Gebed

Thema: Gebed

Teksten van Engelse Strict Baptists

Strict Baptists halen in hun preken en verhandelingen thema’s aan. Op deze pagina leest u wat bekende Strict Baptists over het gebed schreven of preekten.

INHOUD

  1. W. Gadsby in zijn preken over gebed
  2. T. Godwin bidt God of Hij hem schrijven wilde leren
  3. J. Kershaw in zijn preken over het gebed
  4. J.C. Philpot in zijn preken over gebed
  5. J.C. Philpot beantwoordt vragen over het gebed
  6. J.C. Philpot’s gemeentegebed

 

W. Gadsby in zijn preken over gebed

overgenomen uit William Gadsby Deel 1

W. Gadsby in een preek over Psalm 116:17

Soms kan de ziel tot een punt gebracht worden waarin geen enkele zin op haar geval van toepassing lijkt te zijn en ze dus nergens iets mee kan; wanneer de zonde, de satan, de dood, het verderf en de vleselijke rede allemaal tegen haar in het geweer komen en ze zich net voelt alsof ze naar de laatste adem snakt. Dan zegt ze met een diepe zucht: ‘Heere, help mij!’ Maar de Geest zal op zulk een tijd komen, kracht en leven tevoorschijn brengen en de arme zondaar zegenen met geloof om te zien op het Lam van God. En o, wat een gezegende blik, wanneer dit het geval is!

Gods kind zal dus heel de weg genoeg te worstelen en te strijden hebben. Maar ik houd van die uitspraak van Joseph Hart:

Het gebed is een wapen voor de krachteloze;
De zwakste zielen kunnen dit het beste hanteren.

Het gebed van de mens die de grootste worstelingen en strijd heeft, en zich het zwakste voelt, kan de hemel het meeste bestormen. God hoort het zuchten, het kermen, de worstelingen en het hijgen van zo’n ziel en zal op Zijn eigen tijd neerdalen om haar te verlossen. Zo zal zij ertoe gebracht worden enige genieting van de verborgenheden der genade te kennen en te beleven.

Ik kan mij ergens een verhaal herinneren van een arm schepsel dat door een duivel bezeten was. In die tijd hadden de mensen het idee dat de duivel weg zou gaan als ze een aantal predikanten bijeen konden krijgen om te bidden. De predikanten kwamen dus samen en begonnen te bidden voor de man die bezeten was. Maar in het gezelschap was een arme oude vrouw, die achter een scherm was gaan zitten om het gebeuren gade te slaan. Nadat ze een tijd aan het bidden waren geweest (zo gaat het verhaal), zei de duivel: ‘Stuur die oude vrouw weg, anders moet ik uitvaren!’ Als dit waar is, ziet u dus dat de arme oude vrouw meer kracht had om hem uit te werpen dan alle predikanten die met dat doel samengekomen waren. En toen ze dat niet deden, ging hij uit en werd de overwinning behaald. Wel, wat daar ook van waar moge zijn, zo is het met Gods kind. Wanneer hij in droevige en benauwde omstandigheden wordt gebracht, smeekt hij voor de troon van God, en strijdt, vecht en worstelt onder de macht van de zonde en de satan, en wordt hij ertoe gebracht in zijn hart tot de Heere te roepen. De Heere zal tot zijn hulp verschijnen en hem verlossen, want ‘zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn?’ (Gen. 18:14).

En, broeders, zijn u en ik ooit bevreesd wat betreft de dingen die Sion aangaan? God helpe ons om worstelaars met Hem te zijn! O, dat God een worstelende geest over ons zal uitstorten en ons ernstiger tot Hem doen roepen voor de genadetroon! De Heere zegt: ‘Roep Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren’ (Ps. 50:15). Hij zegt ook: ‘Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven’ (Joh. 16:23). Echter, hoe vaak maken wij melding van de Naam des Heeren en bidden wij Hem om specifieke dingen, en ze gebeuren niet. ‘Hoe komt dat?’ vraagt u. Omdat wij geen nood voelen. Want wanneer een arme, zwakke, waardeloze, zuchtende, treurende worm vanuit de nood enkel en alleen in de Naam van de Zoon van God pleit, is het onmogelijk dat hij niet, vroeg of laat, zal overmogen. Wanneer hij aldus worstelt in de Naam van Jezus, onze zegevierende Held, zal God verhoren en tot zijn hulp verschijnen. Maar de tijd staat mij niet toe nog verder uit te weiden over dit gedeelte van ons onderwerp.


 

T. Godwin bidt God of Hij hem schrijven wilde leren

 overgenomen uit: Gevonden door de Opperherder/ Een gezaligde zondaar door soevereine genade

Maar nu terug naar Pewsey. Er is nog iets dat plaatsvond in het jaar 1840 dat ik moet vertellen. Zo’n elf of twaalf jaar daarvoor werd deze opdracht met kracht aan mijn ziel toegepast: ‘Schrijf.’ Dit achtervolgde me en soms dacht ik eraan naar school te gaan, maar ik moest voor mijn vrouw en gezin zorgen. Ik beloofde mezelf steeds dat ik het zou proberen, maar wanneer ik dan tijd had, ontbrak mij de wil. Gedurig bad ik de Heere of Hij de weg wilde openen. In mei 1840 had ik weinig omhanden en ik wist niet wat ik moest doen. Soms dacht ik dat ik het zou proberen, maar tegelijk zei iets in me dat een poging om te leren schrijven voor mij zinloos was. Ik was te oud. Toch drong er vanbinnen iets aan: Probeer het, probeer het.

Uiteindelijk pakte ik een strook schrijfpapier en vroeg mijn zoon op de ene kant het alfabet met grote letters te schrijven en op de andere kant met kleine. Ik ging naar mijn slaapkamer, knielde neer en vroeg de Heere mij te leren schrijven zoals Hij mij ook had leren lezen. Als er brieven geschreven moesten worden, moest mijn vrouw dat telkens doen. Ik nam de pen, inkt en het papier en begon aan een eerste poging. Die hele dag en de volgende oefende ik en hield het de rest van de week vol, tot ik er haast niet goed van werd. Op mijn knieën worstelde ik met dat woord ‘Schrijf’, kwam weer overeind en trachtte het opnieuw.

Ten slotte gaf ik het op en liep de tuin in terwijl ik kermde en riep tot de Heere: ‘Heere, U zei me toch te gaan schrijven?’ Ik kon met geen mogelijkheid een letter vormen. Weer terug in mijn kamer pakte ik de pen, ging zitten en zei tegen mezelf dat ik nog een laatste poging zou ondernemen en het dan voorgoed zou opgeven. De Heere bestuurde mijn pen, toonde mij hoe ik een letter moest vormen en toen schreef ik door zonder een enkel voorbeeld; ik schreef op wat er vanuit Gods Woord ook maar in mijn hart opkwam. Toen ik een poosje had zitten schrijven, dankte ik de Heere op mijn knieën ervoor dat Hij mij had geleerd hoe ik een letter of woord moest vormen. Enkele dagen zette ik dit zo voort en dacht op een gegeven moment zelfs: Hoe zal ik dit eens opstellen?

Enige tijd later ontving ik een brief vanuit Exeter om daar een dienst waar te nemen in de kapel van wijlen Mr. Tanner, de Tabernacle. Ik wilde een kort briefje schrijven naar mijn dierbare en zeer gewaardeerde vriend, Mr. Philpot. Maar, zo dacht ik, hoe moet zo’n onnozele als ik, zonder onderwijs van mensen, nu schrijven aan een geleerde van Oxford en zo’n welsprekend redenaar als hij is? Het leek me nogal pretentieus. Toch kon ik het idee niet van me afzetten, maar tegelijk wist ik dat ik niet kon spellen, noch woorden vormen. Ik ging naar een boekhandel en kocht daar een spellingsboek, maar het lukte me niet te leren spellen. Daarom pakte ik weer een stukje schrijfpapier, pen en inkt, ging naar mijn slaapkamer en vroeg de Heere het mij te leren en daarop begon ik met mijn brief aan deze grote prediker. De Heere kwam over, verbrak mijn hart en de tranen rolden naar beneden. Mijn ziel kreeg zo’n zicht op en indruk van de grote Zaligmaker en mijn belang in Hem, dat ik de grote prediker helemaal vergat. Tranen drupten op het papier terwijl ik de woorden neerkrabbelde.

