Actualiteit

Strict Baptists halen in hun preken en verhandelingen actuele thema’s aan. Op deze pagina leest u wat bekende Strict Baptists erover schreven of preekten. Diverse actualiteiten komen uit het boek: Afscheiding en Raadgevingen waarin J.C. Philpot antwoord geeft op allerlei vragen die ook in deze tijd actueel zijn. Van harte dit boek aanbevolen, verkrijgbaar bij de stichting.


 

JCP: Hoezeer pijnlijk en beklagenswaardig een situatie ook is,  in Goddelijke zaken mogen we ons niet laten sturen en leiden door natuurlijke gevoelens, maar moet het onfeilbare Woord van God onze gids zijn.

 


INHOUD

Thema Bijbelherziening

  • J.C. Philpot beantwoordt een vraag over Bijbelherziening

Thema Echtscheiding en Hertrouwen

  • J.C. Philpot beantwoordt vragen over Echtscheiding en hertrouwen

Thema Occultisme

  • J.C. Philpot beantwoordt een vraag over Occultisme

Thema Opvoeding en Jeugd

  • W. Gadsby in zijn preken over de jeugd
  • T. Godwin over opvoeding
  • J.C. Philpot over opvoeding en zondagsschool

Thema Vakantie

  • W. Gadsby deelt zijn persoonlijke ervaring

Thema Vrouwenstemrecht

  • J.C. Philpot beantwoordt een vraag over het Vrouwenstemrecht

 


 

Thema Bijbelherziening

  • J.C. Philpot beantwoordt een vraag over Bijbelherziening

overgenomen uit Afscheiding en Raadgevingen

  1. Wat is de betekenis van cursieve woorden in de Bijbel, en, is het goed om de Bijbelvertaling te herzien?

Geachte heer, wat is de betekenis van cursief gedrukte woorden in de Bijbel? Ik begrijp dat ze door de vertalers zijn toegevoegd. Kunnen ze dan beschouwd worden als een deel van Gods geïnspireerde getuigenis?

Hoogachtend, R.G.

Geachte heer, sinds er gesproken is over een nieuwe Bijbelvertaling, is er veel over dit onderwerp geschreven. Bijna elke krant besteedt er aandacht aan. Sommige mensen dringen met klem aan op een nieuwe vertaling. Ik zou graag uw opvatting over dit onderwerp horen, in de wetenschap dat u een betere opleiding hebt gehad dan de meeste mensen en de Bijbel in verschillende talen hebt gelezen. Hierover wordt in het koninkrijk gesproken. Ik denk ook dat het veel kwaad kan doen. Daarom voel ik mij gedrongen om u te schrijven. Als u van mening bent dat dit geen geschikt onderwerp is voor de Gospel Standard, zou ik geen moment wensen dat u er aandacht aan besteedt. Bent u echter een andere mening toegedaan, dan zou ik dankbaar zijn als ik daarover enkele woorden van uw hand mocht lezen.
U toegenegen, om des Evangelies wil, een waarnemer.

Antwoord

De bedoeling van de cursieve tekst of de schuingedrukte woorden in onze Bijbelvertaling wordt vaak verkeerd begrepen. De toevoeging van deze woorden door onze vertalers is niet willekeurig of laakbaar, maar was in de meeste gevallen absoluut noodzakelijk. We hoeven het merendeel van onze lezers er nauwelijks aan te herinneren dat de vertalers hiermee duidelijk wilden maken dat in de oorspronkelijke tekst bepaalde woorden zijn weggelaten, die in onze taal toegevoegd moeten worden. Mogelijk vraagt iemand echter: ‘Waarom zijn deze woorden in de oorspronkelijke tekst weggelaten? Is het juist dat ze zo worden toegevoegd? Is het gevaar niet heel groot dat daardoor aan Gods heilig getuigenis woorden worden toegevoegd die niet geïnspireerd zijn, en dat deze toevoeging dus ongeoorloofd is?’ Voor een goed begrip van deze kwestie moeten we nagaan wat voor woorden zijn weggelaten, en of ze toegevoegd moeten worden, of tenminste mogen worden, zonder zulke gevaarlijke en terecht gevreesde gevolgen.

Gesproken taal is ouder dan geschreven taal. Ook haast de geest zich doorgaans om verlangens en emoties onder woorden te brengen. Als gevolg daarvan worden in de praktijk en met algemene instemming vaak bepaalde woorden weggelaten die, indien nodig, gemakkelijk toegevoegd kunnen worden. In alle talen zijn veel voorbeelden te vinden van deze veel voorkomende praktijk. In onze eigen taal worden bijvoorbeeld vaak de betrekkelijke voornaamwoorden ‘who’ en ‘which’ (wie en wat) weggelaten. Bijvoorbeeld in de volgende zin: ‘This is not the man (whom) I saw yesterday.’ Het betrekkelijk voornaamwoord ‘whom’ is daar weggelaten, wat taalkundigen een ellips noemen. Als deze zin in het Grieks, Latijn of Frans vertaald zou moeten worden (we noemen hier niet het Hebreeuws, omdat daar dezelfde ellips gebruikelijk is), zou het betrekkelijk voornaamwoord ‘whom’ niet weggelaten kunnen worden, omdat dit in strijd is met de grammaticale regels van die talen. Wij voelen niet, en merken misschien nauwelijks dat het betrekkelijk voornaamwoord ontbreekt, omdat we er zo aan gewend zijn. In de meeste andere talen zou deze zin dan echter ongrammaticaal zijn. In gewone vertalingen zou geen notie genomen worden van deze gangbare Engelse ellips. Als een vertaling echter bijzonder nauwgezet moet zijn, kan de vertaler het betrekkelijk voornaamwoord cursiveren, om te laten zien dat het in de oorspronkelijke zin ontbreekt.

Dit is de hele geschiedenis en de verborgenheid van deze schuingedrukte woorden in de Bijbel, waardoor sommige mensen in verwarring gebracht worden. Zij leggen de vinger bij woorden die in de oorspronkelijke tekst zijn weggelaten, terwijl dat in onze eigen taal onmogelijk is, omdat er op dit punt verschil is tussen de twee talen. Als deze schuingedrukte woorden kennelijk noodzakelijk zijn om de zin te begrijpen, hebben we niet de vrijheid ze te schrappen. Zo zouden talloze Schriftgedeelten volkomen betekenisloos worden. Laten we een of twee voorbeelden noemen. Lees Johannes 11:1 zonder de schuingedrukte woorden: ‘En er was een zeker man krank, genaamd Lázarus.’ De woorden ‘man’ en ‘genaamd’ zijn cursief toegevoegd. Het Grieks kent een mannelijk bijvoeglijk naamwoord, het Engels niet. Daarom kan in de Griekse taal het woord ‘man’ weggelaten worden. Het woord ‘genaamd’ is niet absoluut noodzakelijk, maar is toegevoegd om de tekst te verduidelijken. Zie ook vers 39: ‘Want hij is al vier dagen gestorven’ (Eng. vert). Het woord ‘gestorven’ staat niet in de grondtaal, maar wordt wel bedoeld. Daarom kon het in onze vertaling niet weggelaten worden. Natuurlijk is een gedegen kennis van de taal vereist om in alle gevallen het juiste woord toe te voegen. In het Oude Testament kan er ruimte zijn om te onderzoeken in hoeverre de toegevoegde woorden correct zijn (in het Hebreeuws worden namelijk veel meer woorden weggelaten dan in het Grieks).

We lazen gisteren een zeer goede preek, waarin bezwaar gemaakt werd tegen de cursieve tekst in 1 Korinthe 15:45. De predikant betoogde dat hier gelezen moet worden ‘de laatste Adam een levendmakende Geest’. Als de goede man enige kennis had gehad van de oorspronkelijke tekst, zou hij ingezien hebben dat de regels van de taal vereisen dat de woorden ‘is geworden tot’ toegevoegd worden. Als hij de tekst goed begrepen had, zou hij gemerkt hebben dat de huidige vertaling theologisch zuiver en grammaticaal juist is. De laatste Adam is immers tot een levendmakende Geest geworden, toen Hij door God tot een Hoofd over Zijn gemeente is aangesteld.

Eigenlijk kunnen we na veelvuldig, nauwgezet onderzoek van de Schriften, en vooral van het Nieuwe Testament, nauwelijks een voorbeeld vinden waar de schuingedrukte woorden weggelaten kunnen worden zonder de zeggingskracht en de schoonheid van de vertaling aan te tasten. We kunnen niet anders dan bewondering voelen voor de grote trouw van de vertalers, omdat ze zo nauwgezet hebben vastgehouden aan de woorden van de Heilige Geest en omdat ze, waar het noodzakelijk bleek om weggelaten woorden toe te voegen, dit met schuingedrukte letters hebben aangegeven. Zo hebben ze zichzelf verbonden om het Woord nauwgezet in de oorspronkelijke zuiverheid over te zetten. Omdat ze een grondige kennis hadden van de grondtalen en een uitstekende beheersing van hun eigen taal, waren ze in staat een vertaling te maken die onze bewondering wekt omdat ze volledig betrouwbaar is, maar ook welluidend, verheven en schoon.

We hebben beide vragen in één keer beantwoord, omdat we zo niet alleen de gelegenheid hadden om de bedoeling te verklaren van schuingedrukte woorden in de Bijbel, maar ook om onze mening te geven over een kwestie die de laatste tijd veel beroering heeft veroorzaakt, namelijk of het wenselijk is om een nieuwe of herziene vertaling te maken van de Schrift. We erkennen volmondig dat onze vertaling hier en daar passages bevat die voor verbetering vatbaar zijn. Zo kan in 1 Korinthe 13 ‘charity’ overal vervangen worden door ‘love’. We keuren echter iedere wijziging af, omdat het kleinste sprankje goed een stroom van kwaad over ons zou brengen. We hebben hier de volgende redenen voor:

  1. Wie zouden dat op zich nemen? Aan wie zou de herziening toevertrouwd worden? Wat een gelegenheid voor de vijanden van de waarheid om ons een verminkte, onbetrouwbare Bijbel te geven! Natuurlijk moet dit werk verricht worden door ontwikkelde mannen, grote geleerden en theologen. Maar deze mannen staan bekend als puseyisten en neologisten. Met andere woorden, ze zijn diep beïnvloed door het rooms-katholicisme of het ongeloof. Waar zijn geleerde mannen die zuiver zijn in de leer, om niet te zeggen levend voor God, en die de talenten hebben die nodig zijn voor dit belangrijke werk? Kunnen zondige mensen, die dood zijn in zonden en misdaden, vleselijke, wereldsgezinde en goddeloze personen een boek dat geschreven is door de Heilige Geest, geestelijk vertalen? We hebben niet de minste reden om te hopen dat ze godzalig zijn, zoals we wel kunnen geloven van de mensen die de huidige Bijbelvertaling hebben verzorgd.
  2. Duizenden mensen zouden gaan twijfelen wat het Woord van God was, de oude of de nieuwe vertaling. Hoe wijd zou de deur opengezet worden voor de werkingen van het ongeloof of de verzoekingen van de satan! Wat een duisternis zou het brengen in het gemoed van veel van Gods kinderen, als de Schriftgedeelten die aan hun ziel zijn toegepast, op een andere manier worden vertaald. Wat een vragen zullen er gesteld worden bij alles wat ze hebben ondervonden van de kracht en dierbaarheid van Gods Woord.
  3. Daarnaast zouden er twee Bijbelvertalingen verspreid worden door het land, de oude en de nieuwe. Wat een verwarring zou dat bijna in elke plaats teweegbrengen! Op dit moment erkennen alle sekten en kerkgenootschappen de huidige versie als de standaardvertaling. Niets lost een geschil zo snel op als het vertrouwen van de twistende partijen in dezelfde scheidsman en de bereidheid om zich bij zijn beslissing neer te leggen. Maar deze rechter die alle geschillen beslecht, deze scheidsman die alle twisten bijlegt, zou de strijd verliezen als een rivaal een eind maakte aan het gezag dat hij nu geniet.
  4. Als er eenmaal een begin gemaakt werd met deze herziening of hervertaling, waar zou deze dan eindigen? Het is beter om deze kwestie te laten rusten, omdat de vertaling eerder slechter dan beter zal worden. De sociniaansgezinde theologen zouden ‘God’ weglaten in 1 Timótheüs 3:16, en 1 Johannes 5:7-8 niet meer opnemen, omdat dit een latere tussenvoeging zou zijn. De puseyist zou de vertaling aan zijn overtuiging aanpassen. Hij zou ‘priester’ lezen waar nu ‘ouderling’ staat en ‘bekering’ vervangen door ‘boete’. Als we eenmaal bekendmaken dat de oude Bijbel verbeterd moet worden, zullen talloze mensen de bladzijden versnipperen bij hun pogingen om de kaft op te knappen. De arminiaan zou de woorden ‘verkiezing’ en ‘predestinatie’ afzwakken en vervangen door een vertaling die minder onaangenaam klinkt in farizeïsche oren. ‘Gerechtigheid’ zou vervangen worden door ‘recht’ en ‘verworpen’ door ‘verwerpelijk’. Al onze goede Schriftuurlijke begrippen zouden zo verminkt worden dat de zin en mening van de Geest niet meer overgedragen wordt. In plaats van de verheven eenvoud, betrouwbaarheid en nauwgezetheid van de huidige vertaling, zouden we een Bijbel hebben die niemand kan aanvaarden als het Woord van God, waarop niemand zich met een gerust hart kan beroepen en waarop niemand onvoorwaardelijk kan vertrouwen.
  5. Onze goede, oude, Engelse Bijbel is eenvoudig en betrouwbaar, bevat maar weinig verouderde woorden en de taal is verheven en schoon. In plaats daarvan zouden we een moderne Engelse vertaling krijgen in de populaire en luchthartige taal van vandaag. De Bijbel heeft niet alleen gezag als het Woord van God, maar onze huidige vertaling is ook het grote Engelse klassieke werk – algemeen aanvaard als de standaard van de Engelse taal. De grote klassieken van een taal kunnen niet gemoderniseerd worden. Wat een protest zou het oproepen als we Shakespeare moderniseerden of Hooker, Bacon of Milton het Engels lieten spreken dat in de krant of het Lagerhuis wordt gebruikt.
  6. De huidige Engelse Bijbel is duizenden van Gods kinderen tot zegen geweest. En dat niet alleen. Deze vertaling behoort inmiddels tot het nationale erfgoed dat we ongeschonden ontvangen hebben van onze vaders, en ook ongeschonden aan onze kinderen moeten overdragen. We geloven dat ze het grote bolwerk van het protestantisme is, het bastion van het Evangelie en de schat van de gemeente. We zouden verraders zijn in iedere zin van het woord, als de Bijbel met onze toestemming overgegeven wordt in de onheilige handen van de puseyisten, de heimelijke papisten, Duitse neologisten, ongelovige theologen, arminianen, socinianen en het hele leger vijanden van God en de godzaligheid.

