Doop der gelovigen

Strict Baptists hanteren de Doop der gelovigen, d.w.z., lidmaatschap van de gemeente door middel van doop door onderdompeling na geloof en bekering. Op deze pagina leest u wat bekende Strict Baptists erover schreven, preekten óf hoe zij zelf deze Doop hebben ervaren.


J. Kershaw schrijft over zijn ervaringen met de Doop der gelovigen

J. Kershaw preekt over de Doop: Gehoorzaam aan het grote bevel

J.C. Philpot over de Doop der gelovigen

J.C. Philpot over zijn eigen Doop

J.C. Philpot over het bedienen van de Doop in zijn gemeenten

J.C. Philpot beantwoordt vragen over de bediening van de Doop

J.C. Philpot over de kinderdoop

J.C. Philpot over de betekenis van de Doop

J.C. Philpot over de vraag of Christus’ discipelen gedoopt waren

E. Feazey over de Doop der gelovigen en zijn eigen ervaring

J. Mackenzie preekt over de Doop der gelovigen


 

J. Kershaw schrijft over zijn ervaringen met de Doop der gelovigen

Ik werd groot gebracht onder de afgescheiden groep die zich de Independenten noemde, zodat al mijn prilste gevoelens van verbondenheid met deze mensen waren. De instelling van de doop die ik geleerd had te geloven was die van de besprenging van jonge zuigelingen.

Nadat mijn neef mijn vaderlijk huis verlaten had, begon hij de kapel van de Baptisten te Rochdale te bezoeken, en ik hoorde dat hij en enkele anderen zouden gedoopt worden door onderdompeling. Gedreven door nieuwsgierigheid, en door een gevoel van verbondenheid aan mijn familielid, ging ik kijken hoe de bediening ervan uitgevoerd zou worden. Ik kwam daar vroeg genoeg aan en had een plaats waar ik alles kon zien waarvoor men bijeen gekomen was.

Meneer Littlewood preekte over de inzetting van de doop en bewees dat de gelovigen het geschikte onderwerp zijn en dat onderdompeling de schriftuurlijke manier was om de doop te bedienen. Hij was een kundig verdediger van de leer, ofschoon hetgeen hij zei niet het minste effect op mijn gemoed had tot overtuiging van de juistheid ervan. Na de preek verliet hij de preekstoel en men zong een gezang. Ondertussen werd mijn geest vervuld met vrees. De dienaar en de dopelingen kwamen uit de consistorie, en terwijl zij bij de rand van het water stonden sprak de dienaar een kort woord. Zij dan, zoals eens Filippus en de kamerling, daalden af in het water, en ‘hij doopte hen in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes’( Matth. 28:19.) Terwijl ik daar zat en toekeek, werd ik diep getroffen. Ik dacht bij mijzelf: ‘Dit is de Bijbelse doop.’ Ik dacht aan Johannes die te Enon doopte, vlakbij Salim, omdat daar veel water was, en aan Jezus, Die door Johannes in de rivier de Jordaan gedoopt werd.

Vanaf toen werd ik een overtuigd Baptist, en niets dat ik ooit hierna gehoord of gelezen had tegen deze opvatting van de doop, heeft er in minst niet toe geleid om mij ervan af te keren, maar het heeft mijn geest eerder in de waarheid van deze leerstelling bevestigd. De argumenten die naar voren gebracht worden ter onderbouwing van de besprenging van jonge kinderen, zijn naar mijn mening gegrond op een veronderstelling. Deze veronderstelling heeft men uit een indirect bewijs gehaald; men veronderstelt namelijk dat er kinderen in die huisgezinnen waren die in de tijd van de apostelen gedoopt werden zonder een ‘Alzo spreekt de HEERE’ als grond. Een vriend deed mij Wilsons ‘Schriftuurlijke handleiding voor de doop’ aan de hand, die er grotelijks toe leidde om mijn geest in de waarheid ervan te funderen en te bevestigen. Ik weet dat het van God is, niet alleen omdat het voorschrift zo duidelijk in de Schriften is geopenbaard, maar omdat ik zelf ondervonden heb dat het ‘het antwoord van een goede consciëntie voor God, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden’( 1 Petrus 4:2) is. Ook heb ik zovele keren tijdens de bediening van de doop aan anderen, de heilige en gezegende tegenwoordigheid van mijn Meester gevoeld. Op vele momenten heb ik de zegen van de Heere waargenomen, terwijl de doop aan anderen van Zijn volk bediend werd, die net als ik toeschouwers waren. Dus laten mensen, en zelfs Gods volk en dienaren van Jezus Christus, zeggen wat zij hier tegenin zouden kunnen brengen; niets van deze dingen beweegt mij. Terwijl ik deze autobiografische verhandeling schrijf, is het niet mijn vakgebied om een verdediging van de doopinstelling te schrijven. Dit is gedaan door veel bekwamere handen dan die van mij, en op een manier die nooit kan worden omvergeworpen.

