is wijsheid van God.’

De dwaas is niet de goddeloze, hij is niet een verworpeling: maar hij is een arm, zwak, dwaas kind van God. Hij is een vat der genade, maar hij is niet gezegend met die wijsheid en vreze Gods in levende beoefening. Hij is zonder die krachtige nature Gods, welke hem bewaart voor zwakke en dwaze dingen, maar toch is hij een aangenaam en gezaligd man, hoewel hij uit verschillende redenen in vele droeve gevallen zijn onreinheid en dwaasheid verraadt. Hij heeft het oog van een dwaas, een dwaas hart, dat altijd hunkert naar onreinheid en dwaasheid, een dwaze tong, welke niet in bedwang wordt gehouden met bit en toom, en een dwaze gewoonte van op zichzelf te betrouwen, waardoor hij vaak tot het boze komt, en satan legt zijn strikken, en hij raakt erin verward. Hij heeft een zwakke wederlegging, sterke hartstochten, en door de krachtige aanvallen van zijn onvermoeide vijanden, wordt hij verleid tot iets, dat schande brengt, ik wil niet zeggen over de Kerk, maar op zijn consciëntie. Het kan wel zijn, dat hij ervoor wordt bewaard een smaad te brengen over het volk van God: doch hij is zich ervan bewust, dat hij erg onbescheiden en ongepast handelt, en door deze dingen brengt hij duisternis over zichzelf.

Er kunnen er hier wel enigen zijn, die zichzelf gelukwensen, dat zij deze dwaas niet zijn. Het kan wel zijn, dat u bent als de zoon in de gelijkenis, die nooit ook maar iets verkeerd had gedaan, maar de Heere scheen zijn goede rekenschap van zichzelf niet heel erg te steunen. Niet dat ik niet geloof, dat hij een goed man was, maar toch zei hij, dat zijn vader hem nooit ook maar een bokje had gegeven, om vrolijk te zijn met zijn vrienden, en ook had hij hem niet de belofte van een feestmaal gegeven. Dus wat hij had om over te feesten, was zijn goede mening van zichzelf, en zijn eigen vasthoudendheid. En vaak was het een erg heerlijk feestmaal voor hem. Hij was niet zo slecht geweest als zijn broer, die zijn ganse vermogen had doorgebracht. Maar op zijn best was het een armzalig feest. De Heere lachte hem nooit toe. Doch hij had in zich­zelf datgene, waarop hij met voldoening kon blikken. Daarom,toen zijn hongerige broeder thuiskwam, was hij vervuld met haat en nijd tegen hem, met heimelijke hovaardij en eigengerechtigheid. Maar de dwaas is iemand, die niet zulk een goed gedrag, zulke goede voornemens, goede woorden of werken heeft om op te roemen. Hij is zich ervan bewust, dat hij in verschillende gevallen op droeve wijze, de verkeerde weg is opgegaan, hetgeen benauwdheid in zijn consciëntie heeft gebracht. En het kan zijn, dat hij bij ogenblikken in zijn ziel wordt geoefend, of hij er niet in alle opzichten buitenstaat, of hij wel ooit de vreze Gods in zijn ziel gehad zou kunnen hebben, en hij begint te twijfelen. Hij kan zeggen, dat hij heeft ‘dwaselijk gedaan,’ zoals er één oudtijds sprak: ‘en zottelijk gedaan.’ Maar wij willen u wat verder leiden in de verborgen diepten onzer tekstwoorden.