 


 

Thema: Echtscheiding en Hertrouwen

overgenomen uit Afscheiding en Raadgevingen

  • J.C. Philpot beantwoordt vragen over Echtscheiding en hertrouwen
  1. Mag een vrouw in geen enkel geval van haar man scheiden?

Mijnheer, ik ben vast overtuigd van uw diepe inzicht. Daarom vraag ik u uw mening – overeenkomstig de Schrift – te geven over 1 Korinthe 7:10: ‘Doch den getrouwden gebied niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.’ Moet een vrouw onder bijzonder moeilijke omstandigheden bij haar man blijven; ik bedoel als haar leven gevaar loopt?

Antwoord
Laat niemand denken dat we over enige kwestie autoritair, arrogant en vol zelfverheffing onze mening geven. Als ons een vraag gesteld wordt en we menen die op eenvoudige, Schriftuurlijke en tactvolle wijze te kunnen beantwoorden, voelen we ons vrij om dat te doen. We geven echter slechts een mening over het onderwerp. Misschien is deze mening waardeloos, misschien ook niet. Weeg deze mening echter in de weegschaal van het heiligdom, onderzoek deze bij het licht van de Schriften, het onderwijs van de Geest in het hart en de stem van een consciëntie die door de vreze Gods teerhartig gemaakt is. Komt deze mening overeen met het oordeel van deze onfeilbare jury, dan moet u ze aanvaarden. Zo niet, dan is onmiddellijke verwerping vereist. We ervaren het als onze plicht om Gods gemeente te dienen. Alle licht, kennis en natuurlijke of geestelijke wijsheid die we bezitten – hoe weinig misschien ook – delen we ruimhartig met onze lezers. Hen te dienen in Gods Koninkrijk, zwakke handen te versterken, struikelende knieën vast te maken, onwetende naasten te onderwijzen of moedeloze mensen te vertroosten, is alles wat we wensen. Laat niemand denken dat we vragen proberen te beantwoorden om ons op bijzondere wijsheid te kunnen beroemen of om ons als dictator in Gods gemeente op te werpen. Wij voelen ons de minste en de geringste van Gods dienstknechten. Als we echter van enig nut kunnen zijn voor een van de verlosten, beschouwen we dat als onze hoogste eer en ons mooiste werk.

Er is geen sterkere band dan de huwelijksband. Bijna alles moeten we verdragen om te voorkomen dat die band breekt. Genade verbreekt die verbintenis niet, maar maakt ze, zo mogelijk, des te sterker. Bij de eisen van de menselijke en Goddelijke wet komen nu immers de voorschriften van het Evangelie en het onderwijs van de Heilige Geest.

In de hierboven geciteerde tekst sprak de apostel een oordeel uit over een zeer belangrijke kwestie. Hij zegt uitdrukkelijk: ‘Doch den getrouwden gebied niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.’ In dit geval is de man een ongelovige en – in die tijd – ook een afgodendienaar. Mogelijk is hij een vervolger en een godslasteraar, maar hij blijft haar echtgenoot. Zij moet hem niet verlaten, maar bij hem blijven. We kunnen gerust concluderen dat een gelovige vrouw haar ongelovige man niet mag verlaten – en vice versa – behalve als er dingen zijn die het onmogelijk voor hen maken om samen te leven. Leeftijdsverschil, een moeilijk karakter, verschil in opvattingen, blijvende antipathie, ontdekking van huichelarij, buitensporige verkwisting, losbandigheid en luiheid, en zelfs dronkenschap, mishandeling of slagen moeten een vrouw er niet toe brengen haar man te verlaten. Evenmin mag een man zijn vrouw verlaten. De band die hem aan haar bindt, is zelfs nog sterker, omdat zij het zwakkere vat is en meer van hem afhankelijk is dan hij van haar.

We kunnen slechts twee situaties bedenken waarin een vrouw wettig haar man kan verlaten. Ten eerste als hij is overgegeven aan schaamteloze losbandigheid. Misschien is hij haar ontrouw geweest. Is hij echter niet weggezonken in schaamteloze losbandigheid, dan kan zelfs ontrouw in onze ogen geen afdoende reden zijn om hem te verlaten. Als hij echter prostituees mee naar huis brengt, onder haar dak in schaamteloos overspel leeft met een dienstmeisje of zij persoonlijk lijdt onder zijn grove gedrag, geloven we dat zij hem mag verlaten, als ze al het mogelijke heeft gedaan om hem tot betering te bewegen. Zelfs dan moet ze hem niet volkomen en voorgoed verlaten, maar bereid zijn om terug te keren en hem te vergeven, als hij echt terugkeert van zijn boze wegen en verlangt naar haar terugkeer.

Ten tweede als het geweld meedogenloos en levensbedreigend wordt. Een man moet een echte bruut zijn om zijn vrouw te kunnen slaan! In deze ellendige wereld lopen echter veel van zulke bruten rond. Een vrouw zou het huis van haar man niet moeten verlaten om een, twee of twintig slagen. Misschien is hij verschrikkelijk driftig, terwijl zij hem erg sart en ergert. Eén ruzie of twintig ruzies en zelfs vuistslagen geven een christelijke vrouw geen grond om haar man te verlaten. Is er echter sprake van aanhoudende wreedheid, is er een aanslag gepleegd op haar leven of lichaam, of loopt het leven van de vrouw echt gevaar door mateloze dronkenschap of krankzinnigheid, terwijl ze geen bescherming kan verwachten van de wet of uit een andere hoek, dan menen we dat ze haar man mag verlaten. Want wie kan haar de raad geven om te blijven om vermoord te worden? Wie zou geen reden hebben om zichzelf te beschuldigen, wanneer hij een vrouw geadviseerd had om niet te vluchten terwijl haar leven gevaar liep, als de volgende dag hem de tijding bracht dat haar man haar van het leven beroofd had?

Veel christelijke vrouwen hebben veel te lijden van hun man. Als zulke vrouwen deze pagina’s lezen, wil ik hen een vriendelijke raad geven. Christelijke vrouw, bedenk dat hij uw echtgenoot en de vader van uw kinderen is. Eens – zo niet nu – hebt u hem hartelijk liefgehad. Roept alles u dan niet op om u tot het uiterste in te spannen om hem te verdragen? Als u hem verlaat, kunt u de kinderen waarschijnlijk niet meenemen. En hoe zullen ze, als ze nog jong zijn, door hun wrede vader behandeld worden? En als ze al ouder zijn, hoe gemakkelijk zullen ze dan bedorven en naar de ondergang gevoerd worden door het voorbeeld van hun vader! U moet om hunnentwil daarom al het mogelijke doen om hem te verdragen. Bedenk ook hoe arm en eenzaam u zult zijn als u uw huis verlaten hebt; zonder vrienden en misschien berooid, blootgesteld aan verzoeking en achterdocht! En omdat u niet zeker weet of het Gods wil is dat u uw man verlaat, zult u misschien wel geplaagd worden door twijfel. Als u echter alles doet om hem te dragen en te verdragen, zijn de beloften van de Heere voor u. U zult mogelijk vaak ondersteund en gezegend worden met Zijn tegenwoordigheid en gunst. Menige man die zijn vrouw kwelde, is door genade geroepen. Het zachtmoedige, christelijke gedrag van zijn vrouw is het instrument geweest. Door de wandel van zijn vrouw is hij zonder woord gewonnen (zie 1 Petr. 3:1). Indien dit geluk u ten deel zou vallen, zult u de genade prijzen die u de kracht gaf om hem te verdragen, als u ziet dat de ziel van uw man gered is.

7a. Kan een verlaten en weer getrouwde vrouw lid blijven?

Ons is gevraagd onze mening te geven over de volgende kwestie. Een getrouwde vrouw was verlaten door haar echtgenoot. Na dertien jaar is ze opnieuw getrouwd in de veronderstelling dat hij gestorven was. Zes of zeven jaar later is haar eerste man echter weer teruggekomen. Kan deze vrouw lid blijven van een Evangeliegemeente?

Antwoord
In de genoemde kwestie wordt geen melding gemaakt van een belangrijk gegeven: Leeft de vrouw nu met een van beide mannen? Gods Woord spreekt zich heel duidelijk uit tegen terugkeer tot haar eerste echtgenoot (Deut. 24:3,4; Jer. 3:1). En leven met een tweede man terwijl de eerste echtgenoot nog leeft, is overspel (Rom. 7:3). Als een christelijke vrouw moet zij daarom beide mannen verlaten en zichzelf als weduwe beschouwen. Ze is diep te beklagen, vooral als ze arm is, als ze voor haar onderhoud afhankelijk is van de man met wie ze de laatste tijd geleefd heeft of als er kinderen zijn. Gods Woord is echter duidelijk en wij menen dat de gemeente haar niet kan toelaten met hen aan te zitten, tenzij er sprake is van een volkomen en totale scheiding van de mannen met wie zij heeft geleefd.

7b. Kan een verlaten en weer getrouwde vrouw lid blijven?

Na publicatie van bovenstaand antwoord reageert Philpot in de Gospel Standard van april 1853 op een ontvangen reactie, wat hieronder is geplaatst.

Misschien herinnert u zich dat in het februarinummer onze mening werd gevraagd over de kwestie of een vrouw lid mocht blijven van een Evangeliegemeente, als haar eerste echtgenoot haar verlaten had en ze met een tweede man was getrouwd. Enkelen van onze lezers hebben bezwaren geuit tegen ons oordeel over deze kwestie en we hebben daarover verschillende brieven ontvangen. Om beknopt te zijn, gaven we toen slechts een samenvatting van de kwestie, maar omdat het onderwerp enige discussie heeft opgeleverd, lijkt het ons het beste de oorspronkelijke brief, of ten minste een belangrijk deel daarvan, te plaatsen. Het gedeelte dat is weggelaten, is hoofdzakelijk inleidend.

“Geachte heer, de schrijver van deze weinige regels is verbonden aan een gemeente waarin zich een heel belangrijke kwestie voordoet. Unaniem is besloten om de uitgever van de Gospel Standard te vragen zijn mening daarover te geven. Het gaat niet om een bijzondere gril of om de oplossing van een onbetekenend meningsverschil dat tussen twee partijen is ontstaan. Het is een reële zaak. Een man heeft zijn vrouw verlaten. Na verloop van tijd hertrouwt ze, waarna haar eerste man weer terugkeert. Is het dan Schriftuurlijk als ze lid van de gemeente blijft? In dit geval heeft de man zijn vrouw verlaten. Zij is na dertien jaar opnieuw getrouwd, terwijl ze niet wist of haar man overleden was. Nadat zij zes of zeven jaar getrouwd was, keerde de eerste man terug, zodat algemeen bekend werd dat hij nog in leven is. Is het Schriftuurlijk als zij lid blijft? Wilt u alstublieft zo snel mogelijk in de Gospel Standard op deze vraag antwoorden?De uwe in liefde, een vraagsteller. 11 januari 1853″

Inleiding
Uit bovenstaande brief blijkt dat de zaak aan ons werd voorgelegd op algemeen verzoek van de gemeente. Hoewel ons onbekend was en is welke gemeente ons deze vraag heeft gesteld, konden we daarom niet goed weigeren onze mening te geven.