Bij een zekere gelegenheid, ik was toen in Londen, moest ik tien mensen dopen. Een paar dagen voordat het dopen zou plaatsvinden, ontmoette ik een oude christenvriend. Terwijl wij elkaar de hand schudden, zei hij: ‘Ik hoor dat je gaat dopen voordat je de stad verlaat.’ Ik vertelde hem dat ik dat van plan was. ‘En, ga je nu de doden of de levenden dopen?’ Ik keek hem aan en was voor een ogenblik behoorlijk verbaasd over die vraag. Maar ik antwoordde: ‘Meneer, ik geloof dat ik zowel de doden als de levenden ga dopen. Zij die dood zijn aan de wet door het lichaam van Christus, en ook aan alle hoop op redding door hun werken van gerechtigheid, naar dat zij de waarheid van Paulus’ woorden hebben ondervonden: ‘En zonder de wet zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weer levend geworden, doch ik ben gestorven.’ Ook zijn zij naar ik geloof levend, omdat zij gezegend zijn met een goede en levendige hoop en langs de weg van genade deel hebben aan Christus, door een geloofsleven te leiden gefundeerd op de Zoon van God, Die hen liefhad en Zichzelf voor hen overgegeven heeft.’ Hij riep uit: ‘Ga voort, mijn vriend, met het dopen van zowel de doden als de levenden, en de Heere heeft beloofd met je te zijn, en zegene je’ (Matth.28:19,20.) Niemand heeft een Schriftuurlijk recht om met Christus begraven te worden in de doop behalve zij die dood zijn, want gewoonlijk wordt niemand begraven dan de dode. ‘Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.’

Bij een andere gelegenheid werd een dopeling bevraagd op zijn aanstaande doop. Hij gaf ‘rekenschap van de hoop die in hem was met zachtmoedigheid en vreze’ en sprak van zijn begeerte om het Lam te volgen waar Het ook maar heen zou gaan, en van zijn liefde voor Christus om Zijn geboden te houden door te buigen voor de scepter van Koning Jezus en in Zijn Naam gedoopt te worden. Ik zei: ’Denk je enigszins beter te worden als je gedoopt zal zijn?’ Hij antwoordde: ‘Ja, ik geloof van wel, want het houdt me al zolang bezig, en mijn geweten heeft mij ervan beschuldigd, dat ik het veronachtzaamde. Men zegt dat het ‘het antwoord van een goed geweten voor God is, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden’. Als ik gedoopt word en dit geniet, zal ik beter zijn (voor wat mijn gevoelens betreft) dan ik voor twee of drie jaar geleden ben geweest.’ Wij waren zeer verheugd met de oprechtheid en eenvoud van de opmerkingen van deze man.

De doop stelt het plechtige, ontzagwekkende en overweldigende lijden ten toon van Hem Die zei, ‘Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe word Ik geperst totdat het volbracht zij!’ In de hof van Gethsémané bood Hij weerstand tot bloedens toe, strijdende tegen de zonde, al gaande in de grootheid van Zijn kracht. In de wijnpers van de brandende toorn van de almachtige God vanwege de zonden van Zijn volk, bezoedelde Hij Zijn kleding, zodat Hij bekleed werd met een in bloed gedompelde mantel, en Zijn Naam is het Woord van God. De besprenkeling van een paar druppels water op het gezicht is een zwak teken van het overweldigende lijden van Christus en de ‘geopende fontein voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.’

De onderdompeling van het lichaam in het water is verreweg het meest Schriftuurlijke, krachtige en treffende teken van het lijden van Hem van Wie de dichter zo lieflijk en plechtig zingt:

‘Uw lichaam geslagen, Jezus, het Uwe,
en gewassen in haar eigen bloed,
terwijl alles aan de Goddelijke toorn werd blootgesteld,
de heerlijke Lijder doorstond.’

Het is een grote gunst om Christus en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden te kennen. En zoals in het bevel van de doop en van de maaltijd des Heeren, aan Zijn dood gelijkvormig gemaakt te worden.

Nadat de liefde van Christus in mijn hart was uitgestort, en als één van Zijn schapen Zijn stem tot mij hoorde zeggen: ‘Indien gij Mij liefhebt, houd Mijn geboden’ ( Joh. 14.)

Ik was in principe een Baptist vanaf het ogenblik dat ik de doop zoals hierboven genoemd, bediend zag. Nu voelde ik het mijn plicht en voorrecht mijn Heere en Meester te volgen in die plechtige inzetting.