2. ‘De zotten worden om de weg hunner overtreding, en om hunne ongerechtigheden geplaagd.’ Welnu, deze dwazen moeten treuren over hun overtredingen en ongerechtigheden. De arme David was zulk een soort dwaas. Hij deed een misstap en viel, struikelde en bracht schuld op zijn consciëntie. Zijn zoon Salomo was een dwaas van dit soort, want hij zondigde en bracht grote duisternis over zijn ziel. Hizkia was één van deze dwazen, toen hij zijn goederen toonde aan de gezanten van de koning van Babel. Petrus was één van deze dwazen, toen hij zijn Heere en Meester verloochende, en nog wel met een eed. Toen deze heilige mannen schuld op zich laadden vanwege hun overtredingen, werden zij geplaagd. Er is nu in de wereld een zeer verpestende en vergiftige leer in omloop, dat God Zijn volk niet kastijdt vanwege hun zonden. Hoe vreselijk voor enig mens om zulk een dwaling te verspreiden. Wat een antinomiaanse leer! Hoe in strijd met de Heilige Geest! Want de Heere zegt in de 89ste Psalm, en men zou menen, dat dit genoeg zou zijn, om het te bewijzen: ‘Indien zij Mijne inzettingen ontheiligen, en Mijne geboden niet houden: zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. ‘ En zegt Paulus niet zeer beslist in de brieven aan de Hebreeën: ‘Indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen.’

Zo ook hier zegt de Heere met nadruk van deze dwazen, dat zij worden geplaagd vanwege hun overtredingen. Worden niet hun overtredingen aangegeven, als de oorzaak hunner plagen? Het kan wel zijn, dat God hen plaagt in het lichaam, zoals wij lezen in 1 Cor. 11:30 van velen, die ‘zwak en krank’ waren en van velen, die in slaap waren gevallen, omdat zij aten en dronken, alsof het avondmaal des Heeren een feestmaal was. Om deze reden waren sommigen krank en sommigen werden weggenomen door de dood. Hier werden zij geplaagd door lichaamskrankheid, en als u de oorzaak zou kunnen naspeuren van uw lichamelijke ongesteldheid, dan zou u kunnen opmerken, dat de Heere u plagende was, vanwege een zekere overtreding, zodat door uw lichaam te bezoeken met een pijnlijke plaag, Hij u deed denken aan uw zonden en overtredingen, en aldus stelt Hij ze u voor ogen en doet ze zwaar drukken op uw consciëntie.

Het is goed in ziekte het te aanvaarden als een kastijding, en hoewel uw consciëntie vrij is van enige hovaardij of zonde, aanvaardt de roede dan voor uw zonden in gezamenlijk opzicht. Maar als de roede wijst op enige bijzondere misstap of struikeling, aanvaardt de roede dan als ertegen gericht zijnde, en smeek van den Heere u een openbaring te schenken van Zijn vergevende liefde. Het kan wel zijn, dat Hij u in de Voorzienigheid plaagt, het kan zijn, dat u een erg hebzuchtig hart hebt, en dat Hij opmerkt, hoe het u gedurig terzijde aftrekt. In de kerk kan er een zeker overleg in uw gedachten komen, waarmede u uw bedrijf wat meer kunt doen bloeien. Het mag dan zijn, dat u niet komt met het vooropgezette doel dat te doen, maar in plaats van te luisteren naar het woord, kan het wel zijn, dat u zekere plannen ontwerpt, welke een grotere winst in uw bedrijf zullen verzekeren, of u kunt wel zoeken naar iets, om uw hebzuchtige begeerten te voldoen. Kunt u dan erover verwonderd zijn, dat de Heere zou wegnemen al hetgeen u had bijeenvergaderd, en dat Hij zou ingaan tegen deze hebzuchtige praktijken? Aanvaardt het als een kastijding. Of het kan wel zijn, dat Hij uw consciëntie bezoekt. U bent zich ervan bewust, dat er vele dingen in u zijn, waaraan de Heere een mishagen heeft, de hardigheid uws harten, uw ongerechtigheid, of de koelheid uwer genegenheden, en vele dingen, waarvan de Heere nauw kennis neemt, en dan plaagt Hij uw consciëntie. Hij haalt uw hart tot Hem uit, en oefent u bij ogenblikken op dit punt, of uw ziel recht is voor God. U hebt geen antwoord op het gebed, u hoort de heiligen Gods spreken over gezegende openbaringen, en over welke verkwikkende woorden er tot hen komen, maar u hebt niet één woord, u bent besloten onder duisternis, en vrees. Of het kan zijn, dat u beproevingen hebt in het huisgezin, een ziekelijk kind, of een invalide vrouw of man, en dat ze u zelfs ontvallen door de dood. Neem al deze dingen als de roede Gods, die tot u spreekt, waardoor Hij u doet denken aan vele dingen, waarin u terzijde bent afgetrokken. Zoals de ouder of ouders hel kind bezoeken voor wat het heeft gedaan, zo ook kan het zijn, dat de Heere u bezoekt. Het is een erg slechte plaats om in te verkeren, geen bezoeking te hebben in gemoed, consciëntie of lichaam. Het is wel aangenaam voor het vlees, doch het is een slechte plaats voor de ziel.