O, wat was het een kostelijke tijd voor mij! De brief had ik naar Stamford verzonden en korte tijd later ontving ik een brief terug. En toen moest ik de Heere aanroepen om Hem te vragen mij de brief te leren lezen. Geprezen zij Zijn geliefde en dierbare Naam, want de Heere deed het. Niemand kon begrijpen wat een vreugde het mij gaf de brief te lezen. Mijnheer Philpot spoorde mij aan om door te zetten en geen tijd te verspillen. Met nieuwe moed ging ik door en verkwistte jarenlang geen enkel vrij moment. Ik vroeg de Heere gedurig mij te leren spellen en de woorden te vormen. Er leek wel een stem in mijn hart te zijn die mij vertelde hoe ik dat moest doen. Wat een vreugde ervaarde ik in het schrijven aan vrienden en ik voelde me zeer blij en dankbaar jegens de Heere omdat Hij mij had leren lezen en schrijven! Hij heeft het Zelf gedaan; geen enkel mens heeft me er ook maar enigszins bij geholpen. Daarom: ‘Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam’ (Ps. 103:1).


 

J. Kershaw in zijn preken over het gebed

overgenomen uit Preken van John Kershaw Deel 1

John Kershaw in een preek over 1 Petrus 3:12

‘Want de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen.’

……II. Tot zover het eerste gedeelte van ons onderwerp, namelijk de hoedanigheid van de rechtvaardigen. Ik vraag nu uw aandacht voor hun gebed. ‘Want de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen.’

Laat ik een paar opmerkingen maken over het gebed zelf. Met betrekking tot het gebed moet er een belangrijk onderscheid gemaakt worden. Gebeden opzeggen is één ding, bidden is heel wat anders. We kunnen gebeden kopen, gebeden opzeggen en gebeden maken, en toch helemaal nooit bidden. Ik zeg dit zo, omdat ik graag wil dat u allemaal erover nadenkt hoe een mens gebeden uit het hoofd kan leren en ze ’s avonds en ‘s morgens kan opzeggen, en toch, hij bidt niet waarlijk, tenzij de woorden van die gebeden gevoeld worden in het hart en de ziel van hem die bidt. We kunnen een gebedenboek hebben en gebeden lezen in de kerk of de kapel, in aanwezigheid van ons gezin of aan het bed van een zieke vriend; maar hoe goed en gewichtig de woorden in zichzelf ook mogen zijn, als ze alleen maar gelezen en aangehoord worden zonder gevoeld te worden in de ziel van de personen die erbij betrokken zijn, is het geen gebed. De farizeeën deden lange gebeden, maar God zegt dat zij tot Hem naderden met hun mond en Hem eerden met hun lippen, maar hun hart zich verre van Hem hield.[1] Het is een bespotting om woorden in gebed tot God op te zeggen waarin we geen gevoel hebben. Het valt te vrezen dat wij in deze dagen leven te midden van velen die alleen maar gebeden opzeggen, en nooit bidden. Maar onze tekst spreekt over waarachtig gebed: ‘Zijn oren zijn tot hun gebed.’ Om nu dus na te denken over dit waarachtige gebed, gebed is de ademtocht van de uit de hemel geboren ziel naar God. Gebed is het onmiddellijke gevolg van de vervulling van die plechtige belofte – die zeer plechtige en nodige belofte: ‘Over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden’ (Zach. 10:10). Welnu, de Heere stort Zijn Heilige Geest uit in de ziel van ons, arme zondaars; en die Geest overtuigt ons van onze zonde, doet ons onze ellende en jammerlijke toestand zien en voelen, en brengt ons tot het inzicht waar die zegeningen zijn die we nodig hebben, zodat we ons hart en onze ziel uitstorten voor de Heere in ernstig, vurig gebed. Zo is waarachtig gebed de geestelijke ademtocht van een arme zondaar voor Gods aangezicht.

Paulus was een farizeeër uit de farizeeën en deed lange gebeden; maar zolang hij een farizeeër was, heeft hij helemaal nooit op geestelijke wijze gebeden en heeft God nooit erkend dat hij een biddende ziel was. Maar nadat de Heere hem ontmoette op de weg naar Damascus, en de Heilige Geest – de genade van God – bezit genomen had van zijn ziel, bad hij waarlijk en geestelijk tot de Heere. En de Heere sprak tot Zijn dienstknecht Ananías en zei: ‘Ga heen, en u zult een zekere Saulus van Tarsen vinden, want zie, hij bidt; en spreek die woorden tot hem die Ik u zeggen zal.’ Maar Ananías was bevreesd en antwoordde: ‘Heere, ik heb gehoord wat voor kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; en hij heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen die Uw Naam aanroepen. Waarom stuurt U mij in de klauwen van deze Benjaminiet, deze grijpende wolf?’ Maar de Heere zei tegen hem: ‘Ga heen, hij is een van Mijn uitverkorenen; en Ik zal u nog meer zeggen: hij is een biddende ziel.’ Toen stond Ananías klaar om te zeggen: ‘Uw Naam zij geloofd, ik zal gaan als er een roep in zijn hart is om genade.’

Tot op deze dag toe is het zo dat wanneer de genade van God een arme ziel arresteert, die ziel begint te roepen. En Gods godsdienst, die de toets van leven of dood en het oordeel van de grote dag zal doorstaan, begint met de taal van de arme tollenaar: ‘O God, zijt mij zondaar genadig’ (Luk. 18:13). Gods godsdienst in het hart van het lieve huisgezin des geloofs is: ‘O God, zijt mij zondaar genadig.’ Op het sterfbed en aan de oevers van de Jordaan is dit hetzelfde. In waarachtig gebed is er dus een belijdenis van onze zonde en schuld, is er een komen voor Gods aangezicht als schuldig en veroordeeld, en is er een aanroepen van Hem om genade, om hulp en om uitkomst. En als de Heere door Zijn Geest beweegt, gaan de zielen van de heiligen Hem na. Zo ziet u dat ‘de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed’.

Duizenden waarachtige gebeden gaan op tot God terwijl er niet één woord gesproken wordt. Wat! bidden tot God zonder woorden? Ja; en als u dit niet kent, hebt u nog nooit waarlijk gebeden. We zullen slechts naar één tekst kijken, en ik heb God menigmaal gedankt dat hij in de Bijbel staat. Hij staat in Romeinen 8: ‘Want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort’ (vers 26). Wij zijn zulke duistere, onwetende ellendelingen, zulke verbijsterde schepselen wanneer we voor het aangezicht des Heeren komen, dat we niet weten wat we moeten zeggen of hoe we zullen beginnen. We kunnen onze gevoelens niet in woorden omzetten, zelfs niet als onze zaligheid ervan afhing. Maar de Heilige Geest, als de Geest der genade en der gebeden, ‘komt onze zwakheden mede te hulp’ en ‘bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. En Die de harten doorzoekt, weet welke de mening des Geestes is, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt’ (vers 26-27). Daarom is er echt gebed tot God in het hartelijke zuchten, kreunen en steunen dat ontstaat uit een besef van onze zondigheid, snoodheid, zwakheid en hulpeloosheid. Ik zou nog lager willen afdalen, want de psalmist zegt: ‘Voor U is al mijn begeerte [de begeerte van mijn ziel, wanneer er geen woorden zijn], en mijn zuchten is voor U niet verborgen’ (Ps. 38:10). ‘Uw ogen zijn over mij, over de begeerten van mijn hart, en Uw oren zijn opmerkende op mijn zuchten en kermen.’