De negen personen die gescheiden waren van de kerk in Town Meadows, onder de pastorale zorg van de heer Littlewood, stemden ermee in tot een gemeente te worden gevormd. Hoewel mijn hart en ziel meer waren verenigd met hen en de heer Gadsby dan met de heer Littlewood en de mensen die bij hem bleven – ik hield toch veel van hen en het voelde ook als een beproeving hen en de plaats waar ik had gedacht te worden begraven te verlaten -, besloot ik mij bij hun kleine gemeenschap te voegen. Zij waren mijn intiemste metgezellen. Ik bezocht hun bijeenkomsten, om ons te beraden welke stappen we zouden nemen. Er waren verscheidene mensen die nog niet gedoopt waren, maar die wel met ons verenigd wilden worden. Daarom werd er een speciale ontmoeting belegd om hun ervaringen te horen. De Heere bracht het op mijn gemoed dat ik deze moest bezoeken. Ik had wat deze zaak aanging, veel zielsoefeningen. Mijn vader was er behoorlijk tegen; niet dat hij tegen de inzetting zelf was, maar het betrof mijn jeugdige leeftijd. Omdat ik nog geen zeventien jaar was, vreesde hij dat ik door zondige lusten en vermaken afgetrokken zou worden, en wenste hij dat ik het zou uitstellen totdat ik ouder zou zijn. Wat hij zei had het gewenste effect, daar ik in zekere mate mijn eigen zwakheid kende. Ik was al eerder in zonde gevallen, zodat ik zeer terneergeslagen werd als ik dacht aan mijn doop en het me bij de gemeente voegen. Ik zag dat het overeenkomstig Gods Woord was, en ik wist dat de Heere grote dingen voor mijn ziel gedaan had, waarover ik verblijd was. Ook had ik Hem lief, en het was in mijn hart Hem te eren en te gehoorzamen door onder Zijn scepter te buigen en de inzettingen van Zijn huis bij te wonen.

De dag kwam waarop de ervaringen van hen die zich bij de gemeente wensten te voegen gehoord zouden worden. De gevoelens van mijn ziel waren dusdanig dat ik niet weg kon blijven. Voordat ik zou gaan, ging ik een schuur in om te bidden of de Heere met mij wilde gaan. Ik vroeg of als het Zijn gezegende wil was dat ik me bij Zijn gemeente en volk zou voegen, Hij dan bij mij zou zijn om mij voor het kwaad te bewaren en ervan af te houden. Zodat ik geen smaad over Zijn zaak zou brengen, waarvan Hij wist dat dat mij nader aan het hart lag dan vader of moeder, of zelfs mijn eigen leven.

Ik vond de vrienden bijeen. De bijeenkomst begon met zingen en een gebed tot het grote Hoofd van de Kerk om Zijn zegen, om voor ons te zorgen als een volk dat één wilde zijn in kerkelijke broederschap. Tegelijk met de rest die gedoopt moest worden, gaf ik rekenschap van de hoop die in mij was met zachtmoedigheid en vreze, maar had niet de vrijheid die ik verwachtte om te verklaren wat de Heere aan mijn ziel gedaan had. De vrienden stemden overeen ons te ontvangen, maar zeiden dat de heer Gadsby die de doop zou bedienen ons wenste te horen in het verhalen van Gods bedelingen aan onze zielen. Wij zouden hem daarom ontmoeten op een zeker, voor dat doel afgesproken, tijdstip. Ik beefde bij de gedachte om gehoord te worden door zo’n voortreffelijke man.

Toen het moment gekomen was, bracht hij een voorganger mee vanuit Londen [mogelijk Jonathan Franklin], die ook wenste te horen wat wij hadden te verhalen. Mijn beurt kwam. Zoals Efraïm, begon ik bevend te spreken; maar het behaagde de Heere genadiglijk om in mijn ziel te schijnen en op het pad waarin Hij mij geleid had, zodat ik een aangename vrijheid en verruiming van hart ondervond om de dingen te verhalen waarin de Heere mij had onderwezen. Toen ik klaar was, stelde de heer Gadsby mij verscheidene vragen over de leerstukken der genade, en mijn gedachten betreffende de ordinantiën van Gods huis, de doop en des Heeren avondmaal. Ik herinner mij goed de laatste vraag, die als volgt luidde: ‘John, je bent erg jong, en je zult blootgesteld worden aan vele strikken en verzoekingen. Denk je dat je staande kunt blijven, en geen smaad op jezelf en de zaak van God en de waarheid zult brengen?’ Ik antwoordde: ‘Ja, de Heere beschermt mij en zorgt voor mij, zoals Paulus zei: ‘Ik vermag alle dingen door Christus Die mij krachten geeft.’ Hij glimlachte, en zei tegen zijn Londense vriend: ‘Heb je nog iets te vragen aan deze jongen?’ Deze antwoordde: ‘Nee, er is al het belangrijke in hem dat men kan begeren. Ik ben er geheel van overtuigd dat het goede werk der genade in zijn ziel begonnen is.’

