Dode belijder

Strict Baptists halen in hun preken en verhandelingen thema’s aan. Op deze pagina kunt u lezen wat J.C. Philpot in zijn preken aanhaalt over De dode belijder.


 

J.C. Philpot in zijn preken over De dode belijder

J.C. Philpot in een preek over Efeze 1:19-20

Het geloof, dat rust, zolang het niet gelooft in, en rust op de Zone Gods in Zijn volbrachte werk, en zolang het Hem niet aangrijpt, zal niet het werk des geloofs zijn, dat God zal erkennen en bekronen met Zijn goedkeuring. De liefde, die nimmer arbeidt in te dringen in de verborgenheden Zijner stervende liefde, zal worden bevonden meer een liefde met mond en tong, dan in hart en leven te zijn. En de hoop, die ankert in iets, dat ten achterblijft bij het volbrachte werk des Zoons van God, zal een broze kabel zijn, die zal afknappen, of een stuk ijzer, dat vergaan is, en dat zal breken bij de eerste zware storm. Rust niet op de kennis van een paar leerstukken in de letter der Waarheid. Ga niet op in een paar voorbijgaande gedachten en gevoelens. Wees niet voldaan met een paar vluchtige overtuigingen of enkele kortstondige verlangens. Jaag ernaar de gezegende verborgenheden van het Evangelie te kennen, als het voedsel uwer ziel. Spoed u om de Zone Gods te leren kennen, niet slechts als een Gekruisigde, niet alleen maar als bloed zwetende in de hof van Gethsémané, en gekweld wordende aan het kruis van Calvarië, maar jaag ernaar Hem te leren kennen, als de verhoogde Godmens Middelaar aan de rechterhand des Vaders, altijd levende om tussentreding te doen, bekwaam om op het allerhoogst veronachtzamen, negeren en verwaarlozen.

 

J.C. Philpot in een preek over 1 Johannes 5:7-8

‘Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn één. En drie zijn er die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één.’

De Vader is God. Want hoe kunnen wij tot Hem bidden, Hem onze zonden belijden, Zijn grote Naam vrezen, Hem begeren te dienen, vrezen Hem te krenken, tenzij wij een levend getuigenis met ons omdragen, dat Hij is de grote en heerlijke JEHOVAH, Die iedere gedachte nauwkeurig onderzoekt, ieder woord hoort, en bekend is met ieder werk. Juist dit is het fundament der godsdienst, de grond der levende godzaligheid, het begin van de godsdienst: de kennis van de enige ware God, de grote en heerlijke JEHOVAH, met de werken van Wiens reusachtige hand wij omringd zijn aan alle zijden.

Wel, de mens die dood is in zijn zonden, of in een ijdele belijdenis der godsdienst, heeft geen kennis van deze enige waarachtige God, geen heilige eerbied jegens of vreze Gods voor de heilige Majesteit des hemels, en ook draagt hij in zijn boezem niet de bewustheid om, dat God nederziet, en iedere gedachte zijns harten leest, ieder woord zijner tong hoort, en bekend is met ieder werk zijner handen. Ook is hij zich niet bewust, dat hij gedurig zondigende is tegen Hem. Hij heeft geen gevoel Zijner vreselijke Majesteit, geen begrip van Zijn hartdoorzoekende tegenwoordigheid, geen begeerte voor Hem te wandelen in het licht Zijns aanschijns, noch enige vrees, dat hij tegen Hem zou zondigen, noch heeft hij enig besef van zijn terecht verdiend oordeel. Maar genade brengt deze dingen in eens mensen hart, en deelt dat leven Gods mede , waardoor deze voorname waarheden worden gevoeld en ondervonden.

……

De drie getuigen uit onze tekst, de geest, het water en het bloed, kan men vinden in het hart van de gelovigen waar zij getuigenis geven. In de eerste plaats is er de geest. Onder de geest hier versta ik niet de Heilige Geest, omdat, als ik dat doen zou, ik de getuigen der aarde zou verwarren met de hemelse. Maar onder de geest versta ik die nieuwe natuur, waarvan de Heilige Geest de Schepper en Werker is. Zoals wij lezen in Christus’ eigen woorden: ‘hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees: en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest.’ (Joh. 3:6). De geest hier is dan ook niet de Heilige Geest als een onderscheiden Persoon in de heerlijke Drie-eenheid, maar die nieuwe natuur, welke de Apostel Petrus noemt ‘de Goddelijke natuur’ (2 Petr. 1:4), en voorts: ‘de nieuwe mens,’ welke is geboren uit God, is opgewekt door de kracht des Heiligen Geestes, en zetelt in het hart van een mens. Deze geest is dus die nieuwe mens der genade, die de Heilige Geest voortbrengt door Zijn eigen almachtige kracht, en opricht in het hart van een kind van God, en waarop Hij Zijn heilige invloeden teweegbrengt.

Hier is het onderscheid tussen de belijder of goddeloze en de uit God geboren heilige. De belijder of goddeloze moge een verlicht verstand hebben, lid zijn van een Evangeliekerk, vele dingen doen, die een heilige Gods doet, en evenwel in alle opzichten ontbloot zijn van die geest, die de Heilige Geest verwekt in het hart van een gelovige. Maar het kind van God – de ziel, die de hemelse geboorte heeft ondervonden – draagt in zijn boezem een beginsel om, dat niet zondigt: want die uit God geboren is zondigt niet (1 Joh. 5:18). Hij draagt in zijn boezem om een rein, heilig, en geestelijk beginsel, dat niet wordt besmet door de begeerlijkheid des vleses. Hoewel het erdoor wordt omringd, wordt het geen nadeel aangedaan.