Menigmaal, als Gods lieve kind in en om zijn huis bezig is, zijn boerenbedrijf naloopt of aan het werk is, denkt hij in zijn ziel over deze dingen na. Ik houd meer van nadenkende christenen dan van grote praters. In zijn ziel voor het aangezicht des Heeren overdenkt en gevoelt hij zijn eigen zondigheid, zwakheid, onwaardigheid, waardeloosheid en snoodheid, en hij zegt met het diepste innerlijke gevoel: ‘Ach, Heere, Gij weet wat een snode ellendeling ik ben; Gij weet wat een zwakke, hulpeloze worm ik ben; Gij kent mijn hart; Uw ogen zijn op mijn hart, en Gij weet dat ik niet kan doen wat ik zou willen doen.’ Er is meer gebed in dat ‘Ach, Heere!’ dan er is in miljoen woorden; en juist dat ‘Ach, Heere!’ komt tot in de oren van de Heere God Zebaoth,[2] en wordt aanvaard als waarachtig gebed. De psalmist zegt over ditzelfde onderwerp: ‘Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms’ (Ps. 79:11). Kom, arme ziel, de Heere hoort al uw zuchten, en al uw kermen en hunkeren naar Hemzelf. Hij ‘wendt Zich tot het gebed desgenen die gans ontbloot is, en versmaadt niet hunlieder gebed’ (Ps. 102:18). O, wat een goede dingen en wat een bemoedigende dingen voor de huisgenoten des Heeren, die naar Hem schreeuwen!

Dat er gebed kan zijn zonder woorden, daarvan hebben we een bewijs in het geval van Hanna, de vrouw van Elkana. Zij was een vrouw ‘bedroefd van geest’ (1 Sam. 1:15, Eng. vert.); en waar ging ze heen in haar droefheid? Naar de beste plaats waar ze maar heen kon, naar de tempel des Heeren; en ze bad tot de Heere, terwijl ze zeer weende, dat Hij haar wilde gedenken en haar uitredden. Ze ging in de tempel, en de Heere ontmoette haar en zegende haar. Maar er staat dat terwijl ze in gebed was, haar lippen zich roerden en ze in haar hart bad. Er was een beweging van haar lippen, dat is waar, maar er was geen geluid van woorden. Nu, ik houd van die mensen die in hun hart bidden. Gebed van het hart is gebed tot de Heere vanuit de ziel. Eli zat bij een pilaar of post in de tempel; en toen hij naar haar keek, vroeg hij zich af: ‘Is ze dronken?’ De verdenking dat de vrouw onder invloed was, rees hoog op bij de priester van de allerhoogste God. Een heilige verontwaardiging rees bij hem op, dat een vrouw in zo’n toestand in Gods huis kwam! ‘Doe uw wijn van u, gij dochter Belials, waarom komt gij hier om te spotten?’ Zo’n scherpe kritiek van de priester des Heeren was heel pijnlijk, die een woord van troost tot haar ziel had moeten spreken. En Hanna zei: ‘Neen, mijn heer, acht toch uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials, want ik ben een vrouw bezwaard van geest, en ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des HEEREN’ (vgl. vers 15-16). Hoe veranderde dit het gemoed van Eli, toen ze haar hoofd ophief en naar hem keek en die enkele woorden sprak! Die woorden verbonden het hart van Eli aan haar, zodat de vereniging die toen plaatsvond, nooit meer werd verbroken, en tot in alle eeuwigheid nooit verbroken zal worden. Wat was het dat ze tegen hem zei? ‘Acht toch uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials, want ik ben een vrouw bezwaard van geest, en ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht van de HEERE God van Israël.’ Toen Eli hoorde dat dit het geval was, zei hij: ‘De God Israëls zal uw bede geven’ (vers 17). En zo was het ook. De ogen des Heeren waren over haar, en Zijn oren tot haar gebed, en er kwam een gezegend antwoord in de gave van Samuël. ‘De ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed.’

Nu, hoewel ik het heel specifiek gehad heb over alleen verstandelijk gebed, begrijp me niet verkeerd. Ik zeg geen woord tegen een kind van God dat voor het aangezicht des Heeren komt en, zoals de profeet zegt, woorden met zich neemt, zich tot de Heere keert en tot Hem zegt: ‘Neem weg al mijn ongerechtigheid’ (vgl. Hos. 14:3, Eng. vert.). Het is gezegend wanneer God de Heilige Geest in onze ziel uitstort, wanneer wij vrijmoedigheid en verruiming van ziel voor het aangezicht des Heeren hebben, en in staat zijn Hem onze moeiten te vertellen, op Zijn beloften te pleiten en Hem de woorden in herinnering te brengen die Hij gesproken heeft. Soms is dit met ons het geval geweest, dat we zo’n nabijheid bij de Heere gehad hebben en we Hem alles verteld hebben wat we voelden. En terwijl we om barmhartigheid smeekten, heeft de Heilige Geest ons de belofte in gedachten gebracht. Toen hebben we een zoete nabijheid en vertrouwelijkheid met de Heere gevoeld aan de troon der genade, terwijl we naderden door het geloof. Het is een plechtige zaak wanneer we God gevoelig met ons hebben en een vertrouwelijkheid met Hem voelen. Dit betekent het om gemeenschap te hebben met de Vader en met de Heere Jezus Christus, onder de onmiddellijke invloed van de Heilige Geest. Zulke tijden zijn echter zeer zeldzaam. Moge God ons er meer van geven – meer tijden van nabijheid bij Hemzelf en vertrouwelijkheid met onze Heere in gebed en meditatie. Dan zullen we de waarheid van onze tekst ondervinden: ‘De ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed.’

De ogen des Heeren zijn over al Zijn kinderen in al hun moeiten en beproevingen. De arme Jona maakte een fout toen hij in de buik van de vis was, want hij zei toen: ‘Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen’ (Jona 2:4). Maar hij was niet onzichtbaar voor zijn God. David zegt: ‘Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee, ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden’ (Ps. 139:9-10). Men kan niet vluchten van het aangezicht des Heeren, men kan zich niet verbergen voor het alziende oog van God. De Heere zag Jona in de buik van de vis en bewoog het gemoed van de profeet om te zeggen: ‘Ik zal weer zien naar Uw heilige tempel’ (Jona 2:4, Eng. vert.). Er is een weer zien in het gemoed van Gods volk wanneer ze in moeite zijn, en een verlangen naar de Heere in hun hart en genegenheid. Maar Zijn ogen zijn over hen, en Zijn oren zijn tot hun gebeden; en Hij let op hun gebeden wanneer ze in moeite zijn.

Bijvoorbeeld, toen Israël in de Egyptische dienstbaarheid was, was Zijn oog over hen; en toen de tijd der verlossing kwam, verscheen Hij aan Mozes in het braambos en zei: ‘Ik heb gezien de verdrukking van het volk’ (vgl. Ex. 3:7). Hij had hun verdrukking gadegeslagen en hun geschrei gehoord, en nu was Hij neergekomen om hen te verlossen. Hij kwam om hen te verlossen toen ze zich voor de Rode Zee bevonden, met rotsen en bergen aan elke kant en Farao’s leger op hun hielen. Mozes, zo staat er (Ex. 14:15), riep tot de Heere, en toch lezen we er niets over dat hij in zijn roepen gebruik maakte van woorden. Ik geloof dat hij geen woorden gebruikte die zijn vrienden konden horen, maar in zijn hart en ziel riep hij sterk tot de Heere om Zijn macht bekend te maken en hen te verlossen. De ogen des Heeren waren over hen in hun uiterste nood, en Hij beval Mozes de wateren te slaan. Dat deed hij, en de wateren gingen uiteen en baanden een weg voor hen. ‘De zee zag het en vlood’ (Ps. 114:3), en het volk ging over op het droge. Israël was als volk een zinnebeeld, en Gods handelingen met hen laten Zijn handelingen met Zijn geestelijke huisgezin in alle eeuwen zien. ‘Zijn oren zijn tot hun gebed.’

Neem een ander voorbeeld. Toen Elía – genoodzaakt om te vluchten omdat hij de waarheid sprak in de Naam des Heeren – in de woestijn was, vergat de Heere hem niet; en toen hij zonder voedsel was, zond de Heere hem enige hulp en levensonderhoud. Ja, de ogen des Heeren waren op Zijn dienstknecht, en in antwoord op het gebed beschikte de Heere raven om hem te voeden; ze ‘brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek’ (1 Kon. 17:6). Misschien zei de profeet wel: ‘Nu ik dit gezien heb, zal ik nooit meer aan de Heere twijfelen.’ ‘Maar’, zegt de Heere, ‘Ik zal uw geloof en geduld beproeven.’ Spoedig droogde de beek uit en de raven hielden op hem voedsel te brengen. Toen riep hij weer tot de Heere om hulp; de Heere zei: ‘Ga heen naar Zarfath, een stad van Sidon, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden dat zij u onderhoude, want ten slotte bent u de Mijne; Mijn ogen zijn op u’ (vgl. vers 9). De profeet ging naar Zarfath, en toen hij de stad zou binnengaan, ontmoette hij een arme vrouw. Nu, menselijkerwijs zouden we zeggen dat deze vrouw een overvloed aan levensmiddelen in haar voorraadkast gehad moest hebben voor de man. Maar als dit het geval was geweest, zouden de macht, majesteit en heerlijkheid des Heeren daardoor verduisterd zijn.