Op woensdag 24 mei 1809, in de week van Pinksteren, was het de aangewezen dag om te dopen en de gemeente te stichten. Terwijl we geen kapel of doopbassin hadden, kwam de vraag naar boven waar de doop bediend moest worden. Een van de vrienden, een boer, zei dat hij een beekje had, dat door een van zijn landerijen liep en dat door ons voor dat doel gebruikt kon worden. Hier ging men mee akkoord. Toen de bestemde dag gekomen was, waren bijna tweeduizend mensen vergaderd. Belijders en onkerkelijken waren bijeengekomen getuige te zijn van de inzetting van de doop door onderdompeling. De heer Gadsby stond op de oever van het reservoir, dat als een soort van galerij diende, waar velen zaten, met het grote gros mensen voor hem in het veld. Hij preekte uit Joh. 5:39: ‘Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben: en die zijn het die van Mij getuigen.’ Op die tijd was hij ongeveer 35 jaar oud en de kracht van zijn stem was zodanig dat het geluid ervan bijna een mijl verderop te horen was, maar waar de woorden dan niet herkend konden worden. Na de preek doopte hij zes personen. Het uur erna ontmoetten we elkaar in de boerderij, werden als gemeente gevormd, en namen deel aan des Heeren avondmaal. Dit was gelijk aan de apostolische gewoonte, toen de gemeenten in particuliere huizen bijeenkwamen om brood te breken en te bidden.

Ik heb een zoete en plechtige herinnering aan de dag waarop vijftien zielen op deze manier verenigd werden. Allemaal zijn zij al lang geleden heengegaan behalve ikzelf. Sinds die dag heb ik veel veranderingen gezien, maar, door de hulp van God die ik heb mogen ontvangen, ga ik nog steeds voort. ‘Loof de HEERE, o mijn ziel, want Hij heeft wonderen onder ons verricht.’ Drie gemeenten zijn uit ons voortgekomen. In elk afzonderlijk geval heb ik hen opgericht, met wederzijds goedvinden van onze gemeente, en het is gedaan voor de verdere voortgang van het Evangelie, dat ‘Sions koorden lang gemaakt en haar pinnen er vast ingestoken zouden mogen worden‘. Wij hebben ook tot op dit moment (1866) door de dood, 170 leden moeten schrappen. Velen van hen hebben een gezegend testament achtergelaten, namelijk dat zij in de Heere stierven. Ongeveer hetzelfde aantal bleef over als lid [d.i.: leden die aan des Heeren avondmaal deelnemen].


 

J. Kershaw preekt over de Doop:  Gehoorzaam aan het grote bevel

Gehouden in de Zoar Chapel, Great Alie Street, Londen, op zondagavond 22 mei 1853. Overgenomen uit Nagelaten Brokken deel 4.

‘Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij? En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren.’ Handelingen 10:47-48a

Onze tekst staat in onafscheidelijk verband met die gedenkwaardige gebeurtenis dat de heidenen door de genade van God geroepen werden tot een zaligmakende kennis van de waarheid, zoals die in Christus Jezus is. De Heilige Geest had profeten bewogen om dit honderden jaren voordat de gebeurtenis plaatsvond, te voorzeggen; in het bijzonder de profeet Jesaja, wiens taal we zullen lezen, omdat we in het verband van onze tekst de exacte vervulling ervan zullen zien. In Jesaja 43:19 spreekt de profeet als volgt, en het is de stem des Heeren door hem: ‘Zie, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten; zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen en rivieren in de wildernis.’ De woestijn stelt hier de heidenen voor, en de wildernis de heidenvolken in hun gevallen staat. ‘Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorene drinken te geven. Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen’ (vers 20-21).

Toen des Heeren tijd kwam waarin de middelmuur des afscheidsels tussen Jood en heiden duidelijk gebroken werd, gaf Hij Zijn vrees in het hart van Cornelius, die van natie en van nature een heiden was. In het verband van onze tekst wordt in het bijzonder over deze man gesproken: ‘Er was een zeker man te Cesaréa, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende genaamd de Italiaanse, godzalig en vrezende God, met geheel zijn huis’ (Hand. 10:1-2). De genade en de Geest van God hadden duidelijk bezit genomen van zijn gehele hart en ziel, en hij was ‘God geduriglijk biddende’, dat hij door Hem geleid en bestuurd mocht worden. ‘Deze zag in een gezicht klaarlijk, omtrent de negende ure des daags, een engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius. En hij de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is het, Heere? En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God’ (vers 3-4). Ach, mijn vrienden, het is nog nooit gebeurd dat werkelijk, hartelijk gebed niet door de hemel wordt aangezien. ‘Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen die gans ontbloot is’ (Ps. 102:18). Het is nog nooit gebeurd dat werkelijk, hartelijk gebed geen antwoorden uit de hemel brengt.