U zult zich herinneren dat wij van mening zijn dat deze vrouw onder deze omstandigheden geen lid van een Evangeliegemeente kan blijven. Verschillende briefschrijvers hebben hiertegen bezwaren geuit. Wat voor bezwaren dat zijn, blijkt uit de volgende brief, die mogelijk even duidelijk is als welke andere brief over dit onderwerp ook.

“Geachte heer, ik was zeer verbaasd toen ik in het februarinummer van de Gospel Standard las welk antwoord u een gemeente gaf over de zaak van die arme vrouw. Ik heb de passages waarnaar u verwees en ook 1 Korinthe 7 nog eens overdacht en ik moet wel tot de conclusie komen dat uw antwoord inderhaast geschreven is. Ik weet namelijk zeker dat u geen mensen bedroefd wilt maken die God geen smart heeft aangedaan (Ezech. 13:22). Deze arme vrouw is een weduwe, die al dertien jaar door haar man in de steek gelaten is. Ik stel dat wat zij gedaan heeft in dit geval gerechtvaardigd is en ik geloof dat dit in overeenstemming is met de wet van ons land, het gevoelen is van de meeste mensen die grondig in het Woord der waarheid zijn onderwezen en naar de mening van de Heilige Geest is (1 Kor. 7:15). Zij die de smarten hebben ervaren van een vrouw die weduwe geworden is door de ergste van alle doden, namelijk verlating, kunnen bevestigen dat het waar is dat ze geen man had. Hij was dood voor haar. Daarom is de stap die zij deed gerechtvaardigd. Wee de gemeente die een vrouw scheidt van haar wettige echtgenoot of in een dergelijk geval een erkende zuster in Jezus zou uitsluiten van het Avondmaal des Heeren. Als mijn woorden die arme ziel konden bereiken, zou ik zeggen: ‘Moge God u bekwaam maken om biddend het Woord der waarheid te onderzoeken. Als u mag delen in Jezus’ gunst, hoeft u het ongenoegen van enige gemeente of van de wereld niet te duchten.’ Biddend dat de Standard (de banier) in waarheid geheven mag worden, met het oog op het motto. Met de meeste hoogachting, R.P. 18 februari 1853

Antwoord
We erkennen volmondig dat dit een zeer pijnlijke en beklagenswaardige situatie is. Maar in Goddelijke zaken mogen we ons niet laten sturen en leiden door natuurlijke gevoelens, maar moet het onfeilbare Woord van God onze gids zijn.

Zonder enige schroom durven we te stellen dat volgens Gods Woord alleen dood en echtscheiding de band tussen man en vrouw kunnen verbreken. De Heere Jezus heeft dit met Zijn eigen lippen uitgesproken. ‘En de Farizeeën kwamen tot Hem, verzoekende Hem en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten om allerlei oorzaak? Doch Hij antwoordende zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne den mens gemaakt heeft, dat Hij hen gemaakt heeft man en vrouw? En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn? Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten? Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van den beginne is het alzo niet geweest. Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel; en die de verlatene trouwt, doet ook overspel’ (Matth. 19:3-9). De wet van ons land stoelt op deze tekst en erkent uitsluitend ontbinding van het huwelijk door de dood of door wettige echtscheiding.[1] We stellen daarom dat volgens Gods wet, en die van de mens, een vrouw niet opnieuw kan trouwen terwijl haar eerste man leeft, zonder overspel te bedrijven. Hoe duidelijk spreekt Paulus hierover! ‘Want een vrouw die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is als zij eens anderen mans wordt (Rom. 7:2,3).

Afwezigheid of verlating is wreed en goddeloos. De situatie van deze vrouw is zeer beklagenswaardig: Jarenlang is ze verlaten zonder te weten of haar wettige echtgenoot en beschermer in leven is of niet. Noch deze verlating, noch de onzekerheid verbreekt echter de band van het huwelijk. Als het huwelijk ontbonden wordt door afwezigheid of verlating, zouden we kunnen vragen hoe lang dat moet duren om dit effect te hebben. Zal dat een week, een maand of een jaar zijn? En als deze periodes te kort zijn, waar moeten we dan een grens trekken? Als de huwelijksband niet verbroken kan worden vanwege een afwezigheid van een jaar, kan het huwelijk dan wel ontbonden worden als de afwezigheid tien of twintig jaar duurt?

De mening van R.P. is niet alleen in strijd met de wet, maar staat ook haaks op de Schrift. Zijn uitleg van 1 Korinthe 7:15 is absoluut onjuist. De apostel spreekt in deze context over een gelovige vrouw die getrouwd is met een ongelovige man. Hij veronderstelt hier twee dingen. Ten eerste dat de ongelovige man bij zijn gelovige vrouw wil blijven. Laat zij hem in dat geval niet verlaten (1 Kor. 7:13). De ongelovige man kan echter ook weggaan en zijn vrouw verlaten. In dat geval besluit de apostel dat zij hem niet hoeft te volgen en niet per se bij hem moet blijven. ‘Dat hij scheide; de broeder of de zuster wordt in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt’ (vers 15). Ze is dus niet verplicht om hem te volgen en bij hem te blijven wonen, als hij haar heeft verlaten. Maar zegt hij iets over een nieuw huwelijk of keurt hij dat goed? Waar zegt hij dat verlating de huwelijksband ontbindt? Integendeel. In hetzelfde hoofdstuk zegt hij exact het tegenovergestelde: ‘Een vrouw is door de wet verbonden zo langen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zo is zij vrij om te trouwen dien zij wil, alleenlijk in den Heere’ (vers 39). Hoe duidelijk spreekt hij hier uit dat alleen de dood de huwelijksband verbreekt!

Het aantal jaren dat haar echtgenoot haar verlaten heeft, de onbekendheid van zijn verblijfplaats, haar overtuiging dat hij overleden is, haar ellendige toestand, haar armoede en nood, haar onbeschermde staat – al deze beklagenswaardige omstandigheden veranderen de Goddelijke en menselijke wet niet en kunnen dat ook niet. Hij is haar man en zij is zijn vrouw tot de band door dood of echtscheiding verbroken wordt. Net als in talloze andere situaties hebben Gods soevereine wil, de nationale wet en het algemene nut van de gemeenschap meer gewicht dan het lijden van individuele personen. Dit kan persoonlijk leed veroorzaken, maar wat een weldaad is het voor getrouwde vrouwen! Als verlating het huwelijk kon ontbinden, zouden duizenden gewetenloze mannen van die mogelijkheid gebruikmaken. Geen enkele getrouwde vrouw kon, zoals nu, zeker weten dat zij gehuwd zou blijven tot zij of haar echtgenoot zou overlijden.

Wij zouden niet zoveel moeite doen om te bewijzen wat helder en duidelijk is, als we niet wisten hoe lichtvaardig velen denken over de huwelijksband. Een voorbeeld hiervan is de brief van R.P. Hier zien we een man die stelt dat zijn woorden ‘in overeenstemming zijn met de wet van ons land, het gevoelen zijn van de meeste mensen die grondig in het Woord der waarheid zijn onderwezen en naar de mening van de Heilige Geest zijn’. Hij stelt dat het geoorloofd is dat de arme vrouw opnieuw trouwde zonder bewijs van de dood van haar man, en dat zijn verlating van haar voldoende grond is voor deze stap. Het kan ons niet verwonderen dat vleselijke mensen lichtvaardig denken over de heiligheid van de huwelijksband, als belijders van de godsdienst zulke on-Bijbelse gevoelens aanwakkeren.

De vraag was echter of de gemeente een vrouw nog steeds als lid moet erkennen, wanneer ze hertrouwt tijdens het leven van haar man. Wij blijven bij ons oorspronkelijke standpunt en zeggen: ‘Nee.’ Laat de volgende redenen gewogen worden in de weegschaal van het heiligdom:

  1. Het is duidelijk on-Schriftuurlijk en onwettig voor een vrouw om een tweede man te huwen, terwijl haar eerste echtgenoot nog leeft. Zijn lange afwezigheid en de daaruit voortvloeiende overtuiging dat hij gestorven is, verlichten haar schuld. Zoals we echter hebben aangetoond, wordt het eerste huwelijk daardoor niet ontbonden. Als zij lid mag blijven van de gemeente, keurt de gemeente goed wat door Gods wetten, en die van de mensen, wordt verboden.
  2. We zouden de wereld, die maar al te graag inconsequenties aan de kaak stelt, stof geven om kwaad te spreken. Een gemeente heeft alle reden om elke aanstoot of oorzaak van smaad weg te nemen. Hoewel het niet gezegd is, wordt wel bijna gesuggereerd dat de vrouw nog steeds met haar tweede man leeft. Als de gemeente dit goedkeurde, zou dat toch terecht een reden zijn om haar te beschimpen?
  3. Het zou waarschijnlijk een oorzaak zijn van voortdurende twist en ergernis. Zoals blijkt heeft dit al tot veel beroering en onenigheid in de gemeente geleid.
  4. Hierdoor zouden sommige, zo niet vele, leden van de gemeente beroofd worden van alle troost en vrucht bij het gebruik van de ordinantie, zelfs als ze nog geen vastomlijnde opvatting hierover hadden. We weten immers heel goed dat er weinig anders dan onrust kan zijn bij het Avondmaal des Heeren, als we heen en weer geslingerd worden door twijfels en vermoedens.
  5. Als de arme vrouw een teerhartige consciëntie heeft, zou het later, of mogelijk nu al, leiden tot grote benauwdheid, omdat ze misschien tot haar eigen oordeel deelgenomen heeft aan het Avondmaal des Heeren.

We houden dus vast aan ons oorspronkelijke standpunt dat het niet in overeenstemming is met de orde van het Evangelie als de vrouw lid blijft van de gemeente, wanneer ze leeft met een van beide mannen, en zeer waarschijnlijk met haar laatste echtgenoot.

Maar laten we aannemen dat ze haar zonde ziet en beweent en dat ze, als blijk van haar berouw, scheidt van beide mannen. We menen dat ze dan, als de gemeente overtuigd is van de echtheid van haar berouw, na een tijd opnieuw opgenomen kan worden.

We hebben een vergelijkbaar voorbeeld in het Nieuwe Testament. Er was een man die het hield met de vrouw van zijn vader (1 Kor. 5). Natuurlijk was dit niet zijn eigen moeder – dat zou te erg zijn – maar de tweede vrouw van zijn vader. Hij was van haar gescheiden of had haar verlaten. Vanzelfsprekend maakte het feit dat zij zijn vaders vrouw geweest was, de zaak nog veel erger, omdat dit verboden was door de Levitische wet (Lev. 18:8; Amos 2:7) en zeer ergerlijk voor de mensen. Daarom vermaant de apostel om deze man uit hun midden weg te doen (1 Kor. 5:13); dat is, uit de gemeente te bannen. Hij wordt echter gebracht tot oprecht en diep berouw en dan beveelt de apostel om hem weer op te nemen. ‘Den zodanige is deze bestraffing genoeg, die van velen geschied is; alzo dat gij daarentegen hem liever moet vergeven en vertroosten, opdat de zodanige door al te overvloedige droefheid niet enigszins worde verslonden. Daarom bid ik u dat gij de liefde aan hem bevestigt’ (2 Kor. 2:6-8). Maar kunnen we geloven dat hij daarna bij haar bleef? Zou hij haar niet, als blijk van zijn berouw, wegsturen en voortaan zonder haar leven?

Toont deze arme vrouw berouw over haar ongelukkige stap, om geen scherpere woorden te gebruiken? Is de gemeente overtuigd van de oprechtheid van haar berouw? Toont ze haar berouw door beide mannen te verlaten en voortaan zonder hen te leven? Dan menen we dat de gemeente haar op Schriftuurlijke gronden kan toelaten aan de tafel.