Wel, als de man de stad nadert, komt de vrouw naar buiten. Vermoeid van het reizen en versmacht van de dorst, zegt Elía: ‘Haal mij een weinig water, dat ik drinke.’ En als ze zich haast om het te halen, roept hij haar na en zegt: ‘Haal mij toch ook een bete broods in uw hand’ (vers 11). De vrouw staat stil, kijkt naar de profeet en zegt: ‘Man, zo waarachtig als uw ziel leeft, ik heb alleen een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de fles. Dat is voor mijn zoon en mij om van te leven, en ik was naar buiten gegaan om een paar houten te lezen en het laatste te bereiden, en dan moeten ik en mijn arme zoon sterven.’ Nee, o nee! Dat was vleselijk geredeneer. De vrouw was tot de Heere aan het roepen geweest, en er was hulp gekomen. Wat! Hulp gekomen met een man die door honger gekweld werd? Ja. De hulp kwam met de profeet, want hij zegt: ‘Ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan. Want zo zegt de HEERE, de God Israëls: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op den dag dat de HEERE regen op den aardbodem geven zal. De HEERE zal zorg dragen voor u en mij; ik weet dit door het geloof en heb vertrouwen op God.’ Geloofd zij Zijn dierbare Naam! Zijn ogen zijn over de rechtvaardigen.

Nog een voorbeeld. Denk aan die uitnemende dienstknecht van de allerhoogste God, die gehaat en vervolgd werd om der gerechtigheid wil, van wie zijn vijanden zeiden: ‘Wij zullen tegen dezen Daniël geen gelegenheid vinden, tenzij dat wij … iets vinden in de wet zijns Gods’ (Dan. 6:6). Laten we hier een moment bij stilstaan. Mag onze handel en wandel in de gemeente van God, in ons gezin en in aardse bezigheden zodanig zijn dat de vijanden van God en de waarheid geen gelegenheid tegen ons zullen vinden, tenzij ze iets vinden in de wet van onze God.

Wel, Daniëls vijanden zweerden juist vanuit dit principe tegen hem samen, en gingen met valse, huichelachtige gezichten naar de koning. Ze vroegen de koning een gebod te maken en te tekenen, zodat het niet veranderd zou worden, dat als iemand in dertig dagen een verzoek doen zou van enige god of mens, behalve van de koning, in de kuil der leeuwen geworpen zou worden. Dit werd tot een wet gemaakt, gemaakt en getekend naar de wet der Meden en Perzen, die niet herroepen mocht worden. Het paste precies bij de hoogmoed en ambitie van de koning. De dag kwam waarin de wet van kracht werd. Daniël wist dat deze wet bedoeld was om hem in de val te laten lopen; maar hield hij op met bidden nu hij in aanwezigheid van gevaar kwam? Nee; we lezen dat hij in zijn opperzaal ging, terwijl zijn venster open was tegen Jeruzalem aan. Daar knielde hij en bad hij iedere morgen, en ‘s middags weer, en ’s avonds weer.

Daniël werd door zijn vijanden ontdekt en voor de koning beschuldigd. De koning, die David liefhad, stelde het hart op hem om hem te verlossen, ja, tot de ondergang der zon toe bemoeide hij zich daarmee, maar hij kon het niet. Dus moest Daniël in de leeuwenkuil geworpen worden. Maar de ogen van zijn God waren op hem, en Zijn oren waren tot zijn geroep; en de Heere zond Zijn engel en sloot de muil van de leeuwen toe. En ongetwijfeld was Daniël veel gelukkiger in de leeuwenkuil dan de koning op zijn vorstelijke bedstede. Vroeg in de morgen, echter, kwam de koning bij de leeuwenkuil en riep: ‘O Daniël, gij knecht des levenden Gods, is uw God in staat om te verlossen? Heeft Hij verlost? Als u kunt, spreek dan en laat mij uw stem horen’ (vgl. Dan. 6:21, Eng. vert.). Daniël hoort de benauwdheid van zijn gemoed uit de klank van zijn stem, en antwoordt: ‘Inderdaad, o koning, mijn God heeft Zijn engel gezonden en de muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben. Zijn ogen zijn op mij en als een vurige muur om mij heen. Ik ben dus een monument van Zijn genade en heb Zijn macht ervaren.’

Maar om ons onderwerp ook vanuit het Nieuwe Testament weer te geven, zullen we één voorbeeld noemen en dan afsluiten. We lezen in de Handelingen der apostelen dat Petrus in de algemene gevangenis geworpen werd (Hand. 5:17 e.v.); en ‘s morgens, toen de cipier de gevangene kwam halen, was hij verdwenen, want de engel des Heeren had de gevangenisdeuren geopend en hem in vrijheid gesteld. En toen de dienaars heengingen en verslag deden van de gebeurtenis, verwonderden ze zich en werden twijfelmoedig, wat toch dit worden zou; ze konden niet zeggen wat het einde van deze dingen zou zijn.

Echter, toen Petrus de tweede keer gegrepen en in de gevangenis gezet werd (Hand. 12:3 e.v.), werd hij in de boeien geslagen en vastgeketend tussen twee soldaten. Ook werden alle deuren, de binnenste en de buitenste, gesloten en vergrendeld en zo veilig gemaakt als maar mogelijk was, zodat hij deze keer niet verlost zou worden. Nu hebben ze hem, denken ze, veilig achter slot en grendel. Toen al deze dingen geregeld waren, kwamen de vrienden van Petrus bijeen op de plaats van samenkomst van de Nazarenen,[3] om te bidden voor Petrus. Welnu, ‘de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed.’ Hun roep was: ‘O Heere, help Uw knecht; Uw arm is niet kort geworden en er is niets te wonderlijk voor de Heere. O Heere, kom af; scheur de hemelen en baan een weg voor Uw knecht om te ontkomen.’ In antwoord op hun smeekbeden, zei de grote Jehovah tegen Zijn engel: ‘Ga mijn knecht Petrus uit gindse gevangenis halen.’

De engel daalt af in de gevangenis, precies op de plaats waar Petrus is. En de engel zegt met plechtige majesteit tegen hem: ‘Sta op en volg mij.’ En hij stond op en verliet zijn metgezellen en volgde hem. Maar terwijl hij verderloopt, denkt Petrus dat alles een droom is. Echter, wanneer hij naar buiten in de stad is gebracht, is het werk van de engel gedaan en stijgt hij op tot de onsterfelijke heerlijkheid. Toen de engel verdwenen was, stond Petrus stil en keek om zich heen. Hij dacht dat hij aan het dromen was geweest, maar het was geen droom. Hij was werkelijk verlost. En terwijl hij over zijn wonderbare verlossing nadacht, herinnerde hij zich waar zijn vrienden moesten zijn, en daar ging hij heen. Een dienstmaagd met de naam Rhode kwam naar de deur en toen ze Petrus’ stem herkende, zei ze: ‘Het is Petrus.’ Maar de anderen zeiden tegen haar: ‘Het is Petrus niet; je raast; hij zit vast in de gevangenis.’ Maar Rhode zei: ‘Het is Petrus wel; zou ik zijn stem niet herkennen?’ Ze deed de deur toch open, en Petrus kwam binnen en vertelde de machtige daden[4] des Heeren, Die Zijn engel gezonden had en Zijn knecht uit de gevangenis verlost had. ‘De ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed.’

Ik moet niet nog langer beslag leggen op uw tijd. Moge God de Almachtige het gesproken woord zegenen, opdat het u goed zal doen. Amen.