De Heere hoorde het geroep van Cornelius, en beantwoordde zijn gebed, en gebood hem mannen naar Joppe te zenden, en in het huis van een zeker man te vragen naar Simon Petrus, en hem in zijn huis te halen om de zilveren trompet van het eeuwig Evangelie voor heidenzondaren te blazen. Toen gingen de mannen op reis; en intussen bereidde God, ‘Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil’ (Ef. 1:11), Petrus voor om deze boodschappers te ontvangen. Hij was eropuit geweest voor de zaak van zijn Meester; hij keerde terug naar zijn logeeradres en klom op het dak van het huis (de daken van de huizen waren plat), waarheen hij vaak de toevlucht nam voor gebed en meditatie. ‘En hij werd hongerig en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een vertrekking van zinnen’ (Hand. 10:10). Toen zag hij een vat nederdalen vanuit de hemel, ‘gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden’, en daarin waren al de viervoetige dieren des velds, de vogelen des hemels en de kruipende dieren (vers 11-12). Een stem werd door hem gehoord, die zei: ‘Sta op, Petrus, slacht en eet.’ ‘Geenszins Heere, want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein was’ ‘Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken.’ Dit laken werd driemaal vanuit de hemel neergelaten en weer opgenomen (vers 13-16). Wat moet hieronder verstaan worden, mijn vrienden? Dit laken is een zinnebeeld van het verbond der Goddelijke genade, ‘dat in alles welgeordineerd en bewaard is’ (2 Sam. 23:5). Heel de verkiezing der genade, Jood en heiden, worden ons hier voorgesteld als zijnde veilig en zeker in het verbond. En laten we erop letten dat zij allen nederkwamen vanuit de hemel in het laken; niet één schepsel raakte erbuiten. O nee! Gods uitverkorenen kunnen nooit buiten Zijn hart raken; nooit buiten de volbrachte zaligheid van Jezus Christus raken; nooit omkomen. En er is nog een gedenkwaardige zaak, en dat is, dat niemand erin geplaatst werd. Universele liefde kan een ziel nooit in het genadeverbond plaatsen, kan iemand nooit inbinden in het bundelken der levenden, die daar niet reeds ingebonden is door het drievoudige snoer van de drie-enige Jehovah.

Eens maakte ik deze zelfde opmerkingen in de stad Halifax, in Yorkshire, ongeveer 20 jaar geleden. Daar was een dame aanwezig, en ze zei: ‘Ik geloofde zeker dat het waar is, maar ik dacht dat ik geen merkteken en geen bewijs had dat ik een van deze schepsels in het verbond was.’ Ze ging diep neergebogen in haar ziel naar huis. Daarop had ze drie rusteloze nachten en dagen. Haar man wilde weten wat er aan de hand was, en ze kon het hem niet vertellen. De knechten vroegen zich eveneens af wat er aan de hand was met hun meesteres, zoals ze daar rondliep terwijl de tranen langs haar wangen biggelden, en zuchtte en kermde vanuit het diepst van haar ziel. Ze ging de derde nacht naar bed met dit belangrijke onderwerp op haar gemoed, en ze zei: ‘Ik redeneerde op de volgende manier: “Wat ben ik? Een arm, zondig, schuldig, snood schepsel! Wat heb ik ooit gedaan om Gods barmhartigheid en gunst te verdienen? Helemaal niets; en als Hij mijn ongerechtigheid zou gadeslaan en mij naar de hel zou zenden, zou Hij slechts rechtvaardig zijn.” Toen gevoelde ik een gebrokenheid in mijn geest, een verootmoedigend gevoel van mijn eigen onwaardigheid; tranen biggelden langs mijn wangen, en ik riep: “Lieve Heere, ik ben het leem en Gij zijt de Pottenbakker; ik verdien niets dan de verdoemenis; en als Gij mijn ziel zou zalig maken, als ik in dit laken ben, is het alles uit Uw rijke, soevereine genade.’ Daarna liet ze mij halen, en ze zei: ‘De liefde Gods werd in mijn ziel uitgestort; ik had het getuigenis van de Heere, dat ik inderdaad in dit laken was, en ik verheugde mij en triomfeerde in de God van mijn heil, tot de natuur mij overweldigde en ik in slaap viel. Toen ik ’s morgens ontwaakte, was het met de bewustheid dat ik in het laken, in het verbond was.’ Heerlijkheid was in haar ziel, en heerlijkheid lag op haar gezicht. Haar man en haar gezin vroegen zich af wat er had plaatsgevonden, want terwijl ze met haar huishoudelijke zaken bezig was, zong ze het lied van vrije, eeuwigdurende genade.