Er is ook bezwaar ingebracht tegen onze opvatting dat de vrouw van beide mannen moet scheiden. Er wordt gesteld dat als de eerste man nog steeds haar echtgenoot is, het tweede huwelijk niet geldig is en daarom mag, ja, moet ze zelfs naar haar eerste man terugkeren en met hem leven. Volgens de wet is dit misschien niet verkeerd, maar wij geloven dat het niet in overeenstemming is met het Woord der waarheid. Als bewijs hiervoor hebben we twee passages uit Gods Woord aangehaald. Er zijn echter bezwaren geopperd tegen onze verklaring van Deuteronomium 24:4 en Jeremia 3:1. De teksten zouden niet toegepast kunnen worden op deze kwestie, omdat deze wet alleen geldt voor de Levitische bedeling. Om dit punt te verhelderen, moeten we bedenken dat sommige wetten en verboden van de oude bedeling een tijdelijk, en andere een blijvend karakter hadden. De voorschriften omtrent besnijdenis, offeranden en onrein vlees golden bijvoorbeeld voor een tijd, maar het verbod om te stelen, te doden, overspel te bedrijven en vals getuigenis te geven, blijft altijd van kracht. De aard van de overtreding en de woorden die ervoor gebruikt worden, maken doorgaans duidelijk of deze wetten een tijdelijk of blijvend karakter hebben. Zorgvuldige bestudering van de aangehaalde teksten zal naar onze mening duidelijk maken dat de vrouw, na haar huwelijk met een tweede man, niet mag terugkeren naar haar eerste echtgenoot vanwege het karakter van haar daad. Daarom heeft dit verbod geen tijdelijk karakter. Deze handelwijze wordt ‘een gruwel voor het aangezicht des HEEREN’ genoemd. Het land waar dit praktijk is, wordt erdoor verontreinigd. Het is inderdaad weerzinwekkend voor elk natuurlijk gevoel dat een man een vrouw zou terugnemen die aan een andere man heeft behoord. Dit verbod rust daarom op onveranderlijke omstandigheden. Als onze lezers de teksten onderzoeken waarin gesproken wordt over de verontreiniging van het land of een gruwel voor de Heere, zullen ze merken dat het daar gaat over een misdaad die het natuurlijk gemoed en de consciëntie met afschuw vervult.

Maar misschien zal iemand zeggen dat de eerste man nog steeds haar echtgenoot is, omdat het tweede huwelijk geen echt huwelijk is. Dat is waar, maar is deze arme vrouw wie ze geweest zou zijn als ze geen tweede huwelijk was aangegaan? Is ze trouw geweest aan de huwelijksbelofte? Ze heeft met een andere man geleefd. Zo heeft ze haar huwelijksbed bevlekt. Haar man heeft haar verlaten, maar zij is hem ontrouw geweest.

We zullen zelfs een stap verder gaan. We zijn ervan overtuigd dat een vrouw die werkelijk fijngevoelig en kuis is – afgezien van alle meer verheven redenen – met geen van beide mannen zou durven te leven. Haar eerste man is ze immers ontrouw geweest en met de tweede zou ze slechts in overspel kunnen leven. Ongeacht of onze uitleg van de aangehaalde teksten juist is, geloven we bovendien dat een grote meerderheid van de christelijke vrouwen en moeders die deze pagina’s lezen, het eens zou zijn met onze opvatting dat de arme vrouw zichzelf de straf van het weduwschap moet opleggen.

[1] Het is volgens de wet onmogelijk dat iemand die al getrouwd is, een tweede huwelijk sluit terwijl de eerste vrouw of man nog leeft. En hoewel we een zeer sterke reden gehad kunnen hebben om te geloven dat de eerste vrouw of man is overleden, zal het feit dat de ouders in moreel opzicht onschuldig zijn, de kinderen uit het tweede huwelijk geen enkel voordeel verschaffen (Penny Cyclopaedia).


Thema: Occultisme

  • J.C. Philpot beantwoordt een vraag over Occultisme

overgenomen uit Afscheiding en Raadgevingen

  1. Mogen we ons inlaten met tafeldansen, mesmerisme en elektrobiologie?

Geachte heer, mag ik via de Gospel Standard uw mening vragen over tafeldansen, mesmerisme[1] en elektrobiologie? Ik hoef dit niet te zeggen als wetenschapper. Ik weet zeker, heel zeker, dat er geen sprake is van elektriciteit of magnetisme. Faradays[2] verklaring biedt een oplossing voor veel problemen, hoewel ik geloof, niet voor alle. Hier hebben we een baptistenpredikant, diakenen en doopkandidaten die zich ermee bezighouden. Ik geef toe dat ik het niet durf. Ik vrees echt dat het in zeker opzicht verkeerd is. Ik ben niet bijgelovig; integendeel. Dit is geen wetenschap. Wat is het dan wel?

Het wordt zo algemeen en doet zoveel afbreuk aan de wonderen die getuigden van de Godheid van Christus, dat ik een woord van waarschuwing nodig acht. ‘En velen dergenen die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hun daden. Velen ook dergenen die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid’ (Hand. 19:18,19). De uwe in Hem, S.S.

Antwoord
We zullen niet ingaan op het wetenschappelijke gedeelte van bovenstaande vraag en evenmin onze mening geven over de kwestie in hoeverre de mysterieuze krachten waarnaar verwezen wordt, het gevolg zijn van natuurlijke (hoewel tot nu toe onverklaarbare) oorzaken of van psychische factoren. Mogelijk zal er een tijd aanbreken dat wat nu absoluut onverklaarbaar lijkt, even eenvoudig en begrijpelijk zal zijn als de elektrische telegraaf. Maar wetenschap is in deze pagina’s misplaatst. We hebben het nu over de gemeente Gods. Omdat enkele van de bovengenoemde onderwerpen gepaard gaan met veel vreselijke zonden en enige ingang schijnen te vinden in de belijdende gemeente, geloven we dat een waarschuwend woord op dit moment hard nodig is. Gedreven door dit gevoelen en niet door enig verlangen of met de bedoeling zulke onderwerpen hier te behandelen, heb ik aandacht besteed aan de vraag die ons hier is gesteld.

Meestal begint het kwaad heel geleidelijk. Ook in dit geval blijkt dat zo te zijn. Laten we zien hoe het in zijn werk gaat. Omdat we nooit zulke demonstraties hebben gezien en daarvan ook nooit getuige willen zijn, gaan we alleen uit van wat we hebben gelezen en gehoord. Wij zullen ons vooral beperken tot tafeldansen, omdat dit de eerste schakel in de keten van het kwaad schijnt te zijn. Men heeft, geloof ik, het volgende ontdekt. Een groep mensen zit om de tafel. Ze leggen hun handen op de rand van de tafel, waarbij de duimen en vingers allemaal contact met elkaar maken. Op een gegeven moment zal de tafel zonder enige aanleiding, schijnbaar vanzelf, gaan draaien. Het is niet bekend of dit het gevolg is van gecombineerde krachten, zoals professor Faraday verklaart, of van elektrische energie.

Als nieuw en wonderlijk experiment wordt dit tafeldansen echter veel beoefend op wereldse feesten. Het zorgt voor opwinding en vermaak en leidt tot nauwe contacten tussen jonge mensen van beide seksen. Let eens op hoe dit binnensluipt in christelijke gezinnen. Jonge mensen met een hart dat uitgaat naar de wereld, maar met christelijke of godvruchtige ouders, hebben zoveel gehoord over dit wonderlijke tafeldansen dat ze het op een lange winteravond ook eens willen proberen als onschuldig vermaak. Ze zeggen: ‘Het kan beslist geen kwaad als we onze handen op een tafel leggen.’ De oude mensen, die dol zijn op hun kinderen en niets kwaads zien in zoiets eenvoudigs, kijken toe. ‘Kom pappa,’ zegt een liefhebbende en beminde dochter, ‘we hebben nog een hand nodig om de cirkel rond te maken.’ Hoe gemakkelijk om dan toe te stemmen! Hoe ongevaarlijk, schijnbaar! Welnu, als het hier begon en eindigde, zouden we er niet veel tegenin weten te brengen. We kunnen ons beter van zulk amusement onthouden, maar jonge mensen van een bepaalde leeftijd kunnen we niet vastbinden als kleine kinderen. Tafeldansen stopt hier echter niet. Het is een schakel geweest naar dingen die het bloed doen verstijven en de haren te berge rijzen. Dit schijnbaar onschuldige tafeldansen is namelijk in verband gebracht met het oproepen van klopgeesten, een van de meest verschrikkelijke diepten van de satan die ooit aan het licht gebracht zijn. Zouden onze geestelijke lezers het mogelijk achten dat op talloze feesten nu contact gemaakt wordt met geesten van overledenen door op een tafel te kloppen? Laten we er verder niet op ingaan hoe dit gedaan wordt of zou worden. We kunnen het beste maar onwetend zijn van het kwade. Velen menen dat het allemaal bedrog en doorgestoken kaart is. Als we echter alles goed beschouwen, zijn er via dit medium antwoorden gegeven die alleen maar van de satan afkomstig kunnen zijn.

Deze ongelovige eeuw kan spotten met tovenaars en heksen en alle omgang met de satan loochenen, maar het onfeilbare Woord van God heeft zo duidelijk gesproken over hekserij in het Oude Testament en over bezetenheid door de duivel in het Nieuwe Testament, dat geen enkele gelovige de werken en invloed van de satan kan ontkennen. Dezelfde ongelovige die de geschiedenis van de tovenares te Endor in twijfel trekt, weet de wonderen uit het Oude Testament weg te redeneren. Hetzelfde Duitse rationalisme dat bezetenheid door een boze geest afschildert als pure krankzinnigheid, beschrijft Christus’ wonderlijke genezingen als louter natuurlijke invloeden en krachten. Een kind van God moet zich verzetten tegen elke poging om het domein van de satan te betreden en zich daarvan volkomen afzijdig houden. Tafeldansen, mesmerisme en elektrobiologie zijn allemaal uitermate gevaarlijk, zelfs als er geen enkel vermoeden zou zijn van satanische invloed. In deze mysterieuze verschijnselen, die grenzen aan het bovennatuurlijke, is iets wat een zeer schadelijke invloed heeft op de geest. Als we er getuige van zijn, prikkelt dat ons zenuwstelsel – dat gedeelte van het menselijk gestel waartoe de satan bijzonder goed toegang schijnt te hebben en waarop hij vooral invloed uitoefent.

Maar afgezien van deze overwegingen, die ruimschoots de aandacht van elke christelijke ouder verdienen, is er iets wat al deze praktijken zeer weerzinwekkend maakt voor een geestelijk gemoed. Hoezeer ijverde God vroeger bij Zijn bondsvolk tegen elke toenadering tot tovenarij of hekserij. ‘De toveres zult gij niet laten leven’, zo luidde Zijn strenge gebod. Zelfs als we geen enkele verdenking koesterden tegen zulke zaken, zouden we bovendien wel mogen vragen: ‘Wat moet een geestelijk mens met zulke prikkels?’ Hoe wijd kunnen ze de deur openzetten voor het ongeloof, dat altijd klaar staat om het hart binnen te dringen en te vervullen! Wat een ingang zullen ze de satan bieden om te werken in het vleselijk gemoed! Als we alle genoemde omstandigheden overwegen – en er zijn vele andere zaken die we omwille van de tijd en de ruimte onvermeld hebben gelaten – zijn we er vast van overtuigd dat godzalige ouders hun kinderen niet moeten toestaan om zich in hun huis bezig te houden met praktijken als mesmerisme en tafeldansen, en dat de leden van onze gemeenten en allen die God in onze gemeenten willen vrezen, vooral in de grote steden, gewaarschuwd moeten worden tegen deelname aan zulke activiteiten. Jonge mensen moeten vooral weerhouden worden van dergelijke pogingen, en godvrezende jongeren moeten ernstig gewaarschuwd worden tegen het bijwonen van colleges over elektrobiologie en het betreden van gevaarlijke grond, zoals mesmerisme, tafeldansen, enzovoorts. We hebben begrepen dat er de laatste tijd een ontzettende toename is geweest van krankzinnigheid als gevolg van deze verschrikkelijke praktijken. Velen die daaraan hebben deelgenomen, zitten nu in gestichten.

We hebben gemeend dat het goed was om een waarschuwing te laten horen in dit jaargetijde waarin, zelfs in godvrezende gezinnen, soms wat vrijheid wordt veroorloofd omdat de kinderen geen school hebben. Daartoe voelden we ons nog meer gedrongen omdat we begrepen hebben dat het aantal beoefenaars van deze praktijken in veel belijdende gemeenten onrustbarend toeneemt, en dat zelfs predikanten en diakenen, zoals de briefschrijver suggereert, daaraan hebben deelgenomen. Wij moeten ons zelfs van de schijn des kwaads onthouden. Hoeveel te meer moeten we dan terugdeinzen voor de eerste echte stappen op het pad van de zonde!

 [1] Afgeleid van de naam van Franz Anton Mesner (1734–1815), arts en natuurkundige. Hij geloofde dat er een kracht was die in het menselijk lichaam getijden veroorzaakte. Ook ontdekte hij de werking van kunstmagneten, die hij gebruikte om in het menselijk lichaam kunstmatige eb en vloed op te wekken. Door strijkende bewegingen met de handen of door magneten probeerde hij de harmonie te herstellen. Dit wordt ‘dierlijk magnetisme’ genoemd. (noot vert.)

[2] Michael Faraday (1791–1867), hoogleraar scheikunde aan de universiteit van Edinburgh. (noot vert.)