 

J.C. Philpot in zijn preken over gebed

J.C. Philpot in een preek over 2 Korinthe 12:9

Indien ik zou kunnen bidden of preken, of indien u zou kunnen horen, als en wanneer het ons belieft, hoe zouden wij dan het onderscheid kunnen vertellen tussen hetgeen de Heere in en voor ons doet, door Zijn Geest en genade, en hetgeen wijzelf doen? Maar door bevindelijk onze eigen zwakheid te leren kennen, wanneer het de Heere behaagt Zijn kracht bekend te maken, dan is de tegenstelling zo groot, dat wij deze kunnen opmerken, schijnende als met een lichtstraal van de hemel, en dan weten wij, wat het zeggen wil, dat Zijn kracht in onze zwakheid wordt volbracht. Soms kunt u niet bidden. U moogt het wenselijk achten te bidden. Maar niet een ademtocht des gebeds roert uw ziel. U bent als een zeeman, die door windstilte is overvallen. Hij verlangt ernaar voort te gaan, en wacht op een bries, maar de bries komt niet, en het schip kan niet in beweging komen. Het kan zijn, dat hij daar dagen of wekenlang is, zonder kracht om zich over de trage oceaan voort te bewegen. Doch eindelijk begint de wind te waaien. Hij zet het zeil bij naar de bries en nu springt het schip voorwaarts over de rollende zee. Kent die man niet het onderscheid tussen niet in staat te zijn zonder wind te zeilen, en met de wind te zeilen, wanneer deze komt?

De mensen noemen ons luie antinomianen, omdat we niet altijd voortgaan. Maar is de zeeman een luie zeeman, omdat hij zonder wind niet kan zeilen? Weerlegt niet juist zijn ongeduld onder de windstilte, de beschuldiging van luiheid? Zodanig is het met ons. Soms zijn wij door windstilte overvallen, zonder een enkele ademtocht des Geestes, die het hart roert. Dan kunnen wij inderdaad niet meer bidden, hoewel wij de woorden mogen gebruiken, dan de zeeman zich zonder wind kan voortbewegen, ofschoon hij het zeil bijzet. Maar wanneer het de Heere behaagt een storm Zijner genade te zenden, dan kunnen wij het zeil bij de wind zetten en met gevierde schoot over de zee zeilen. Zo is het ook met de andere genaden des Geestes.

… Onze zwakheid, zoals deze innerlijk wordt gevoeld, brengt ons altijd tot de troon der genade, als nooddruftige smekelingen, opdat wij dagelijkse vervulling mogen verkrijgen. Het is onze zwakheid en de kracht des Heeren, onze nooddruft en Zijn vervulling, onze beproevingen en Zijn ondersteuning hieronder,die de gemeenschap met de Heere onderhouden. Indien ik dag aan dag zou kunnen bidden, of preken, of schrijven, of geestelijke werken doen in mijn eigen kracht, zonder de Heere, door Zijn kracht in mijn ziel werkende, waarvoor zou ik dan behoefte hebben aan de Heere?


 

J.C. Philpot beantwoordt vragen over het gebed

overgenomen uit Afscheiding en Raadgevingen

  1. Is het gezinsgebed bevolen?

Geachte heer, een lezer met aanhoudende problemen in het gezin, waardoor hij niet aanwezig kan zijn bij het huiselijk gebed, zou blij zijn als u in de Gospel Standard op de volgende vragen wilt antwoorden:

  1. Is er een uitdrukkelijk bevel tot gezinsgebed?
  2. Moeten de heiligen ons op last van de Schrift vermanen als we het gezinsgebed nalaten, ook als onze gedachten daarbij door gezinsproblemen in beslag genomen worden?
  3. Verwijzen de woorden ‘dient den HEERE’ in Jozua 24:14 en ‘die Uw Naam niet aanroepen’ in Jeremia 10:25 naar de huisgodsdienst? G.S.

Antwoord

We kennen geen enkele tekst in het Nieuwe Testament waar een uitdrukkelijk bevel tot het gezinsgebed wordt gegeven. Uit teksten die over het gebed spreken en daartoe oproepen, maken we echter op dat het naar Gods wil is dat Zijn kinderen bidden in hun gezin. (Zie bijv. Ef. 6:18, Filipp. 4:6, Kol. 4:2, 1 Thess. 5:17 en 1 Tim. 2:8.) In deze teksten staat dat we in alle plaatsen, op alle tijden en onder alle omstandigheden mogen bidden. Zo hebben we grond om onze knieën te buigen in onze gezinnen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin we nauwelijks, om niet te zeggen onmogelijk, kunnen bidden. Een godzalige vrouw kan een goddeloze echtgenoot hebben, een drinkende, losbandige stakker, die ’s nachts naar huis waggelt en haar mogelijk uitscheldt of zelfs slaat. Of een man heeft een goddeloze vrouw, zo’n ellendig schepsel als de vrouw waaraan de arme Tanner van Exeter was verbonden. Hoe kan in deze omstandigheden het gezinsgebed gedaan worden? We weten allemaal dat dit bijzondere gevallen zijn, maar hieruit blijkt nog duidelijker dat het gezinsgebed geen plicht is die onder alle omstandigheden volbracht moet worden. Daar staat een zwoegende man, een hard werkende ambachtsman. Hij moet vaak opstaan voordat het licht wordt om naar zijn werk te gaan. Zijn vrouw en kinderen laat hij in bed achter. Hoe kan die man een gezinsgebed doen voordat hij naar de akker of naar de werkplaats gaat? ’s Avonds knielt hij misschien neer met zijn vrouw en kinderen en spreekt enkele woorden tot de Heere voor zichzelf en voor hen. Zelfs dan zal hij echter vaak verhinderd zijn, terwijl hij er weinig aan kan doen.

Wij zijn een voorstander van het huiselijk gebed en bidden zelf in ons gezin. Dat is echter geen reden om het als een last te binden aan de hals van alle gezinshoofden, ongeacht hun omstandigheden. Gods kinderen dienen geen harde meester, die hun een zware last oplegt. Evenmin lijkt hun God op de god van de rooms-katholieken en puseyisten, die op gezette tijden een aantal gebeden van een bepaalde lengte eist. Hij is een Geest en verlangt geestelijke aanbidding en geestelijke aanbidders. Hij heeft geen behagen in huiselijke gebeden of enig ander gebed waartoe we niet door Zijn Geest zijn opgewekt. Een man kan met gepaste regelmatigheid een huiselijk gebed doen, terwijl zijn gebeden een gruwel zijn in de ogen des Heeren. Een ander kan door onvermijdelijke omstandigheden verhinderd worden om zijn knieën te buigen met zijn gezin en toch een geliefd kind van God zijn. De gebeden die hij in het verborgen niet mét, maar vóór zijn gezin opzendt, zijn aangenaam in Gods oog.

Kan iemand, ondanks zijn verlangen en pogingen, niet aanwezig zijn bij het gezinsgebed vanwege persoonlijke omstandigheden of gezinsproblemen? Zoekt hij geen verontschuldigingen, maar is hij echt verhinderd? Voelt hij die verhindering als een last waarvan hij graag bevrijd zou worden? Blijft hij verhinderd, hoewel hij veel gebeden en smeekbeden tot de Heere opgezonden heeft? Dan zien we niet in waarom hij door de heiligen vermaand moet worden. Wie bekend is met de beproevingen en lasten van de weg, en vooral met de gezinsproblemen waarop de briefschrijver zinspeelt, zal hem zeker niet bestraffen.

We kunnen de bedreigingen of de beloften van het Oude Testament niet in alle gevallen toepassen op nieuwtestamentische omstandigheden. Neem bijvoorbeeld de verklaring van Jozua (24:15) die door de briefschrijver wordt aangehaald. Welke nieuwtestamentische gelovige kan uitdrukkelijk verklaren dat hij en zijn huis de Heere zullen dienen? Als hij, zoals veel christelijke ouders, goddeloze kinderen heeft, kan hij dan voor hen beloven dat zij de Heere zullen dienen zoals hij wenst te doen? Misschien kan hij zijn volwassen zoons en dochters of zijn kleinere kinderen zover krijgen dat ze met hem neerknielen. Maar kan hij ervoor zorgen dat ze God dienen in nieuwigheid des Geestes en niet in de oudheid der letter? Zal de vrucht van het gezinsgebed zijn dat de dochters minder om kleding geven en de zoons verschillende lusten en genoegens niet najagen? Als het gezinsgebed het hele gezin ertoe zou bewegen om de Heere te dienen, zou dat inderdaad een grote zegen zijn, maar we weten dat alleen Gods genade dat kan werken. Als we aan het gezinsgebed de plaats van de genade toekennen, stoten we de Heere van de troon en richten we een afgodsbeeld op. Veel arme, blinde schepselen die niets weten van het geestelijk gebed of van antwoorden op het gebed, bouwen bijna de hoop van de zaligheid op hun gezinsgebeden, Bijbellezen of het aanwezig zijn in de kerk of kapel, enzovoorts. We geloven evenmin dat de aanklacht in Jeremia 10:25 vooral of geheel betrekking heeft op het gezinsgebed. De ‘gezinnen’ (Eng. vert.) waarover in deze tekst gesproken wordt, zijn niet zozeer huisgezinnen, maar volken en stammen, wat het grondwoord gewoonlijk ook betekent.