Indien alles aangenaam is in het huisgezin, gemakkelijk in de omstandigheden, als er geen bekommering is in de consciëntie, geen beproevingen van binnen, ben ik er erg zeker van, dat het u ver van God brengt, en dat het u ermede tevreden zal doen zijn het leven te leven van een beest, etende en drinkende en slapende, te zijn zoals u bent en wat u bent, zonder te zuchten naar een openbaring en ontdekking van Christus aan uw hart. De meeste mannen en vrouwen leven het leven van een beest, en zijn alleen maar bezig voor de tijd, in hun werk: Zij hebben niet meer bekommering over hun ziel, dan de beesten, die vergaan, en zo is het ook met de heiligen Gods, tenzij de Heere het werk levendig houdt door kastijding, tenzij Hij hen terugbrengt en hen leert welke zondaren zij zijn en hun geest opheft tot de dingen der eeuwigheid.

U kunt wel denken, dat er erg vriendelijk met u wordt gehandeld, omdat u in goede doen verkeert en alles schijnt te gaan, zoals u zou kunnen wensen, maar als u de grootste vijand van God zou zijn, zou Hij niet een passender weg kunnen kiezen, om Zichzelven te wreken.

Let op de zakenmensen, die geen vreze Gods voor hun ogen hebben, zie wat zij zijn, als er een zakengetij aanbreekt, zijn zij niet even ver van God als de mens mogelijkerwijs maar zijn kan? Als de winkel vol klanten is, hoe vrolijk gestemd is dan de zakenman! Waar is de man nu die de Heere aanroept? Maar als de tijden kwaad zijn en de dingen verkeerd gaan, begint hij God aan te roepen. Nu hij meer verliezen van tijdelijke en zinnelijke dingen begint te voelen, begint hij meer waarde te hechten aan de dingen der eeuwigheid.

Dus als God onze genegenheden wil zetten op de dingen, die boven zijn, dan moet Hij ze afnemen van de dingen der aarde. Dit is de wijze, waarop de Heere handelde met degenen in de 73ste Psalm, die geen banden hadden tot hun dood, en wien God op gladde plaatsen zette en deed vallen in verwoestingen. Daarom kus de roede, koester deze, kleef hem aan, loof God ervoor, loof Hem voor Zijn bezoekende weldaden, Zijn tuchtigende slagen, want ze zijn alle bedoeld om u uit de wereld te brengen. Wees ervoor beducht geen oven, geen roede te hebben, zonder kastijding te worden gelaten. Doch loof den Heere voor iedere bezoeking, voor iedere ziekte, voor iedere smart, voor iedere beproeving en voor ieder zwaar verlies. Loof den Heere voor dit alles. Door deze slagen brengt Hij u meer nabij Zijn heilige en soevereine Majesteit.

O deze dwazen, voort te gaan, totdat het heet, dat hun ziel gruwt van alle spijze en zij tot aan de poorten des doods gekomen zijn. Wij weten, dat bij ziekte spijze niet smaakt. Hier is een man van de akker gekomen met een goede eetlust, hoe heerlijk is hem de geur van bereid voedsel? Maar breng het bij een man, die op een ziekbed ligt uitgestrekt, en het is hem walglijk. Hier is het gebraden Lam, waarover ik onlangs sprak, wat is het heerlijk voor een hongerige ziel, wat walglijk voor de verzadigde ziel! Wel, in een zekere zin gruwen de zielen van deze dwazen van alle spijze. Zij kunnen zich niet vermaken in de wereld, zoals zij vroeger deden, omdat zij een verontruste consciëntie hebben. Zij kunnen zich niet verlustigen in de dingen der wereld, zoals andere mensen dat doen, en aldus gruwen hun zielen van alle spijze.