Welnu, terwijl Petrus over dit gezicht nadacht en zich afvroeg wat het kon betekenen, zei de Heere: ‘Ga af; er zijn zekere mensen die op u wachten bij de deur.’ Toen ging hij naar beneden en vroeg waar de mannen vandaan kwamen, en wat hun boodschap was. Zij vertelden hem de omstandigheden, en hij ging met hen, zonder te twijfelen dat Gods hand erin was. Toen hij bij het huis arriveerde, kwam Cornelius naar buiten; hij verwelkomde hem met een verheugd hart en viel neer en zou hem aanbeden hebben. Maar Petrus zei: ‘Nee, nee; ik ben een zondig mens, van gelijke bewegingen als u; aanbid niet mij, maar mijn Meester.’ Daarop ging hij het huis in en vroeg waarvoor hij ontboden was.

Er is één opmerking die we hier terloops bij kunnen vermelden. Toen hij het huis inging, waren de familie en de vrienden allemaal gereed, wachtend om hem te verwelkomen en te horen wat God tot hen zou zeggen. Hoe goed is het om op de morgen van de dag des Heeren mensen samen vergaderd te zien, evenals Cornelius en zijn huisgezin, om het woord des Heeren te horen.

Toen Cornelius alle omstandigheden van de zaak had meegedeeld, zei Petrus: ‘Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is; maar in allen volke is die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam’ (Hand. 10:34-35). Petrus had tot deze tijd toe geloofd dat God de Jood aanzag boven de heiden. Nu zag hij dat hiermee afgerekend was. Hij bedoelde niet te zeggen dat God te vrezen en gerechtigheid te werken de gronden van onze aanvaarding zijn. O nee! Wij worden aanvaard in de Geliefde; ons vrezen van God en ons werken van gerechtigheid zijn daar vruchten en gevolgen van, die in de ziel genoten worden.

Dan gaat Petrus verder om de jubeltrompet van de zaligheid der vrije genade onder de heidenen te blazen. Hij predikt de heerlijkheid van Christus, Zijn plechtige dood voor de zonden van Zijn volk, en Zijn opstanding uit de doden. Hij verhoogt het zonde verzoenende Lam; en het woord dat van zijn lippen kwam, werd door de kracht van de Heilige Geest gedragen tot diep in het hart van Cornelius, en van zijn huisgezin en zijn vrienden; het Woord had zijn loop en werd verheerlijkt. Petrus en de broeders zagen dat het Woord ontvangen werd met vreugde en blijdschap, waarschijnlijk aan de tranen die over hun wangen stroomden, en de bezielende gloed die op hun gezichten te zien was. Petrus zag dat daar de dauw des hemels, de reuk des levens en de kracht der Goddelijke waarheid in de zielen van de mensen gevoeld werd; en terwijl hij dit zag, riep hij uit: ‘Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij? En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren.’

Dit zijn de omstandigheden die verbonden zijn met de gewichtige woorden van onze Heere Jezus Christus (Matth. 28:19). Hier hebben we twee belangrijke zaken:

  1. De personen die een recht op de ordinantie van de Doop hebben.
  2. Het bevel dat gegeven wordt: ‘En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren.’
  1. Wie zijn zij die recht op de ordinantie hebben, die volgens het bevel gedoopt moeten worden? Als we het hebben over de Doop van Johannes, dan werd niemand tot die ordinantie toegelaten (uitgezonderd de Heere van leven en heerlijkheid) dan degenen die boetvaardig waren. Want toen het zaad van Abraham kwam en begeerde door Johannes gedoopt te worden, en geen blijk van bekering gaf, zei hij: ‘Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn? Brengt dan vruchten voort der bekering waardig’ (Matth. 3:7-8). Niemand heeft dus een recht op de ordinantie van de Doop dan degenen die weten wat het is om een godzalige droefheid over de zonde te hebben. Deze heidense zondaren ondervonden dat hun de bekering gegeven werd, want er wordt aangaande hen gezegd dat de apostelen ‘God verheerlijkten, zeggende: Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven!’ (Hand. 11:18). Zijn wij boetvaardig, vrienden? Weten wij wat godzalige droefheid over de zonde is? Die onberouwelijke bekering tot zaligheid? Als we dat weten, is de genade van God in ons hart; de voorrechten van Gods huis zijn de onze. Maar als we hier een vreemdeling van zijn, gaat het bevel van God niet over ons.