************

27. Mogen astrologen geraadpleegd worden?

Uitgever, wij zouden het fijn vinden als u zo spoedig mogelijk deze vraag in de Gospel Standard zou willen beantwoorden: Is het geoorloofd als een lid van de gemeente (Particular Baptist) astrologen vraagt om toekomstige gebeurtenissen te voorspellen? Hij zegt dat predikanten en alle anderen zich in natuurwetenschap mogen verdiepen. Wij kunnen daar niet in meegaan. Hij is er echter van overtuigd dat er geen kwaad in schuilt en wil het niet opgeven. Een trouwe lezer.

Antwoord
We weten niet hoe anderen erover denken, maar wij noemen het een verschrikkelijke bezigheid. In Gods Woord vinden we een uitdrukkelijk verbod op die ijdele en leugenachtige wetenschap die astrologie genoemd wordt. ‘Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten’ (Jer. 10:2). God stort schande uit over alle aanhangers hiervan. ‘Gij zijt moede geworden in de veelheid uwer raadslagen; laat nu opstaan die den hemel waarnemen, die in de sterren kijken, die naar de nieuwe manen voorzeggen; en laat hen u verlossen van die dingen die over u komen zullen. Zie, zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal hen verbranden, zij zullen zichzelven niet kunnen rukken uit de macht der vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neder te zitten’ (Jes. 47:13-14). Het is hoogst bespottelijk. Wie kan geloven dat de planeten, die in een bepaalde positie staan ten opzichte van elkaar, het lot van een man tijdens zijn leven kunnen beïnvloeden? Ze zijn miljoenen mijlen van ons verwijderd. Welke invloed zouden ze dan kunnen uitoefenen op het lot van de aardbewoners?

Het is echter niet alleen dwaas, maar ook zeer goddeloos. De astrologie maakt deel uit van de ‘verborgenheid der goddeloosheid’, die de satan uitgedacht heeft om mensen te misleiden en te verwoesten. Gods kind moet zich vooral ver houden van voortekenen, tekenen, voorspellingen van toekomstige gebeurtenissen, waarzeggerij, kloppen en alle duivelsaanbidding. Hoewel sommige van deze praktijken een hoog gehalte aan dwaze onzin en goochelarij bevatten, kunnen ze allemaal een deur openen voor de satan!

Wij zouden de Almanak van Moore niet in ons huis willen hebben. Die kunt u het best in het vuur gooien. Dat geldt ook van de Almanak van Zadkiël en al die astrologische almanakken die zogenaamd het weer, oorlog en de dood van vorsten en vooraanstaande personen kunnen voorspellen.[1] Een almanak is bijna onmisbaar in huis. Dit is de tijd van het jaar om er een aan te schaffen. Daarom wil ik allen die God vrezen en liefhebben, de raad geven om geen astrologische almanakken aan te schaffen, want dat is God verzoeken. Zo geeft u ruimte aan de verborgenheid der goddeloosheid.

Nu echter de vraag die voor ons ligt. Als een lid van onze gemeente astrologen zou raadplegen, zouden we geneigd zijn tot hem te zeggen: ‘Ik wil niet dat gij met de duivelen gemeenschap hebt. Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn der tafel des Heeren en der tafel der duivelen (1 Kor. 10:20,21)’

[1] Enkele jaren geleden liet Stationer’s Company voor de periode van één jaar de astrologische voorspellingen in de Almanak van Moore weg. Wat was het gevolg? Bijna alle exemplaren werden geretourneerd. Daarom namen ze het volgende jaar de voorspellingen weer op. In elk exemplaar zijn deze bedrieglijke en dwaze passages dus opgenomen.

 


Thema: Opvoeding en Jeugd

  • W. Gadsby in zijn preken over de jeugd

W. Gadsby in een preek over Psalm 116:17

overgenomen uit William Gadsby Deel 1

Is er in deze vergadering een arme zondaar die geen reden tot dankbaarheid heeft? Jonge mannen en jonge vrouwen, als je bewaard blijft op het pad van zedelijkheid en deugd, o, wat een reden tot dankbaarheid heb je dan! Je natuur is in zichzelf niet reiner dan van de jongere die door zijn verdorven leven zijn eigen graf graaft en naar alle waarschijnlijkheid verdoemd zal worden. Het is de Heere die je bewaart. Mag de Heere het je doen voelen en je leren er dankbaar voor te zijn. En als Hij je tot hiertoe bewaard heeft, mag Hij je voorzichtig maken en ootmoedig Zijn hulp doen zoeken om je ook in de toekomst te bewaren.

Ach! Er zijn sommige jongeren aanwezig die nu zitten te beven. Hun consciëntie vertelt hun dat ze schuldig zijn en ze zijn geneigd te vragen: ‘Welke reden heb ik dan om dankbaar te zijn?’ Wel, dat God je niet afsnijdt te midden van je overtredingen en dat Hij niet tegen je zegt: ‘Jonge man, jonge vrouw, je hebt je consciëntie geweld aangedaan en bent tegen je gezonde verstand ingegaan door tegen Mij te zondigen, en nu zal Ik Mijn gerechtigheid eren door je voor eeuwig te verdoemen.’ Hij heeft je nog gespaard. En heeft Hij jou gespaard en heb je daarop niets te zeggen? God verhoede dat dit zal dienen om de maat van je goddeloosheid te vervullen!

O kom, gezegende Geest, met Uw Goddelijke kracht, en breng de olie des levens in hun dode zielen, als het Uw soeverein welbehagen is. Maak hen dankbaar dat Gij hun niet gegeven hebt wat ze verdienen; en mogen ze in bekommering tot U roepen om Uw gunst en bewaring in de toekomst.

Jonge vrienden, verhard jezelf niet in de zonde. Weet dat er een tijd zal komen waarin je zonden je zullen vinden. Dan moet je naakt voor God staan, precies zoals je bent, zonder vermomming of bedekking.

 

W. Gadsby in een preek over Deuteronomium 33:23

overgenomen uit William Gadsby Deel 1

Een aantal dingen zullen opkomen om de eerste genadige indrukken van dood en eeuwigheid te temperen en zo mogelijk te smoren, en daar zal men tegen moeten worstelen. Als iemand een jongere is, zal zijn of haar vlees en de wereld tegen alles in verzet komen. Een verzoekende duivel zal zo iemand aanvallen en zeggen: ‘Kom nu toch, zo ga je een mensonwaardig bestaan leiden, zo geef je alle plezier op, zo wijs je alles af wat bij het jong-zijn hoort, zo word je een dwaas, een mikpunt van spot voor je kameraden, zo word je aangezien voor een sufferd en een groentje. Je hebt nog overvloed aan tijd vóór je liggen en je hebt veel plezierige en fijne dingen in het verschiet. Vergooi je leven niet op deze manier nu je nog jong bent, door somber en inactief te worden, terwijl je jezelf kwelt en in verwarring brengt met de godsdienst.’

Ik zeg u: de kracht van satans verzoekingen, de verlokkingen van de wereld en de verleiding van de zonde zijn zodanig, dat deze dingen de zielen van jongeren zouden verdoemen, als God het niet door Zijn genade verhoedt. Want het hart is zo gezet op het najagen van de wereld en de dingen van de wereld, dat het bedenken des vleses zal voortsnellen in plezier of datgene wat het ‘plezier’ noemt, en niet zal stoppen totdat het de ziel in de zwarte wanhoop gestort heeft! Wanneer deze verzoekingen zo de ziel overvallen na de eerste ontwakingen, zullen ze als een rem of domper werken. Ze zullen voor een tijd alles lijken uit te doven. Maar Hij Die de vonk van Goddelijk leven meedeelde, zal dat leven gaande maken in een worstelen, zuchten en roepen tot God, de levende God, en heel de hel kan die vonk niet uitblussen! Waarom niet? Omdat het leven Gods in het hart is en de Heere de Geest het daar in stand houdt, door de arme ziel te doen worstelen in een dorsten naar God!

Nu, kent u hier iets van? Laat ik mij voor enkele ogenblikken tot jullie richten, jongeren. Hoor ik iemand zeggen: ‘Och mijnheer, als ik u eens een paar geheimen zou vertellen, zou u erg schrikken!’ De arme ziel kan gereed zijn te zeggen: ‘God weet dat ik naar een schouwburg ging om van mijn ellende af te komen!’ Wel, en hoe voelde je je toen je daar was? ‘O’, zeg je, ‘voor een tijd probeerde ik me te vermaken. Maar ach, ach, al mijn vermaak veranderde in ellende en mijn innerlijke toestand werd erger dan daarvoor.’ Een ander zegt misschien: ‘Ik ging mee met mijn vrienden en we organiseerden een dansfeest. Ik dacht dat ik mijn overtuigingen kon wegdansen, maar het was allemaal tevergeefs!’ Maar hoe kwam dat dan, denk je? Omdat God met je meeging! ‘Wat’, zegt een jongere, ‘u wilt toch niet zeggen dat God naar de schouwburg en naar een dansfeest gaat? Ja, dat zeg ik wel. Wanneer iemand van Zijn gemeente daar is, zal God er ook heen gaan. Hij zal de arme ziel steeds bewaren en doen strijden, vechten en worstelen in een dorsten naar de levende God. Hij zal nooit toelaten dat zo iemand het opgeeft, maar Zijn heerlijke Majesteit zal de rijkdom van Zijn genade betonen door hem tot Zichzelf te brengen.

Ik weet enigszins waarover ik het heb. Ik herinner mij hoe mijn vleselijke gemoed de godsdienst probeerde kwijt te raken. Ik was een grote dwaas en zat zo vol grollen dat ik degene was die al mijn vrienden pret bezorgde. Ik bracht leven in hun brouwerij en het leek dat ze niet zonder mij konden. Ik herinner mij dat ik, toen ik tussen de zestien en zeventien jaar oud was, stopte met het werk dat ik deed. Maar drie van mijn collega’s kwamen naar mij toe en zeiden dat zij daar ook weg zouden gaan, tenzij ik terug zou komen. Ze wilden niet zonder mij werken, en omdat ze vastbesloten waren om mij terug te halen, was mijn vleselijke gemoed daar zo mee ingenomen dat ik terugkwam. Maar juist in die werkplaats kwam God mij tegen. O, de wonderen van genade! Al hun pogingen en inspanningen hadden toen geen zin meer. Ze konden niet uitdoven wat God in mijn ziel gelegd had. Alles waar ze mij mee confronteerden, was niet in staat mij te weerhouden God sterk achteraan te kleven en om God te strijden en te worstelen. De zondaar kan niet anders dan onder deze dingen worstelen, wanneer God aldus leven in hem geeft en wanneer het de Heere behaagt aldus Zijn genade te openbaren. Soms kan de ziel tot een punt gebracht worden waarin geen enkele zin op haar geval van toepassing lijkt te zijn en ze dus nergens iets mee kan; wanneer de zonde, de satan, de dood, het verderf en de vleselijke rede allemaal tegen haar in het geweer komen en ze zich net voelt alsof ze naar de laatste adem snakt. Dan zegt ze met een diepe zucht: ‘Heere, help mij!’ Maar de Geest zal op zulk een tijd komen, kracht en leven tevoorschijn brengen en de arme zondaar zegenen met geloof om te zien op het Lam van God. En o, wat een gezegende blik, wanneer dit het geval is!

 

  • T. Godwin over opvoeding

overgenomen uit: Gevonden door de Opperherder/ Een gezaligde zondaar door soevereine genade

Ik bad een groot verlangen om mijn kinderen op te voeden ‘in de lering en vermaning des Heeren.’ (Ef. 6:4) Ik hield hun handel en wandel zeer nauwlettend in het oog! Toch wil ik hier Gods volk iets op het hart binden. Waak ervoor dat u zelf van uw kinderen uitwendige belijders maakt, want dat is in een oogwenk gebeurd wanneer ze deugdzaam zijn. Mijn twee kinderen zouden iedere vreemde kunnen misleiden als ze over godsdienstige zaken zouden spreken, omdat ze thuis bij tijden haast over niets anders hoorden en daarom verstandelijk de waarheid goed kenden. Gods genade laat niet toe dat u uw kinderen onafgeremd en ongewaarschuwd hun eigen wegen laat bewandelen, maar ik vrees en geloof dat velen van kinds af aan godsdienstig worden grootgebracht en dat sommigen zich zelfs laten dopen en getuigen van hun geloof en bekering, en toch uiteindelijk buiten de genade en een geestelijk leven sterven. Dit is een ernstige werkelijkheid. Door genade stellen ouders echter alles in het werk om hun kinderen te brengen onder het geklank van Gods zegenrijke waarheid; hiertoe laten zij geen geoorloofd middel onbeproefd. ‘En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.’ (Ef. 6:4)

 

  • J.C. Philpot over opvoeding en zondagsschool

J.C. Philpot in een preek over Efeze 4:22-24

Onze hoop op een oogst, onze verwachtingen van de zegen Gods op onze bediening, rust voornamelijk op de jeugd en soms behaagt het de Heere door Zijn genade degenen te roepen, die de middelbare leeftijd naderen. Maar, van wat ik heb opgemerkt in mijn eigen bediening en in die van anderen, zou ik zeggen, dat het een zeldzame zaak is, dat het woord voor de eerste maal de consciëntie aangrijpt van iemand, die op vergevorderde leeftijd is. Dit is een noodzakelijk onderscheid om te maken, want de ouderdom op zichzelf is geen belemmering voor de zegening Gods over het woord. Iemand moge, in zijn jonge jaren geroepen zijnde, zijn verzonken tot grote loomheid en dodigheid van ziel en God kan Zijn werk in de ouderdom vernieuwen, want Hij heeft beloofd, dat Zijn volk ‘in de grijze ouderdom nog vrucht zullen dragen, om te verkondigen, dat de HEERE recht is’. Dit is één zaak, maar een duidelijke roeping door genade is een andere zaak.