Hoe walglijk is de lichtvaardige en blijde toon, die zij horen. Het is voor hen even lichtvaardig als het lied van de dronkaard. O! hoe walglijk is het gesprek van de goddeloze voor een ziel, die waarlijk bekommerd is over de dingen der eeuwigheid. Hij gevoelt, dat hij een ziel heeft, die onder de toorn des Almachtigen ligt, en wat een vreselijke zaak het zal zijn, als hij voor eeuwig moet worden geworpen in het verterende vuur, en daar voor eeuwig te liggen. Wat zijn al de dwaze vermaken? Hij kan zich niet voeden met de spijze, deze nonsens, zoals dwazen dat kunnen, ‘Hij is tot aan de poorten des doods gekomen. ‘ Hij weet niet, of de wortel der zaak wel in hem is. Hij vreest dat het werk nimmer is aangevangen, dat zijn blijdschap geheel misleiding is geweest en alleen natuurlijke overtuiging was, dat al zijn bevinding in het verleden niets zou zijn geweest dan een hoop misleiding, bedrog en geveinsdheid. Hij vreest, dat hij binnenkort in de eeuwigheid zal zijn, en dat al zijn zonden hem als met een molensteen zullen doen verzinken in de diepten der hel. Nu zou u nauwelijks geloven, dat deze man een heilige van God was. Waar is zijn godsdienst? Waar zijn zijn blijdschap, vrede, geloof en liefde? U kunt niet één van deze zaken in hem waarnemen, en ook kan hij ze niet in zichzelf waarnemen. Maar hij is van Christus, en dat is hetgeen hem doet gevoelen, wat hij doet. Nu komen wij tot

3. Het roepen der ziel in deze uiterste nood. Er is een roepen tot den Heere in hun ellende. Maar het is de ellende, die tot roepen dwingt. De mensen roepen nimmer waarlijk tot den Heere in ernst, tenzij dat zij in ellende komen. Het zijn niet de gebeden van een man op zijn gemak, de halfhartige gebeden, die opklimmen in de oren van de Heere Zebaoth, maar het gebed van de ziel, die in ellende verkeert, in de golven der bezoeking en droefheid. Als de baren van God over het hoofd van een mens gaan, en hij zinkt in diepe wateren, dan bidt hij.

Zo ook deze dwazen, waarvan wordt gesproken in onze tekst, zij roepen tot den Heere in hun ellende. Wat een genade een Heere te hebben, tot Wien te roepen! Een genadetroon, een voetbank der genade, een gebed-horend en gebed-verhorend God! Wat een genade, dat de Heere Zijn volk niet in de wanhoop laat, niet overlaat aan de zonde en satan, en dat Hij ze niet in het verderf werpt, om daar de gewelven van de hel te doen weergalmen van hun roepen uit ellende en afgrijzen.

Maar onderwijl er leven is, is er hoop, en hoewel deze arme dwaas altijd een lage plaats moet innemen, is er evenwel een roepen in zijn ziel, en er is een Heere van medelijden en erbarmen, om dat roepen te horen, dat hij uitgiet. U kunt nooit zo diep wegzinken, dat u niet een schreeuw in uw ziel hebt om tot den Heere te roepen, als u Zijn grote Naam vreest. Het is uw genade, voorrecht, en zegen te weten, dat er een God is, en te weten, dat als u tot God roept in de ellende, Hij u zal horen. Daarom, blijf roepen, arme ziel, geef niet op, geef niet toe aan wanhoop, roep tot den Heere, en hoe meer verontrust u bent, des te meer roept u. Nu komt