Ik wil hieraan nog een enkel woord toevoegen over het gezinsgebed, omdat dit onderwerp nu onze aandacht vraagt. Het is een grote vergissing als we het gezinsgebed tot een last maken voor het gezin door heel lang door te gaan. Sommige mensen lezen een heel hoofdstuk van misschien wel dertig of veertig verzen en bidden daarna een kwartier lang, totdat de arme kinderen en bedienden, als die er zijn, een afkeer van de hele huisgodsdienst gekregen hebben. Beperk u tot een half dozijn verzen of een korte psalm. Lees langzaam en met gevoel. Doe daarna een kort gebed, helder en duidelijk. Verwoord het verlangen van de ziel naar de zegen van de Heere in Zijn voorzienigheid en genade. Belijd uw zonden en onwaardigheid en leg alle noden van lichaam en ziel in Zijn heilige handen. Wat is er nog meer nodig als we onze knieën buigen met onze vrouw en kinderen, zoals eens de discipelen aan de zeekust te Tyrus (Hand. 21:5)?

 

  1. Hoe weten we dat het gebed verhoord is?

Geachte heer, omdat ik ervan overtuigd ben dat u graag Gods zwakke kinderen vertroost en de Heere u daartoe bekwaam maakt, durf ik u te vragen of u in uw blad een paar opmerkingen wilt maken over het gebed. Niet over de aard van het gebed, maar over de vraag wat we mogen zien als tekenen dat het gebed verhoord is, omdat die vraag mij de afgelopen dagen zeer in verwarring heeft gebracht.

De situatie is als volgt. Onlangs sprak ik met een geliefde broeder over iets wat ik God had gevraagd en wat ook was gebeurd. Ik zei dat ik dit als een verhoring van mijn gebed beschouwde, maar deze broeder antwoordde: ‘Dat kan zo gebeuren en toch geen gebedsverhoring zijn.’ Nadat ik me ter ruste had begeven, riep ik uit: ‘Heere, hoe kunnen we weten dat U het gebed hoort en verhoort?’ Ik ervoer grote benauwdheid in mijn ziel. In mijn ene oor leek iemand te fluisteren: ‘Dat kan zo gebeuren en toch geen gebedsverhoring zijn.’ En in mijn andere oor: ‘Wat helpt het als je bidt? Het heeft geen zin, je krijgt toch geen antwoord op je gebed.’ In grote zielsbenauwdheid riep ik: ‘De leeuw brult en dreigt me te verscheuren, maar, Heere, ik zie op U.’

Ik ben ertoe gebracht, hoop ik, om datgene wat anderen onbeduidende zaken noemen, tot een gebedszaak te maken. We worden immers opgeroepen om Hem in al onze wegen te kennen. Ik meende dat ik enkele kennelijke gebedsverhoringen gekregen had en heb dankbaar gezegd: ‘O Heere, U bent een God Die het gebed hoort en verhoort!’ Ik geloof dat de psalmdichter zegt: ‘Ik weet dat Gij mij hoort’, maar hoe kunnen wij dat weten?

Als u mijn vraag geen aandacht waard keurt, hoop ik dat u deze met de mantel der liefde zult bedekken. Als de Heere Zijn aangezicht verbergt en de vijand toelaat om de ziel te benauwen, schijnt voor ons immers duister, beangstigd en verborgen te zijn wat op andere ogenblikken helder en begrijpelijk is. Zoals een van de apostelen heeft gezegd: ‘Zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2 Kor. 2:11). Moge de Heere uw arbeid zegenen. S.S.

Antwoord

Het gebeurt vaak dat we gekrenkt worden in het huis van onze vrienden. Soms hebben we dat eigenlijk verdiend, omdat we teveel op de mensen en te weinig op de Heere zien. Dit lijkt de briefschrijver ook ondervonden te hebben. Hij vroeg niet de Heere, maar een broeder om raad. Zo gaf hij deze broeder gelegenheid hem op een heel teer punt te raken.

Het is moeilijk om een oordeel te vormen over een eenzijdige uiteenzetting van de situatie. Er zouden omstandigheden kunnen zijn die de geliefde briefschrijver niet heeft vermeld en die het antwoord van de ‘geliefde broeder’ minder verwerpelijk maken dan het nu schijnt te zijn. Zoals het ons nu voorkomt, is het niets minder dan puur ongeloof. Het laat niets heel van elk antwoord dat God op het gebed heeft gegeven, in of buiten de Schrift.

Er zijn slechts twee manieren waarop we kunnen weten dat God onze gebeden hoort. Ten eerste door een gevoel in ons hart, een besef dat we toegang tot God hebben, dat ons gebed is gekomen tot in de oren van de Heere Zebaoth. Hoewel ons gebed niet op dat moment verhoord wordt, en maanden of jaren kunnen verstrijken voordat we antwoord krijgen, is er een inwendig getuigenis en een zoete verzekering dat het gebed in de hemel is gehoord. Zo was het vertrouwen van Hanna. Toen zij de tabernakel te Silo verliet, was ze zo zeker dat haar gebed verhoord was alsof ze het kind Samuël al in haar armen hield. Ten tweede weten we dat onze gebeden verhoord zijn als we duidelijke antwoorden ontvangen. Als dat geen bewijs is van de verhoring van ons gebed, wat dan wel?

We beschouwen het antwoord dat ‘de geliefde vriend’ aan de briefschrijver gegeven heeft, als niets minder dan een woord voor de satan. Het zet de deur open voor ongeloof, wantrouwen en wanhoop. S.S., blijf uw weg aan de Heere toevertrouwen. Ken Hem in al uw wegen. Loof Hem voor elk kennelijk antwoord op het gebed. Hoe hoog u een ‘geliefde broeder’ ook acht, stel hem niet in de plaats van God en laat u door hem niets ontnemen wat de Heere voor uw ziel heeft gedaan.

 

  1. Wie kan en mag een openbaar gebed doen in de gemeente?

Mijnheer, denkt u niet dat het ongerijmd is om mensen te vragen een gebed te doen, terwijl ze andere opvattingen hebben dan de gemeente, niet regelmatig een bedehuis bezoeken en de meerderheid van de leden weinig of niets van hen weet? Ik zal u een voorbeeld geven. De stadsevangelist werd, de eerste keer dat ik zijn aanwezigheid opmerkte, gevraagd een gebed te doen, hoewel hij al geruime tijd in de stad was. Ik zou u niet lastig hebben gevallen als dit het enige voorbeeld van deze aard was geweest, en als niet anderen met mij graag uw mening over dit onderwerp zouden horen. Een vraagsteller.

Antwoord

We denken dat het haaks staat op een geloof in en een belijdenis van de leer van onderscheidende genade en de bevinding van de levende godzaligheid, om iemand te verzoeken een openbaar gebed te doen terwijl we geen gegronde hoop, zo niet een vast vertrouwen, hebben dat hij deelgenoot is van geestelijk leven. Laten we de zaak bezien bij het licht van de Schrift en nagaan wat we hem vragen te doen. Het is niet met de bedoeling een gat in de eredienst op te vullen, een bezoeker te complimenteren, zijn trots of onze nieuwsgierigheid te bevredigen dat we hem vragen om te spreken voor de Majesteit des hemels. Dan brengen we slechts het offer van dwazen. We voeden de trots en ijdelheid van menig arm, ellendig schepsel dat van plaats naar plaats trekt om zijn eigen welluidende stem te horen. Ik wilde wel dat zij die in het openbaar bidden en ook anderen verzoeken om dat te doen, de ernstige waarschuwing van Gods Woord in gedachten zouden houden: ‘Bewaar uw voet als gij ten huize Gods ingaat, en zijt liever nabij om te horen, dan om der zotten slachtoffer te geven; want zij weten niet dat zij kwaad doen. Wees niet te snel met uw mond en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel en gij zijt op de aarde; daarom, laat uw woorden weinig zijn’ (Pred. 4:17; 5:1).