 

J.C. Philpot in een preek over Johannes 1:11-13

De mensen in deze stad denken er weinig aan, op welk een vreselijke plaats zij verkeren,in het verwerpen van de Waarheid Gods! Welk een hel van toorn en gramschap zij over hun hoofd halen! En degenen die deze aannemen, denken weinig aan de hemel der eeuwige gelukzaligheid, welke eenmaal hun ziel zal ontvangen! Zoals degenen, die de Waarheid verwerpen weinig kennen van de golf van donkerheid, die hen zal verslinden, zo weten degenen, die de Waarheid aannemen, weinig van de hemel der gelukzaligheid, die hen zal ontvangen.

Maar hoe kwamen zij deze aan te nemen? Zij waren geboren, niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God. De Apostel deelt ons hier mede, waaruit zij niet geboren waren, en dan, waaruit zij wel geboren waren. Zij waren niet geboren uit den bloede, dat wil zeggen, zij erfden hun godsdienst niet, zij waren niet godsdienstig, omdat zij ontsproten waren aan het bloed van godsdienstige ouders, omdat het bloed van godsdienstige ouders, om zo te zeggen,in hun aderen vloeit. Het is een gezegende zaak, waar godzalige ouders een Goddelijk zaad hebben, en er zijn vele voorbeelden van, maar dat gebeurt niet altijd. Ik heb geen godvruchtige ouders gehad, tenminste niet voor de tijd, dat God mij door Zijn genade heeft geroepen: want ik hoop, dat mijn moeder in den Heere is gestorven. Dan bent u niet geboren uit den bloede. Omdat uw vader godvruchtig was, wil dat niet zeggen, dat u het bent. Er moet iets meer zijn, dan godvruchtige ouders te hebben, Kerken, het merendeel der kerken, worden gevormd uit Zondagsscholen, hoewel ik niet bedoel te spreken tegen Zondagsscholen: maar tegen het maken ervan tot kweekplaatsen van de kerk: en tegen de mensen te doen geloven, dat, omdat zij naar de Zondagsschool gaan, zij daarom op de weg naar de hemel zijn, en in deze tijd worden Zondagsscholen gemaakt tot wervingsplaats der kerken. Wij mogen wel bidden voor onze kinderen, of God hen genadig moge zijn, maar zij zullen geen aanspraak hebben op de genade Gods, omdat het den Heere heeft behaagd ons te bezoeken. Mijn kinderen zullen geen aanspraak hebben op de genade Gods, omdat het de Heere behaagd heeft mij ermede te bezoeken. Wij weten, dat een geestelijke geboorte iets beters is dan dit.

‘Noch uit de wil des vleses, ‘ hetgeen is de vrije wil, niets meer, noch minder, en de wil des vleses is alles behalve goed, of godzalig. Deze heeft er duizenden naar de hel gevoerd, en deze voert er iedere dag duizenden naar die plaats der eeuwige verschrikking, maar deze bracht nimmer een enkele ziel op de weg naar de hemel. Het vleselijk gemoed is vijandschap tegen God. Kan het dan de ziel tot Jezus leiden? U weet, dat uw vlees leidt tot alle boosheid. Er is niet een enkele zonde, die niet in uw vlees is. Er is de begeerlijkheid, hovaardij en eigengerechtigheid, en alles in het vlees, dat van God afvoert, niet tot God. Daarom bent u er goed van overtuigd, als u de geestelijke geboorte deelachtig bent, dat u niet geboren werd uit de wil des vleses. Hebt u gevoeld, dat de wil des vleses gekant is tegen de wil van God, want deze staan tegenover elkaar? Zodat indien u wedergeboren bent, u niet geboren bent uit de wil des vleses. O, welk een vijand is het vlees voor de genade en de godzaligheid. Iedere ademtocht des vleses, iedere beweging, iedere gedachte, en ieder woord, het is alles gekant tegen alle godzaligheid, zodat als u de genade deelachtig zijt, dit niet is naar, maar juist tegen het vlees.

‘Noch uit de wil des mans, ‘ hetzij goed, hetzij kwaad, zeker niet uit boze mensen. Want welk boos mens wil ooit wederom geboren worden met een geestelijke geboorte: noch uit een goed mens, want hij kan zijn wil niet ten uitvoer brengen. Wat sturen de mensen zendelingen naar alle delen van de wereld! Niet, dat ik iets tegen heb op zendingsgenootschappen, want ik geloof, dat er veel beschaving is voortgevloeid uit de arbeid van zendelingen, en zij kunnen wel een uitwendige vorm van christendom hebben medegedeeld: en het kan zijn, dat God een volk verwekt uit dat natuurlijke christendom, maar per slot bracht de wil des mensen nog nimmer een geestelijke geboorte teweeg, het is een zaak, die er geheel onderscheiden van is, even onderscheiden als God is van de mens, of de hemel is van de aarde.

Degenen, die Christus aannemen, nemen Hem aan, als zijnde uit God geboren. Hij plantte een Goddelijk beginsel in, dat hen tot een geestelijk leven bracht. O, hoe soeverein is dit, geheel in de boezem van God het te geven waar en aan wie het Hem behaagt! Ik kan wel preken, tot mijn tong aan mijn mond kleeft, evenwel kan al mijn prediken niet één ademtocht mededelen aan de ziel. Het is alles uit de Heilige Geest, waar er ook zielen worden levend- gemaakt. Het is niet mijn prediking of de prediking van enig ander mens, het moet God zijn, werkende door het gepredikte Woord, en de nieuwe mens der genade opwekkende in het binnenste. Hebt u enige reden om te geloven, dat u uit God geboren bent? Iedere andere geboorte is maar een verkeerde bevatting, begrijpt u en zal uitlopen op ellende en schande, doch een ware geboorte is een geboorte uit God, waarvan Hij de ziel is.


 

Thema: Vakantie en Vrije tijd

  • W. Gadsby deelt zijn persoonlijke ervaring

W. Gadsby in een preek over Psalm 116:17

overgenomen uit William Gadsby Deel 1

Het eerste wat ik moet doen, hoe beschamend het ook is, is mijzelf te veroordelen in aanwezigheid van u allen. Ruim een maand voordat deze voorzienigheid plaatsvond, had ik mij voorgenomen om enkele dagen in Buxton door te brengen, op ‘vakantie’, zoals we noemen. Het is waar, ik had ervaren dat de baden en de lucht van Buxton mijn arme, oude, strompelende lijf behoorlijk goedgedaan hadden, en daarom verwachtte ik weer hetzelfde. Maar hoe dan ook, ik besloot het te proberen. Daarom nam ik mij voor dat ik die week nergens heen zou gaan, wie er ook mocht schrijven en hoe dringend men mij ook mocht smeken om te komen preken. Ik wilde ontspanning en vakantie hebben, en niemand, ook zelfs geen groep mensen, zou mij ervan afbrengen. Ik was dus zo vastberaden als een mens maar zijn kan.

U weet dat ik de dag ervóór, de dag des Heeren, te Oldham was. Een vriend zou met mij meegaan naar Buxton, en ik liet het aan hem over om plaatsen te reserveren in een diligence die maandag om twee uur zou vertrekken. Ondertussen zou ik zorgen op tijd thuis te zijn om enkele dingen gereed te maken, waarna ik naar zijn huis zou komen of met hem zou afspreken bij het kantoor van de diligence. Ik kwam thuis; en echt, ik kan op dit ogenblik geen werkelijke reden zien waarom ik naar huis ging, anders dan om mijn been te breken. Het bleek dat God het zo beschikt had. Ik weet dat sommige mensen gezegd hebben dat mijn been niet gebroken was. Maar ik vind hun het niet waard dat ik mijn kruit op hen zou verschieten. Alles wat ik hierover zal zeggen is: als hun kaakbeen even erg gebroken was als mijn been, zouden ze niet meer zoveel te zeggen hebben; en daar mogen ze het mee doen.

Ik kwam dus thuis en ik ontdekte dat mijn vriend bericht had gestuurd dat er in de diligence geen plaats was. Daarom stuurde ik mijn dienstmeisje direct weg om hem te zeggen dat er een tweede diligence was die iets later zou vertrekken. Toen ze verdwenen was, zei ik: ‘Als die ook vol is, zal ik ervan uitgaan dat God niet wil dat ik ga.’ Ik ging naar boven, trok mijn jas uit, trok een andere aan, ging de tuin in en zag daar een vriend die een karweitje voor mij gedaan had. Ik vroeg hem wat het zou kosten. Ik ging het huis binnen om het geld te halen en ging toen de tuin weer in om hem te betalen. En, om kort te gaan, mijn been gleed uit en sloeg tegen de opstaande rand van het pad. Mijn hele lichaam viel erbovenop en ik hoorde mijn been breken als een stok. Ik was er nog niet eens aan toegekomen om in huis even te gaan zitten. Het was duidelijk de bedoeling van de Heere dat ik naar huis zou gaan juist om mijn been te breken. De Heere en ik waren het kennelijk eens over dit ene: dat ik vakantie zou krijgen; alleen waren we het niet eens over de plaats waar en het middel waardoor. Ik bedoelde een vakantie in Buxton, als een heer; en God bedoelde een vakantie thuis, met een gebroken been. Dat was het verschil tussen de Heere en mij. Maar tegelijkertijd is de Heere zo goedertieren geweest dat ik Hem sindsdien geloofd heb voor Zijn keus, en zeker wist dat die oneindig te verkiezen was boven mijn keus. Ik kon niet murmureren of mopperen over deze bedeling van God.

Het eerste wat in mij opkwam en wat ik tegen mezelf zei, zodra ik viel en merkte dat ik me niet meer kon bewegen, was dit: ‘God zou rechtvaardig zijn geweest als Hij je nek gebroken had.’ O’, zegt u, ‘dan moet u een goddeloos schepsel zijn.’ Ja, de Heere weet dat ik dat ben; maar ik ben een door genade gezaligde zondaar. De duivelen sidderen, de Heere is geëerd, Christus is verheerlijkt en mijn ziel is met blijdschap vervuld.

‘Maar waarom dacht u dan dat het rechtvaardig was geweest als de Heere uw nek gebroken had?’ Wel, ik zal het u zeggen. Ik begon direct te bedenken dat mijn voorgenomen reis naar Buxton mijn eigen zaakje was; ik had God helemaal niet om toestemming gevraagd. Ik had Hem wat dit betreft helemaal niet om raad gevraagd in het gebed, of in elk geval maar heel weinig. Daarom was de Heere vastbesloten mij te doen weten dat Hij mij teveel liefhad om toe te laten dat mijn hoogmoed mij wáár dan ook heen zou voeren zonder de leiding des Heeren. En o, wat een barmhartigheid is het wanneer God ons onze eigen goddeloosheid laat voelen, wanneer wij Hem in het gebed gezocht hebben, en wanneer Hij ons tegelijkertijd Zijn tedere ontferming jegens ons laat voelen.

Welnu, het behaagde Zijn gezegende Majesteit genadig om mij die zoete tekst in gedachten te brengen nadat ik op bed was gelegd: ‘De goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid’ (Ps. 103:17). Nooit zag en nooit voelde ik meer heerlijkheid in de goedertierenheid des Heeren in mijn leven. Zijn goedertierenheid, in de plechtige openbaring van Zijn liefde in een verbond der genade, in de Goddelijke werkingen van de Heilige Geest, werd op zo’n heerlijke wijze voor mijn ziel opengelegd, dat ik voelde hoe ik mijzelf zoet en plechtig overgaf en baadde in de vloed van de liefde en het bloed van de Godmens-Middelaar, Christus Jezus. Geen mineraalwater, geen lucht van Buxton kon die heerlijke, die hemelse wateren, die Goddelijke zachte winden evenaren, toen Gods Geest mij vervulde met liefde en onuitsprekelijke vreugde, onder een gevoelig besef van de goedertierenheid, de verzoening en de eeuwige liefde van onze Verbondsgod.