4. Verlossing. ‘Hij verloste hen uit hunne angsten. ‘ O, hoe goedertieren! O, hoe medelijdend is de Heere toch! Te horen het geroep van Zijn arme kinderen hier beneden! ‘Hij verloste hen uit al hunne angsten.’ Die gemoedsangsten, die knagingen van een schuldige consciëntie, die twijfels en vrezen, kwellende verzoekingen, en die pijnlijke verwachtingen der toekomende wereld. Hij verschijnt voor hen, helpt hen, strekt Zijn arm uit. ‘Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hunne kuilen. ‘ Hij zendt een woord van belofte, van zoete nodiging, of een woord, dat vergeving, vrede en verlossing meebrengt. God zendt het woord met kracht in hun hart, en als het woord komt, dan komt de verlossing met het woord, omdat, meteen dat het vertroostende woord het hart bereikt, satan vliedt, de duisternis verdwijnt, twijfels en vrezen wijken, het harde hart week wordt, en Jezus komt met het woord en Zichzelven openbaart met een Goddelijke kracht aan het hart. Niets dan het woord, komende met een Goddelijke kracht in het hart, kan ooit de afkeringen genezen, het bedroefde gemoed stillen en de twijfels en vrezen, die een levende ziel kwellen, verdrijven.

En Hij rukt hen uit hun kuilen. Wij zouden ziel en lichaam beide hebben verwoest. Hebben sommigen uwer geen strikken gehad zo geraffineerd en van zulk een krachtige aard, dat u uzelf niet ervan verlossen kon? Telkens weer werden uw voeten verstrikt, steeds weer werd u gevangen in de strik en u gevoelde, dat die strik uw ondergang zou zijn. Wacht u voor toe te geven aan de eerste strik, aan de eerste verzoeking. Menige man is in een zondegang gevallen door eerst toe te geven aan de verzoeking, welke hij zou hebben kunnen weerstaan. Maar verzoekingen, zonde en een goddeloos hart, die altijd samenwerken, overvielen hem, zodat zijn voeten zijn verstrikt. Doch zonder de bijzondere genade Gods zou menige strik onze ondergang zijn geweest. Als de Heere ze niet uit de weg genomen had, dan zouden wij erdoor zijn verstrikt.

Deze strikken liggen verspreid in al hetgeen wij doen, in onze spijze, drank en kleding, in ons lichaam en gezin, in ons bedrijf en bezigheden en in onze wandelingen, ons uit- en ingaan. Er is niet een enkele stap, die wij kunnen doen, waar de verborgen strikken niét voor onze voeten zijn gelegd, en deze strikken zouden zonder de genade Gods, zeker onze ondergang blijken te zijn. U kunt wel denken, dat dit niet zo is, maar als u ze zag, zou u bemerken, dat er een strik was gelegd, zelfs in uw zware arbeid en beroep, maar

‘Zelden zien wij de strikken,
Aleer wij de smart gevoelen.’

Deze arme dwazen zijn gevangen in de strikken en zij zouden lichaam en ziel hebben verwoest, zonder de genade Gods. U kunt lezen van mensen, schuldig aan de afschuwelijkste misdaden en als u acht erop geeft, zult u opmerken, dat zij langzamerhand voortgingen van het een tot het ander, totdat zij tenslotte in ’t oog vallende verderfelijke misdadigers werden. Hoe menige leerjongen is in eerste aanleg verzocht geworden een weinig te nemen, en is dan verder gegaan, totdat hij zijn persoon verwoest heeft, en het kan wel zijn, dat hij zich in omstandigheden heeft gebracht, welke erop uitlopen, dat hij een gevangene is voor het overige van zijn leven. Wees op uw hoede voor de eerste zonde. Menige dronkaard is begonnen door maar een weinig te nemen. Wees dan ook op uw hoede voor het maken van gewoonten, en voor hierin te worden verstrikt. Smeek den Heere u eruit te verlossen, want de Heere zal Zijn volk bewaren. Hij ‘zal de voeten Zijner heiligen bewaren,’ en Hij zal ze ten einde toe bewaren. AMEN.