Maar wat vragen we hem eigenlijk als we hem verzoeken een gebed te doen? Is het niet om voor de Heere de begeerten en de zuchten van Gods volk uit te spreken? Om zijn en hun zonden te belijden? Om zijn en hun hoop te vertolken? Om zijn en hun Heere te aanbidden en te verheerlijken? En om, als de Geest zijn zwakheden te hulp komt, zijn hart zo ernstig, vurig, eenvoudig en kinderlijk uit te storten dat allen die God vrezen, hartelijk met zijn gebeden en smekingen zullen instemmen?

Het is echter, op z’n zachtst gezegd, beslist zeer ongerijmd om dit te vragen aan een stadsevangelist, een vreemdeling van de plaats en het volk, mogelijk weggezonken in de drek van de vrije wil, die door zijn afwezigheid bij hun vergaderingen laat blijken dat hij de waarheid en haar belijders niet liefheeft.

Maar dit is een opvallend kenmerk van onze tijd. Het kruis van de afscheiding van allen behalve Gods zichtbare volk is voor veel gemeenten en personen te zwaar. Dan ontluikt de valse liefde, die het beste hoopt en spreekt van deze en die belijder. De omheiningen van Gods hof worden afgebroken en alles wordt aan de wildernis prijsgegeven.

Het is moeilijk om regels te geven, want de omstandigheden kunnen van plaats tot plaats sterk verschillen. Waar echter drie of vier mannelijke leden zijn die voldoende gebedsgaven hebben om de gemeente te stichten, is het naar onze mening het beste als alleen zij de Heere in het openbaar aanroepen. Zij zijn, of behoren dit tenminste te zijn, personen in wie het meeste vertrouwen gesteld kan worden als deelgenoten van genade. Zij bevinden zich onder de kerkelijke tucht; de anderen niet. Zij tonen een kennelijke betrokkenheid bij de ordinanties van Gods huis. Zij hebben een bijzonder helder en eerlijk getuigenis afgelegd. Zij behoren tot de bijeenkomst; zij zijn verenigd in de band van lidmaatschap en er wordt van hen verwacht dat ze hun plaats innemen bij de gebedssamenkomsten, enzovoorts. Dat is de reden waarom het openbare gebed het beste aan manslidmaten voorbehouden kan blijven en alleen hun stem in de bijeenkomst gehoord moet worden.

Op alle regels is echter een uitzondering mogelijk. Misschien zijn er gemeenten waar nauwelijks leden zijn die in het openbaar een gebed kunnen doen, terwijl er in de bijeenkomst wel geoefende mannen van goede getuigenis zijn die de genade en de gave van het gebed hebben. Waarom zouden we niet soms een beroep op hen doen? Of mogelijk telt de gemeente slechts een of twee leden die een openbaar gebed doen. Zij zijn zo zwak en broos door ouderdom en gebrek dat hun gebeden nauwelijks te verstaan zijn. Waarom zouden zij een voorrecht voor zichzelf houden dat ze nauwelijks kunnen gebruiken, en dat misgunnen aan anderen die de mensen echt kunnen stichten, enkel omdat ze niet tot de gemeente behoren? Voor zulke gevallen is wijsheid en verstand nodig. Strikte regels kunnen geen uitsluitsel geven. Vreemdelingen van de gemeente en van levende godzaligheid vragen een gebed te doen, is echter heel iets anders.

 


J.C. Philpot’s gemeentegebed

vertaald door Stichting het Braambos

Gemeentegebed 1 van J.C. Philpot

O Gij zeer genadige en zeer gezegende God en Vader van de Heere Jezus Christus, o, dat Gij wilt lichten over ons duistere en door de nacht bevangen gemoed, dat Gij het licht van Uw aangezicht over ons wildet verheffen en Uw Heilige Geest in onze harten uitzenden, om in ons een Gids, Leraar en Leider in alle waarheid te zijn. Want, Heere, er ligt van nature een deksel van onwetendheid over ons gemoed gespreid, die de eeuwige dingen uit ons gezicht verbergt. Ook kunnen wij niet zien of geloven totdat Gij dat deksel wegneemt. Gij hebt in Uw heilig Woord belooft dat wanneer Israël tot de Heere bekeerd is, dat deksel weggenomen wordt. Schenk dat wij ons mogen bekeren en Uw aangezicht zoeken, opdat het U welbehaaglijk mag zijn om die belofte te vervullen en wij in Uw eigen zeer gezegend licht het licht mogen zien.

Leer ons niet enkel onze behoefte aan een Zaligmaker zoals Jezus, niet enkel onze diep verloren en totaal geruïneerde staat zonder Hem als Zaligmaker, maar toon ons ook het wonderlijke heilsplan dat in Jezus geopenbaard is. Mag de Heilige Geest die zeer gezegende Verlosser in onze harten openbaren, Zijn bloed op ons geweten sprengen en Zijn gerechtigheid nabij brengen en ons aantrekken. Mag Hij het ons geven om te vertrouwen op Zijn stervende liefde, ons in staat stellen om te wandelen in Zijn zeer gezegende voetstappen, ons aan Zijn beeld gelijkvormig maken en ons voor Zijn aangezicht doen wandelen zoals het de heiligen betaamt.

Heere, genees iedere afkering en afwijking van God en de godzaligheid, onze zonden van nalatigheid en bedrijf. Werp alles achter Uw rug wat wij gedacht, gezegd of gedaan hebben dat hatelijk is in Uw reine ogen, en laat het verzinken in de diepten van de zee, opdat wanneer het gezocht wordt, het niet meer gevonden zal worden.

Mogen wij vanavond een besef van Uw vergevende liefde ervaren en mag er zoet bezoek van Uw barmhartigheid en genade tot onze ziel komen. Mag twijfel en vrees, duisternis en alles wat in strijd is met de Heilige Geest, uit ons gemoed wegvluchten en mag de Zon der gerechtigheid over ons hart lichten met genezing onder Zijn vleugelen.

Nu wij in Uw vriendelijke voorzienigheid opnieuw in dit gebedshuis vergaderd zijn, zegen ons hier. Wij danken U voor de gelegenheid om Uw lof te zingen en datgene te horen waarvan wij hopen dat het tot nut voor onze ziel gemaakt zal worden, voor de gelegenheid om een kort poosje uit deze wereld en van onze bezigheden weg te komen, om Uw waarheid te horen en Uw aangezicht te zoeken, en te gevoelen dat wij hier een klein heiligdom hebben, waarin Gij geëerd en aanbeden moogt worden. Mag het bij ons blijven als een levend getuigenis, opdat die kracht, dat leven en dat gevoel meegedeeld mag worden dat ons ervan zal overtuigen dat het de waarheid Gods is, en opdat niets ons zo dierbaar zal zijn als Gods waarheid, terwijl wij de verwerkelijking van die zeer gezegende belofte in onze ziel gevoelen: ‘Gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken’ (Joh. 8:32).

Leer Gij Uw arme, onwaardige knecht. Stel hem in staat om het Evangelie te prediken door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is, vanuit een gelovig en bevindelijk hart met leven en gevoel in zijn eigen ziel. Mag er kracht gepaard gaan met het Woord, kracht om te verwonden en kracht om te genezen, kracht om te vernederen en kracht om te verhogen, kracht om te doden en kracht om levend te maken. Mag de kracht van God tegenwoordig zijn om te zegenen, opdat zij die weten wat kracht is, er de gezegende ondervinding van mogen hebben, en zij die het niet weten, haar voor de eerste maal mogen voelen. De Heere zegene het Woord. Groot is het gezelschap van toehoorders. Mag het Uw heilige en gezegende wil zijn om arbeiders te verwekken en ze uit te zenden in de oogst. Zegen de trouwe en eerlijke mannen die Gij uitgestoten hebt. De Heere zegene hen in hun eigen ziel en mogen zij niet tevergeefs in Woord en leer arbeiden. Mogen zij rein zaad zaaien, mag het opgroeien in menig verslagen hart en mogen onze ogen verblijd worden doordat ze Uw waarheid hier zien bloeien.