Na enige tijd werd ik enigszins neerslachtig, en ik begon te beven en mij af te vragen waar dit zou eindigen. Ten slotte leek al mijn aandacht in beslag genomen door Hebreeën 12:11: ‘En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn.’ De tekst bleef in mijn gedachten, vooral deze woorden: ‘Doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid.’ ‘Wel’, zei ik, ‘er zijn tienduizenden mensen die op verschillende manieren gekastijd worden. Ze verliezen hun bezittingen, ze verliezen hun lichamelijke kracht. Ze worden in allerlei verschillende beproevingen gebracht en toch komen er geen vruchten der gerechtigheid uit voort.’

Maar toen kreeg ik deze gedachte: ‘Het is Gods volk dat in dit vers bedoeld wordt.’ ‘Wel, dat is zo’, zei ik, ‘maar ik kan het niet laten te hopen dat ik een kind van God ben. Toch ben ik zelf ook op allerlei manieren verdrukt, terwijl het geen vreedzame vruchten der gerechtigheid in mij voortgebracht heeft.’ Ik begon bij huis en herinnerde mij een aantal gevallen waarin ik verdrukt was geweest naar het lichaam en in mijn omstandigheden, maar ik kon geen enkele vreedzame vruchten der gerechtigheid bedenken die daaruit voortgekomen waren. Ook herinnerde ik mij dat het precies hetzelfde was met anderen van Gods volk, behalve ik. Zij waren precies zo uit de verdrukking gekomen als ze erin gegaan waren. Als er íets voortgebracht is, was het enige opstand van het hart tegen God, maar geen vreedzame vruchten der gerechtigheid. Toch zegt de tekst, zonder enige dubbelzinnigheid, dat de verdrukking daarna de vreedzame vruchten der gerechtigheid van zich zal geven.

‘Hoe zit het, Heere? Moet er plechtige, zoete vreugde zijn, of betekent het dat degenen die verdrukt worden terwijl hun daarna geen vreedzame vruchten der gerechtigheid gegeven worden, bedriegers zijn?’ Ik bad en riep en bad en riep opnieuw, dat God in Zijn barmhartigheid dit gedeelte voor mijn ziel zou openleggen en mij daarin zou inleiden. Ik onderzocht andere Schriftgedeelten om te zien of ik de sleutel kon vinden. Ik vond enkele verzen die mij bijna evenzeer verbijsterden als dat andere vers: ‘Welgelukzalig is de man … dien Gij tuchtigt’ (Ps. 94:12). ‘Wel’, zei ik, ‘dit lijkt net zo positief als dat andere. Hoe zit het toch?’

Ik geloof dat de Heere uiteindelijk plechtig in mijn arme hart inbrak, mij enigszins inleidde in de verborgenheid van de tekst en mij liet voelen dat de kern grotendeels in de laatste vier woorden ligt: ‘…door dezelve geoefend zijn.’ ‘Heere, nu zie ik het!’ We kunnen verdrukking ervaren, maar geen tuchtiging; we kunnen verdrukking ervaren en er toch niet door geoefend worden. We kunnen zijn als een jongen die een klein vuursteengeweer pakt en soldatenkleding aantrekt; maar na een poosje trekt hij die weer uit en is hij niets opgeschoten. Hij is niet gedrild; hij is niet getraind; en daarom is hij niets opgeschoten. Zo is het ook met degenen die verdrukt worden. Ik werd ertoe geleid om voor mijzelf te zien dat de Heere soms verdrukkingen van verschillende aard over ons laat komen, en wij dragen ze net zoals iemand soldatenkleding kan dragen; we worden niet gedrild of getraind. We leren er geen tuchtiging door, en daarom laten ze ons hard, zorgeloos, koud en dwaas achter, precies zoals ze ons aantroffen. Er vindt geen oefening plaats.

Toen werd ik iets verder geleid en op dat ogenblik had ik een plechtig gevoel. Er is geen werkelijke vrucht der gerechtigheid zonder geestelijke oefening, en er is geen geestelijke oefening tenzij God de Oefenaar is. U mag ervan denken wat u wilt, maar ik werd geleid tot het gevoel dat God Zich verwaardigt om de Opperbevelhebber te zijn, Die verdrukkingen gebiedt en ze bestuurt en ze regeert, en Zijn volk daardoor oefent. Ik vond het mooi om Hem te vergelijken met een sergeant, Die ons telkens opnieuw drilt, totdat wij goede en gehoorzame soldaten geworden zijn, die rechtop marcheren. Wanneer Zijn gezegende Majesteit ons riep en onze eigen verdorven natuur protesteerde, besteedde Hij geen aandacht aan ons kermen, maar ging door om ons uit onszelf naar Hemzelf te jagen. Wanneer dit het geval is, is er de vreedzame vrucht der gerechtigheid. Zonder die oefening, terwijl de Heere Zelf erin, ermee en erdoor werkt, zullen er waarlijk geen ware vruchten der gerechtigheid voortgebracht worden. Maar wanneer dat het geval is, rekent het af met ons zelfvertrouwen en onze hoop op onszelf, opent het de verborgenheden van het kruis van Christus en brengt het onze ziel tot een plechtig, zoet en gezegend diep gevoel van de Heere onze God. De vruchten van de liefde en het bloed van Christus verschijnen in de ziel, en wij aanbidden God voor de verdrukking.

Ik spreek wat ik weet en ik vertel iets over de liefde en waarheid van God voor een arme, omkomende zondaar, zoals ikzelf.

Welnu, na een zoete en plechtige genieting van deze waarheid, bleken mijn troostvolle gevoelens te verdwijnen. Ik kreeg te maken met het een of ander wat mij dwarszat, wat ik niet kan noemen. Dit werkte in op mijn natuur en ik begon weer te schoppen en te rebelleren. O broeders, als God ons niet zou oefenen, zouden we ons uiteindelijk nog de hel in schoppen. Wat een barmhartigheid is het die Hij geboden heeft, nietwaar? Wat een barmhartigheid dat Hij onze arme natuur niet aan zichzelf overlaat! Tijdens deze opwelling van rebellie en achteruitslaan tegen Gods bedeling, behaagde het de Heere mij deze tekst met kracht te binnen te brengen: ‘Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan’ (Hand. 9:5). Ik voelde het; ik viel eronder; en met plechtige vrijmoedigheid zei ik: ‘Ach Heere, het is hard om de verzenen tegen de prikkels te slaan, vooral met een gebroken been!’ Daar lag ik dan. Eerst sloeg ik achteruit tegen de Heere en Hij maakte duidelijk dat ik tegen de prikkels achteruitsloeg. Maar het behaagde Zijn gezegende Majesteit genadig om een hemelse kalmte en rust in mijn ziel te brengen, en ik werd opnieuw ingeleid in de zoete en gezegende genieting van de verborgenheden van het kruis van Christus.

‘Ach’, zegt u, ‘ik zou niet zo’n dwaas zijn die steeds weer verandert.’ Maar u bent nog nooit op de proef gesteld. Praat er niet over. Laat iemand er maar toe gebracht worden dit te voelen, dan zal hij weten dat hij dit alleen kan genieten naarmate de Geest hem gegeven wordt; geen greintje meer. Het komt van de Heere, en de Heere moet de eer krijgen.

Wel, daarna kwam ik in zo’n dode, koude gemoedsgestalte terecht dat ik tegen mezelf zei: ‘Ik hoop dat niemand van mijn gemeente mij zal komen bezoeken.’ Elke keer dat ik de bel hoorde, was ik blij dat het een bedelaar was, en niet iemand van u om mij te toetsen en te onderzoeken. Want ik voelde mij zo’n arme ellendeling dat ik niets anders kon zeggen dan wat tot mijn eigen oneer en uw ontzetting zou zijn.

Maar, om alles in enkele woorden samen te vatten: na al deze veranderingen leef ik nog als een monument van Gods barmhartigheid; en nu verklaar ik plechtig dat ik ertoe gebracht ben God te aanbidden voor deze omstandigheden. Ik geloof dat de Heere het een of ander wat ik anders gedaan zou hebben, voorkomen heeft. Ik weet niet wat, maar misschien zou ik nog meer oud vuil verzameld hebben. De Heere is mij voorgekomen en heeft mij gebracht tot een zoete en plechtige genieting van de verborgenheden van Gods liefde om mij tot de zaligheid te brengen, en heeft mij doen smaken van de genade, de vrije genade van God. Elk beginsel dat de zaligheid voorwaardelijk wil maken in de mens, haat ik zoals ik de duivel haat. Want God, in de rijkdom van Zijn genade, heeft mij ertoe gebracht zo plechtig te voelen dat het alles een rijke, dierbare stortvloed is uit de liefde van God.

Mag de Heere u en mij zegenen met de olie der vreugde, opdat wij God dankbaar zullen zijn voor Zijn goedertierenheden jegens ons tot op deze dag toe. Amen.

**********

J.C. Philpot beantwoordt vragen over vrije tijd

overgenomen uit Afscheiding en Raadgevingen

32. Is het spelen van biljart geoorloofd?

Geachte heer, vaak is mij gevraagd u te verzoeken iets te schrijven over het biljartspel. Is het onschadelijk als een belijdend lid dit spel doet, wanneer hij niet om geld speelt? Een trouwe lezer en liefhebber van de zuivere waarheid, R.L.

Antwoord
De zaak zou waarschijnlijk onmiddellijk beslist zijn als we een ogenblik te rade zouden gaan bij een consciëntie die teerhartig gemaakt is in de vreze Gods. Godsvrucht moet een afkeer hebben van alle behendigheidsspelen en kansspelen. ‘Want het is ons genoeg dat wij den voorgaande tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben’ (1 Petr. 4:3). Toen hebben we onze kostelijke tijd – die niet van ons is en niet meer teruggehaald kan worden – besteed, of beter gezegd verspild, aan zulke jammerlijke genoegens. Hoe kan iemand die de ballen over de biljarttafel stoot, vervuld zijn met godzalige matigheid, heilige ernst of geheiligde godsvrucht? Zou een godvrezende man willen sterven met een biljartkeu in zijn hand of willen overlijden aan een hartaanval, als hij juist met de bok de ivoren bal heeft aangedreven? Zou u graag willen zien dat uw predikant op zaterdagavond gaat biljarten, zijn behendigheid en vaardigheid bejubelt en deze ontspannende avond afsluit met een lichte maaltijd en een glas brandewijn en water? Zou het niet beter zijn als hij op zijn studeerkamer zat en de Bijbel las of heen en weer liep en de Heere smeekte om hem een tekst te geven? Zo niet, zou u willen dat een lid van uw gemeente of een christelijke vriend zich zo aanstelde en schande bracht over de zaak van de waarheid? Een christen kan niet te voorzichtig zijn in zijn handel en wandel. Hij moet niet alleen het kwaad, maar ook de schijn des kwaads mijden en proberen God in alles te verheerlijken in zijn lichaam en geest, die de Zijne zijn.

We voelen ons bijna genoodzaakt om ons bij onze lezers te verontschuldigen voor het behandelen van zo’n onderwerp. De vraag is ons echter gesteld en we dachten dat een stellig antwoord mogelijk als waarschuwing kon dienen voor mensen die onverwacht in dit kwaad verstrikt zouden kunnen raken. We meenden dat enkele bekende voorbeelden veel relevanter en overtuigender zouden zijn dan een uitvoerig betoog.

74. Mogen wij deelnemen aan ijdele gesprekken?

Geachte heer, de hemelsgezinde Mr. Janeway, die tweehonderd jaar geleden leefde, wilde duidelijk maken hoe ijdel de dagelijkse gesprekken van christenen zijn. Stilzwijgend noteerde hij enige tijd in steno het gesprek dat zij in zijn tegenwoordigheid voerden. Daarna las hij zijn verslag voor. Hij vroeg of ze zouden willen dat God hun woorden in Zijn boek zou opschrijven, en of ze niet wisten dat ze op de dag des oordeels van ieder ijdel woord rekenschap moesten geven. Dit onderwerp houdt mij soms erg bezig. U zou mij daarom een dienst bewijzen als u, tot stichting van mijzelf en van anderen, zou willen aangeven in hoeverre en in welke zin de volgende woorden op het gedrag van Gods kinderen betrekking hebben en dat moeten beïnvloeden. Wilt u daarbij vooral letten op de betekenis van de woorden uit Matthéüs 12:37: ‘Uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden’? ‘Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels. Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden’ (Matth. 12:36-37).

Tot slot smeek ik u niet te denken dat ik voor mijn rechtvaardigmaking voor God mijn vertrouwen stel op iets buiten het bloed en de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus, of dat ik geloof en werken vermeng, hoewel ze niet van elkaar te scheiden zijn. Als de boom goed is, zullen de vruchten immers ook goed zijn.