Verder, wat betreft degenen die recht op deze ordinantie hebben, kijk naar de opdracht die onze Heere aan Zijn discipelen gegeven heeft vóór Zijn hemelvaart naar de heerlijkheid. Daar zullen we vinden wie de personen zijn aan wie de Heere Zijn discipelen beveelt de doop te bedienen.

De evangelist Matthéüs geeft de opdracht als volgt weer: ‘En Jezus bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (Matth. 28:18). Dit is een plechtige en heerlijke waarheid. O, hoeveel hulp heb ik van deze waarheid ondervonden voor mijn ziel, dat mijn Heere en Meester alle macht in hemel en op aarde heeft! ‘Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld’ (vers 19-20).

Dus, mijn vrienden, zij die recht hebben op de ordinantie van de Doop, en volgens het bevel gedoopt moeten worden, zijn degenen die van God geleerd zijn. Gods dienaars worden aangesteld om arme zondaren te onderwijzen, zoals God leidt en bestuurt. En wanneer de Heere hun onderwijs eert, en arme zondaren wijs maakt tot zaligheid, door het geloof in de lieve Verlosser, behoren zij gedoopt te worden in de Naam van de Zaligmaker. Voorstanders van de kinderdoop keren het bevel van de Meester om; zij zeggen: ‘Doop hen in hun kindsheid, en onderwijs hen daarna.’ Ach, mijn vrienden, dit is niet zoals de zaak werkelijk in elkaar zit. Niemand heeft een Bijbels recht op de ordinantie dan dezulken die van God geleerd zijn. ‘Er is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij’ (Joh. 6:45). De ziel die de toevlucht genomen heeft tot de lieve Verlosser, die gereinigd is door het bloed dat vloeide uit Immanuëls gewonde zijde, die ziel heeft de voorrechten van de ordinanties van Gods huis.

De evangelist Markus geeft de opdracht in de volgende gedenkwaardige taal weer: ‘En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen’ (Mark. 16:15). Waarom behoort het Evangelie gepredikt te worden in de gehele wereld en aan alle creaturen? Omdat Gods uitverkorenen overal verstrooid zijn onder de verschillende volkeren der aarde. En omdat de Heere de inzameling van Zijn uitverkorenen door de bediening van Zijn Woord verordineerd heeft. Paulus predikte tot zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven, en zij geloofden; want ‘het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods’ (Rom. 10:17). ‘Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden’ (Mark. 16:16).

Geen enkele ongelovige heeft recht op de ordinantie; het bevel betreft niet hen; het beveelt dat degenen die geloven, gedoopt worden, en hun liefde en gehechtheid aan de Heere bewijzen door te buigen voor Zijn scepter.

We zullen zien dat de apostelen van Christus de opdracht van hun Meester ten volle verstonden en daarnaar handelden. Bijvoorbeeld op de Pinksterdag, toen Petrus opstond en tot het volk predikte. Het woord vloeide uit Petrus’ mond en werd door de Heilige Geest tot diep in het hart en geweten van arme, schuldige zondaren gedragen. Vandaar dat er gezegd wordt dat zij ‘verslagen in het hart werden’; door de Geest van God werd overtuiging gewerkt, en zij riepen uit: ‘Wat zullen wij doen, mannen broeders?’ (Hand. 2:37). Petrus zei: ‘Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden, wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren’ (Hand. 3:19). Toen Petrus in die gedenkwaardige preek Jezus Christus, en Dien gekruisigd, en de opstanding uit de doden verkondigde, vergezelde de kracht van God het Woord, niet alleen om te overtuigen, maar om te overwinnen en op te bouwen, want er staat: ‘Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt’ (Hand. 2:41). Let hierop; zij ontvingen het woord van de vrije, volbrachte zaligheid met vreugde en blijdschap. Christus was voor hun ziel tegenwoordig; de liefde van Christus werd in hun hart uitgestort, en zij werden gedoopt en op die dag tot de gemeente toegedaan. We zien dus, mijn vrienden, wie volgens het bevel gedoopt moeten worden.

Filippus predikte het Evangelie aan de Samaritanen: ‘Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen’ (Hand. 8:12). En we lazen vanavond over de Ethiopische kamerling: ‘Wat verhindert mij gedoopt te worden?’ ‘Indien gij van ganser harte gelooft,’ zei Filippus, ‘zo is het geoorloofd.’ En de kamerling zei: ‘Ik geloof’ (Hand. 8:36-37). ‘Ik geloof in de Naam van Jezus Christus; ik gevoel dat ik Hem liefheb, en ik wil Hem graag eren en Zijn lof verkondigen.’ ‘Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?’ En we lezen dat hij op de belijdenis van zijn geloof werd ‘gedoopt in den Naam des Heeren’. O mijn vrienden, het is een grote barmhartigheid om een ware gelovige te mogen zijn!