Wij kunnen niet anders dan U danken dat Gij het in het hart van Uw knecht gelegd hebt om dit gebedshuis te bouwen en te onderhouden, en wij hopen en vertrouwen dat het door de Heere geheiligd is en dat het de geboorteplaats van vele zielen is geweest en een licht voor degenen die in een duistere plaats gezeten zijn. Mag het zijn als een licht voor hun pad en als een fakkel die brandt, en een gezegende straal doen schijnen in de harten van Uw huisgezin. Mag het hun pad verlichten midden in de week en voor hen een fakkel zijn die brandt, zodat zij een brandende lamp in hun ziel mogen hebben en er in deze stad mensen zijn die Uw waarheid ontvangen. God verheerlijke Zichzelf in het toepassen van Zijn Woord aan vele harten.

Zegen Gods lieve heiligen, vertroost hen die in moeite en verdriet zijn, vooral de arme zuster die op een bed van wegkwijning (Ps. 41:4, Eng. Vert) en pijn ligt, bijna binnen het bereik van mijn stem. Mag Hij haar troosten en, als het Zijn heilige wil is, een gunstige wending geven in kwaal. Heilig de verdrukking aan haar ziel en doe het medewerken haar ten goede en tot Uw eer.

Troost hen die lijden onder verlies in de familie. Gij hebt Uzelf betoond als de vriendelijke God der voorzienigheid in duizenden gevallen. Openbaar Uzelf als de God van alle genade en wis de tranen van de ogen van de weduwe en de rouwenden.

De Heere zegene deze plaats en het volk dat binnen deze muren aanbidt. Mag de Heere de koorden lang maken en de pinnen vast insteken (Jes. 54:2).

Mag de Heere ons zegenen, ja, ons, met alle nodige barmhartigheid. Wij begeren dit te vragen in alle onderwerping aan Uw heilige wil, om Christus’ wil. Amen.

 

Gemeentegebed 2 van J.C. Philpot

O Gij zeer gezegende, zeer barmhartige, ontfermende en getrouwe, eeuwige en eeuwig levende God en Vader van de Heere Jezus Christus, wij danken, prijzen, zegenen en aanbidden Uw grote en heerlijke en allerheiligste Naam, dat Gij Hem uit de doden opgewekt en Hem gezet hebt tot Uw rechterhand in de hemel, en alle dingen onder Zijn voeten onderworpen hebt.

Wij loven U als Uw genade ons enigermate onderworpen en ons bevindelijk onder Zijn voeten gebracht heeft. We zouden ten aanzien van onszelf willen dat onze twijfel, vrees, mistrouwen, hoogmoed en begeerlijkheid meer en meer onder Zijn voeten gebracht worden, met al onze vuilheid en dwaasheid, en alle opstandelingen in hun schuilhoeken. O, dat Jezus Zijn zegevierende voeten op de hals van alles zal zetten en ze alle zal onderwerpen! Dat Hij voor Zichzelf grote heerlijkheid en grote lof en aanbidding zal verkrijgen door in ons hart te komen als onze triomferende God en Koning en Heere der heren, als de Eigenaar van ons hart. Dat Hij ons zo gewillig zal maken in de dag van Zijn heirkracht en elke opstandige gedachte zal onderwerpen, die tegen Zijn genade en heerlijkheid ingaat.

Maar hoe ijdel is ons boze hart en hoe vleselijk ons gemoed, hoe vuil zijn onze hartstochten en hoe ijdel onze gedachten. Hoe onbekwaam zijn wij om deze dingen te onderwerpen en af te schudden, om Jezus aan te hangen en in Zijn Naam te geloven, en Hem vurig lief te hebben met een rein hart! Gij grote God, hoe groot en heerlijk zijt Gij, verhoogd boven de mensen, wat een gezegende zaligheid is er in U, wat een volheid van genade en heerlijkheid. En dat alles voor arme, nooddruftige, naakte, schuldige, vuile, zichzelf veroordelende en zichzelf verfoeiende ongelukkigen hierbeneden. Zij hebben nooit een goede gedachte, goed woord of goede daad gedacht, gezegd of gedaan, waarmee de zonde niet vermengd is en die daardoor niet onrein is.

Maar o, het werk van de Zoon van God (hoe welbehaaglijk is dat gezicht voor de Vader!) in Zijn verzoenende bloed, Zijn stervende liefde, Zijn zachtmoedigheid en nederigheid, gevoelens, smarten en lijden, Zijn leven en dood, Zijn offerande aan het kruis van Golgotha! O, wat een genoegdoening, wat een heilige verdienste, wat een sterkte, kracht en wijsheid, goedheid en barmhartigheid en zaligheid blinken alle uit in de reine mensheid van de Heere Jezus Christus in vereniging met Zijn heerlijke Persoon.

Raak ons hart aan, open onze ogen en breng de werkelijkheid van deze dierbare dingen in onze ziel, opdat wij ze geloven, ons erin verblijden en wandelen in het licht en leven ervan. Opdat wij deze arme, ellendige, gevallen wereld, het zien- en zinlijke vergeten, dat door ons uiterst ellendige hart hooggeacht wordt en de hoofdkwartieren van iedere lust, die de helse vijanden, zonden, verbijsteringen en schuld zijn van de ziel die ze onthaalt. O gezegende Jezus, breng deze vijanden onder onze voeten en openbaar Uzelf als sterker dan al onze lusten, twijfels en vrezen, alles wat we zijn als arme zonen en dochters van gevallen Adam. Openbaar Uzelf aan ons in de hoogten en diepten van Uw stervende liefde, en in wat Gij zijt in degenen en voor degenen die in Uw Naam geloven en U in hun hart ontvangen als de Christus Gods Zelf.

Wij hebben Uw dierbare onderwijzingen nodig, wij hebben Uw zoete zalving en Uw gezegende inwendige versterkingen nodig, opdat wij de waarheid kennen en tot vreugde van onze ziel ondervinden dat de waarheid vrijmaakt en Christus aan ons openbaart. Mag de Heilige Geest het uit de dingen van Jezus nemen en ze ons verkondigen, en in ons de Hoop der heerlijkheid gestalte geven. Vergeef onze zonden, o Heere, en genees onze afkeringen en al onze grote zonden van nalatigheid en bedrijf, onze afdwalingen van God en de godzaligheid, de duisternis van ons verstand, ons ongeloof en onze ontrouw, en brutale goddeloosheid en ellendige vuilheid en dwaasheid van het bedenken van ons vlees dat altijd weer opwelt.

Zegen een arme, zwakke en waardeloze worm die gekomen is om nu tot Uw volk te spreken, verzegel zijn getuigenis en mag het kostbare vrucht dragen. Hij kan niet spreken tenzij het U behaagt hem te leren hoe hij moet spreken. Geef wijsheid aan de spreker en geloof aan de toehoorder en mogen beiden Uw Naam loven om Uw goedheid en liefde.

Zegen de lieve heiligen van God. De oogst is groot en de arbeiders zijn weinige; verwek arbeiders en zend ze in de oogst. Zegen de weinige eerlijke mannen die Gij uitgestoten hebt. Zegen hun getuigenis aan de harten van Uw volk en doe blijken dat hun arbeid niet ijdel is in de Heere. Zegen de lieve heiligen die onder de verbergingen van Uw aangezicht verkeren, in duistere hoeken van de aarde, in hete smeltkroezen, onder de vloek van de wet. De Heere zie op hen neer en vertrooste hen, en verplettere de satan haast onder hun voeten. De Heere zij met hen die heengaan [van deze aarde], trooste de stervende heiligen in hun stervende ogenblikken en late hun zien dat Jezus gereed is om hun zielen te ontvangen.

Zegen de koningin, zegen het land, zegen hen die Uw Naam vrezen, de kleinen met de groten. Zegen de waarheid die in deze plaats gepredikt wordt, laat ze uitgaan en tot een zegen gesteld worden voor velen die het gepredikte Woord lezen.

De Heere aanvaarde onze dank, besture onze voeten en schenke iedere nodige genade. Wij verlangen dit te vragen in alle onderwerping aan Uw heilige wil, om Christus’ wil.

Amen.