Moge de Heere bij de voortduur uw arbeid zegenen, zodat in u meer en meer de woorden van de apostel Paulus aan Titus vervuld zullen worden: ‘Betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid, het woord gezond, en onverwerpelijk’ (Tit. 2:7-8).
W.P.

Antwoord
We zijn persoonlijk vaak bedroefd en gekrenkt geweest door de luchtige, ijdele en vleselijke gesprekken van sommigen die Gods genade belijden, terwijl wij niet durven te zeggen dat ze daar vreemdeling van zijn. De wortel van deze ijdele gesprekken ligt diep in het vleselijk gemoed verscholen. Als de vreze des Heeren niet in levende beoefening is, komen zulke gesprekken op als een netel bij de heg of onkruid op de akker die niet gewied is. Nodig is dat Gods bijzondere genade een wacht zet voor de deuren van onze lippen. We kunnen beter zwijgen dan onze consciëntie verwonden en Gods kinderen bedroeven en ergeren, door de dwaasheid van ons vleselijk gemoed uit onze lippen te laten sijpelen en druppen.

De vraag die de briefschrijver gesteld heeft, gaat echter meer over de volgende woorden van de Heere: ‘Uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.’ Het antwoord op deze vraag bestrijkt een uitgebreid terrein. Het gaat namelijk niet alleen over woorden, maar ook over daden en niet alleen over sommige, maar over alle mensen. We geloven dat er een rechtvaardiging en een veroordeling is uit woorden en werken. Dit komt duidelijk openbaar in de gelijkenis van de schapen en de bokken (Matth. 25:31-46). De Zoon des mensen zal zitten op de troon Zijner heerlijkheid en voor Hem zullen alle volken vergaderd worden. Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt. Over beide groepen zal een oordeel uitgesproken worden, maar op welke gronden? Werken. Welke werken? De werken van geloof en liefde die de schapen hebben verricht, maar de bokken niet. In die dag zal openbaar komen dat alleen Gods volk ooit goede werken heeft kunnen doen en dat het die ook daadwerkelijk hééft verricht. Op dezelfde manier en dezelfde gronden wordt van hun woorden rekenschap gegeven. Zowel door de woorden als door de werken van het geloof worden ze openlijk gerechtvaardigd. Woorden en werken geven even duidelijk blijk van het geloof waaruit ze voortvloeien. De gebeden, lofzangen en geestelijke gesprekken van de heiligen worden nu veracht, maar zullen dan openlijk erkend worden als vruchten van het geloof.

Op dezelfde manier zullen de ijdele woorden van de goddelozen tegen hen getuigen. Is dit alles niet volmaakt rechtvaardig en goed? Zou de Heere op die dag niet de lippen erkennen die Hem geprezen hebben, goed van Zijn Naam gesproken hebben en Hem beleden hebben voor de mensen? Zou Hij niet rechtvaardig de lippen veroordelen die Hem bespot hebben en alleen in dienst van de zonde en de satan bewogen hebben? We weten heel goed dat de rechtvaardigmaking rust op een voortreffelijker fundament, op het bloed en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus. Er is echter ook een rechtvaardiging voor de vergaderde wereldbevolking, als duidelijk geopenbaard zal worden dat alleen de rechtvaardigen ooit goede werken gedaan hebben, want alleen zij hebben ze gedaan uit de juiste motieven, met de juiste beweegredenen en de juiste doelen. Alleen zij hebben goede woorden gesproken, want niemand anders heeft onder invloed van de Geest gesproken tot welzijn van Christus’ volk en tot Gods eer. We denken dat de tekst, door deze verklaring, een geestelijke betekenis krijgt en met geen enkele evangelische waarheid in strijd is.


 

Thema: Vrouwenstemrecht

  • J.C. Philpot beantwoordt vragen over het Vrouwenstemrecht

overgenomen uit Afscheiding en Raadgevingen

58. Mag een vrouw in de gemeente meestemmen?

Geachte uitgever, er is een meningsverschil ontstaan tussen enerzijds de predikant en sommige gemeenteleden, en anderzijds de diakenen en andere gemeenteleden, over de vraag of een vrouw een stem heeft – dus mag meestemmen – in kerkelijke aangelegenheden. We hebben besloten u te vragen ons een beslissend antwoord te geven in het volgende nummer van de Gospel Standard. U zou de diakenen en de vrienden van bovengenoemde gemeente daarmee een grote dienst bewijzen. Uw dienstwillige dienaar, F.F.

Antwoord
We zijn verbaasd dat er enige twijfel bestaat of vrouwelijke leden stemrecht hebben in kerkelijke aangelegenheden. Het is waar dat de Schrift hier niet zo duidelijk over spreekt, maar de algemene analogie van het geloof vordert het.

Een Evangeliegemeente wordt het lichaam van Christus genoemd (1 Kor. 12:27). Alle leden hebben hetzelfde belang bij het algemeen welbevinden van het lichaam, net als bij het menselijk lichaam. Als we de vrouwelijke leden zo’n belangrijk recht als het stemrecht ontzeggen, zou dat gelijkstaan aan de verlamming van meer dan de helft van de leden van het lichaam. Ons wordt uitdrukkelijk verzekerd dat in Jezus Christus noch man noch vrouw is (Gal. 3:28). Dat betekent dat in Gods gemeente geen onderscheid gemaakt wordt naar geslacht, leeftijd of stand. Hebben de vrouwelijke leden geen zielen die niet alleen gered en geheiligd, maar ook gezegend en gevoed moeten worden? Hebben ze niet vaak meer ondervinding van en dieper inzicht in Goddelijke zaken dan mannen? Zijn ze doorgaans niet in de meerderheid in de gemeente? Zijn ze niet vaak de meest achtenswaardige en beginselvaste leden? Kunnen ze niet even goed oordelen over goed en kwaad? Zou het stroken met de vrijheid en gelijkheid die in een gemeente van God gevonden moeten worden, dat de vrouwelijke leden niet meer stem hebben in de belangrijkste zaken die aan de orde komen, dan de stoelen waarop ze zitten?

Met wijze bedoelingen en omdat dit het meest eerbaar is, is het vrouwen verboden te spreken in de gemeenten (1 Kor. 14:34). Ieder weldenkend mens kan immers inzien dat het niet zou passen bij de vrouwelijke bescheidenheid als een vrouw naar voren komt en mannen toespreekt. Er is echter een groot verschil tussen stemmen en spreken. Onze hand opsteken of kalm onze stem uitspreken voor of tegen een maatregel die het algemene welzijn van het hele lichaam kan beïnvloeden, is iets heel anders dan opstaan en een toespraak houden. Het laatste zou een schending zijn van de belangrijkste principes van eerbaarheid, die zowel de natuur als de genade ons leren. Het eerste is de uitoefening van een belangrijk voorrecht. Als we vrouwen stemrecht ontzeggen, ontnemen we aan hen hun onbetwiste Schriftuurlijke recht en onmiskenbare voorrecht.

88. Mogen vrouwen stemmen in de gemeente?

Geachte heer, is het in overeenstemming met de kerkorde die door de apostelen in de Schriften der waarheid is ingesteld, om vrouwen te laten stemmen in de gemeente? Maken zij dan geen gebruik van een recht dat de apostel hun heeft ontzegd in 1 Korinthe 14:34-35 en 1 Timótheüs 2:11-12?

Antwoord
Vrouwen toestemming verlenen om te stemmen, is in onze ogen op geen enkele wijze in strijd met de orde in de gemeente, die door de apostelen is ingesteld. In zulke gevallen, waar duidelijke aanwijzingen ontbreken, moeten we ons laten leiden door de analogie van het geloof, en die schijnt niet met deze praktijk in strijd te zijn. Laten we dit aan deze regel toetsen:

Het is vrouwen niet toegestaan in de gemeente te spreken, omdat dit hen in een vooraanstaande positie plaatst, die niet past bij de natuurlijke bescheidenheid en teruggetrokkenheid van het vrouwelijk geslacht. Het heeft dezelfde reden als de bedekking van het hoofd tijdens de eredienst. Vrouwen moeten in de openbare eredienst hun hoofd bedekken, omdat de tegenovergestelde praktijk onbetamelijk en onnatuurlijk zou zijn: ‘Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk dat de vrouw ongedekt God bidt? Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is; maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is? Omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven’ (1 Kor. 11:13-15).

Als we dus argumenteren op basis van analogie, is het onbetamelijk en onnatuurlijk dat een vrouw de bescheidenheid en het stilzwijgen die het vrouwelijk geslacht sieren, vergeet en haar stem laat horen in de gemeente, dat ze zich de rol van een leraar aanmeet of zelfs deelneemt aan de twistgesprekken die zo vaak ontstaan. Mannen hebben doorgaans hun gevoelens, zo niet hun tong, beter in bedwang dan vrouwen. Waar of niet, iedereen moet wel onmiddellijk inzien hoe onbetamelijk de gebiedende stem van een vrouwelijke leraar of de schelle toon van een strijdlustige vrouw in de gemeente zouden zijn. We zien dus zowel in de natuur als in de genade voldoende reden waarom vrouwen bescheiden en stil moeten zijn.

Het is echter in geen enkel opzicht onbetamelijk of ongepast als een vrouw in stilte haar stem uitbrengt. Er is niets ongepasts, niet wat in strijd is met de natuur of de genade, in het opsteken van de hand in bescheidenheid en stilte, als dat wordt verzocht.

Wat een toestand zou het zijn als vrouwen uitgesloten waren van stemrecht in kerkelijke aangelegenheden. Stelt u zich voor dat de gemeente vacant is geworden en een predikant ter goedkeuring aan de gemeente wordt voorgedragen. Zullen vrouwen geen stem hebben in deze uiterst belangrijke zaak? Hun ziel moet toch evenals die van de mannen gevoed worden of honger lijden?

Vrouwen vormen gewoonlijk het grootste en soms ook het beste deel van de gemeente. Sommigen zijn moeders in Israël, geoefende vrouwen met een goed inzicht, veel beter in staat om hierover een beslissing te nemen dan sommigen van de jongere manslidmaten, die zich vaak gemakkelijker laten overreden door gaven en talenten en meer letten op het woord dan op de kracht. Moeten weinigen met een kleine meerderheid dan de bevinding en het inzicht van deze begenadigde, geoefende vrouwen negeren en een predikant over hen stellen die hun ziel zal bedroeven? Maar laten we de proef op de som nemen. Stelt u zich voor dat een gemeente uit 100 leden bestaat. Dan kunnen we er gerust van uitgaan dat er niet minder dan 60 vrouwen zijn. Dan zijn er nog 40 mannen om over deze belangrijke kwestie te beslissen. Van deze mannen zijn 10 of 15 mannen tegen het voorstel en de overige 30 of 25 stemmen ermee in. Het voorstel wordt dus aangenomen. Zo hebben 25 personen, van wie sommigen nog jongens zijn, een herder verkozen voor een gemeente van 100 leden en een predikant voor een bijeenkomst van 500 hoorders. Hetzelfde argument geldt voor het lidmaatschap van de gemeente. Het inzicht, de kennis, de ervaring, de onderscheidingsgave en de trouw van wellicht de meest gerespecteerde leden wordt volledig genegeerd en telt niet mee als vrouwen niet mogen stemmen. Zij hebben niets te zeggen over de belangrijke kwestie wie samen met hen tot de gemeente behoren en wie wel of niet geschikt is voor het lidmaatschap. Zo maken we hen tot een nul. Als we consequent zijn, is de volgende stap dat ze helemaal niet meer bij bijeenkomsten aanwezig mogen zijn, en dat ze in aangelegenheden betreffende de gemeente niets méér in te brengen hebben dan wanneer ze zitplaatsen en kussens waren, in plaats van levende leden van Christus’ geestelijke lichaam.

We staan heel afwijzend tegenover het spreken van vrouwen in de gemeente, omdat dit uitdrukkelijk verboden is in Gods Woord. Zelfs in dat verbod zien we echter geen enkel bezwaar tegen het verzoek van een vrouw aan een mannelijk lid om uit te spreken wat zij graag aan de gemeente wil doorgeven. Stel dat een vrouwelijk lid weet dat een doopkandidaat zich ongerijmd heeft gedragen. Mag zij dit niet kenbaar maken via een diaken of een manslidmaat van de gemeente? Of stel dat er bijna een verkeerd besluit genomen wordt over een belangrijke kwestie, op grond van een misvatting die door een woord van een vrouwelijk lid opgehelderd of weggenomen kan worden. Mag zij dat dan niet in het verborgen tegen een diaken zeggen, om het de gemeente bekend te maken? Mag zij dit, op verzoek, niet rustig en bescheiden uitleggen? Zwijgplicht, die uiteindelijk eerder een verbod is om te preken dan om te spreken, kan dus niet verabsoluteerd worden. Er kan namelijk een tijd zijn om te spreken en om te zwijgen, want het zou heel verkeerd zijn om te zwijgen als de eer van de Heere en de vrede en het welzijn van de gemeente op het spel staan.