Een zus van mij verloor eens een diamanten ring onder enige aardbeienplanten, en hoewel zij toen erg nauwlettend keek, kon ze hem niet vinden. Een jaar later ging zij naar de aardbeienplanten en vond deze diamanten ring onaangetast, en even schitterend, als op de dag, dat deze daar viel. Zo ook uit een geestelijk oogpunt, met de geest, die u in uw boezem omdraagt, hoewel deze wordt overstelpt en is overdekt met al het vreselijke vuil en de walgelijkheid van uw gemene en verdorven natuur, nochtans schittert deze als de diamant op de mesthoop. Het kan wel voor onze ogen verborgen zijn, het kan zijn, dat u niet in staat bent de luister ervan op te merken. U kunt niet zien, hoe deze schittert; maar breng hem te voorschijn, laat de zon erop schijnen, en u zult opmerken hoe deze haar kleuren uitstraalt, gelijk de regenboog in de stralen van de zon.

Bent u niet verbaasd geworden, dat de afschuwelijkste gevoelens in uw boezem hebben gewerkt? Bent u bij ogenblikken niet verbaasd geweest te denken, dat u zo gemeen zou zijn geweest? Maar op andere ogenblikken zijn er heilige begeerten en hemelse hunkeringen geweest, en met al uw gemeenheid is die geest, welke de Heere heeft geschonken, niet verontreinigd. Hier wordt het kind van God vaak misleid. Hij meent, dat hij iedere dag, dat hij leeft al reiner, al heiliger zal worden, en dat hij na een poos geen begeerlijkheden, geen gemene gedachten, geen onreine inbeeldingen zal hebben, maar langzamerhand zal worden geheiligd tot reinheid en heiligheid. In plaats hiervan ondervindt hij, dat de zonde meer aan ooit in hem werkt, en dat zijn begeerlijkheden en hartstochten zijn ziel altijd in de onreinheid en goddeloosheid storten. Maar na een tijd behaagt het de Heere hem te tonen, dat er een nieuwe natuur is – een nieuwe mens der genade in zijn boezem – en dat de één geen gemeenschap heeft met de ander, en hij begint te gevoelen, dat hij die nieuwe natuur bezit aan de vruchten en uitwerkingen, die deze voortbrengt.

……..

Zie nu uw bevinding. Wat heeft de Heere gedaan voor uw ziel? Is er daar enige strijd? Is er daar enige beweging van het werk der genade? Is de Heere daar in de aanvang, het midden of einde van Zijn werk? Wat is God nu voor u doende? Hoe vormt het geheel één harmonieuze keten? Hoe is daar een vermengen van het bloed met het water en de geest? Vanwaar krijgt u uw sterkte en gerechtigheid? Vanwaar krijgt u uw kracht? Vanwaar anders dan van boven?

En spreken niet de geest, het water en het bloed van de heerlijkheid Gods, van de genade van de Heere Jezus Christus, en van de gemeenschap des Heiligen Geestes? Dan zult ü ondervinden, dat deze Drie Eén zijn. En dit is hetgeen een wezenlijke vereniging geeft in de kinderen Gods. Meteen herkennen zij elkaar. Bij ogenblikken zal het fonkelen der ogen, slechts een woord, een enkele uitdrukking een vereniging tot stand brengen, en dit alles omdat, zoals wanneer twee druppels regen langs een ruit lopen, zij zich verenigen en één worden, zodra ze beneden zijn, zo de bevinding der heiligen Gods met elkaar overeenstemmen. Als zij worden bijeengebracht, smelten zij inéén, omdat de geest dezelfde is, en dit is het fundament van alle geestelijke vereniging.

Een kind van God en een dode belijder kunt u niet bijeenbrengen. U kunt even gauw, was ik van plan te zeggen, Christus en belial bijeenbrengen, als een ware heilige Gods en een belijder. Maar de ware heiligen Gods kunnen worden samengebracht, omdat ze worden geleerd door dezelfde Geest, leven onder dezelfde invloeden, en worden gewassen door hetzelfde bloed: en deze drie getuigen zijn één. Dit is het fundament van alle éénheid en gemeenschap, van alle kerkgemeenschap, en van al het samenwandelen in een zoet gezelschap.

Vrienden, dit zijn de dingen, die wij moeten kennen door de onderwijzing Gods. Wij mogen geloven, dat wij gezonde trinitariërs zijn. Dat is niet genoeg. God moet ons gezonde trinitariërs maken door een drieëenheid in ons te vormen. Hier is het als het werk der Drieëenheid in ons hart is gewrocht. Er is de werkman en het werk, de onderwijzer en de onderwijzing en Hij, Die deze genade-gevolgen in de ziel voortbrengt, is de Bron, de Fontein, waaruit het alles vloeit. Zonder dit kunnen wij een gezonde belijdenis hebben, bestendige levens leiden en in een schone uitwendige belijdenis wandelen, maar waar is onze hoop, waar is onze grond? En o, waar zullen onze zielen zijn op de laatste grote en beslissende Dag, wanneer de Heere zal opstaan om de aarde te richten? AMEN.