We lezen dat er huisgezinnen gedoopt werden; en van de stokbewaarder wordt gezegd ‘dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was’ (Hand. 16:34). Maar er staat nergens dat er zuigelingen waren in een van de huisgezinnen die in de apostolische tijd gedoopt werden. Onze vrienden echter, die de zuigelingenbesprenging voorstaan, zeggen dat ze veronderstellen dat er in die huisgezinnen zuigelingen waren. Vrienden, ik heb nog nooit een artikel in mijn geloofsbelijdenis of een leerstuk in mijn theorie gehad, dat gebaseerd is op veronderstelling, en ik hoop dit ook nooit te hebben. We moeten een ‘Alzo zegt de Heere’ voor ons geloof, en het voorbeeld van Christus en Zijn apostelen voor onze praktijk hebben. Anders is ons geloof niet gezond en is onze praktijk niet naar de godzaligheid.

Twee mannen twistten eens over de ordinantie van de Doop. Een van hen beweerde dat de kinderen van gelovige ouders recht op de ordinantie hebben boven anderen. De ander beweerde dat álle kinderen gedoopt moesten worden. Een derde persoon, die aandachtig naar de argumenten van beide kanten luisterde, zei ten slotte: ‘Het lijkt me dat jullie één heel belangrijk beginsel in het debat missen.’ ‘Wat is dat?’ vroegen zij. ‘Wel, het teken van het kruis op het voorhoofd’, antwoordde hij, doelend op de praktijk van de Kerk van Engeland. Beide redetwisters vroegen, terwijl ze een beetje warmliepen: ‘Waar vindt u het teken van het kruis vermeld in de Schrift?’ ‘Wel,’ zei hij, ‘toont u me het hoofdstuk en vers waar u de zuigelingenbesprenging vindt, dan zult u in het volgende vers het teken van het kruis vinden.’ De twee mannen keken elkaar verbaasd aan, want ze konden geen hoofdstuk en geen vers voor de zuigelingenbesprenging vinden, en de derde man kwam als overwinnaar uit de strijd tevoorschijn. ‘Tot de Wet en tot de Getuigenis; zo zij niet spreken naar dit Woord, is het omdat er geen licht in hen is’ (Jes. 8:20).

Maar men zou kunnen vragen: ‘Zijn er geen godzalige en begenadigde mannen geweest die voorstander waren van de zuigelingenbesprenging?’ Ik geloof dat die er geweest zijn, en dat er tot op deze dag nog sommige zijn. Maar wij behoren grote en godzalige mannen slechts zover na te volgen als zij Christus en Zijn apostelen navolgen. Wanneer wij een groot man, of hij nu anglicaan of dissenter is, tegen de Schriften zien ingaan, laten wij hem dan nooit één meter volgen; laten wij de Meester volgen, en handelen overeenkomstig Zijn praktijk en de praktijk van de eerste christenen. ‘Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij?’

Vervolgens, niemand heeft recht op de ordinantie van de Doop tenzij hij de Heilige Geest deelachtig is geworden. Ieder uitverkoren vat der barmhartigheid wordt in de wedergeboorte de Heilige Geest deelachtig gemaakt: ‘Weet gij niet dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, Die in u is?’ (1 Kor. 6:19). O, dat de Heere Zijn onwaardige dienstknecht in staat zou stellen heel kort iets te zeggen over de merktekenen en bewijzen van degenen die de Heilige Geest hebben!

Als wij de Heilige Geest hebben, Die in ons woont en werkt, en ons onderwijst, zien en voelen wij onze verloren, geruïneerde, hulpeloze staat en toestand. Welnu, omdat dit een bewijs is, getuigt mijn geweten aan mij dat ik dit bewijs heb dat ik de Heilige Geest deelachtig ben, en dit de afgelopen veertig jaar gehad heb. Hebt u dit bewijs gekregen?

Er is nog een ander bewijs. Als wij gered zijn, moet dat te danken zijn aan de verbondsverplichtingen van Christus, door de vleeswording van Christus, Die in de wereld gekomen is om de voornaamste der zondaren zalig te maken, door de rechtvaardigende gerechtigheid van Christus, door het verzoenende offer van Christus, door de opstanding van Christus, Die ‘overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking’ (Rom. 4:25), door de hemelvaart van Christus, en uit kracht van onze vereniging met Christus, Die onze zaak daarboven bepleit. Welnu, we halen één gedeelte van Gods Woord aan als kroon op deze opmerkingen: ‘Jezus … kan tot het uiterste zalig maken’ (Hebr. 7:25, Eng. vert.). Gelooft u dit? Is dit dierbaar voor uw ziel? ‘Hij kan tot het alleruiterste zalig maken al degenen die door Hem tot God gaan.’ Verloren, om behouden te worden; naakt, om gekleed te worden; vuil, om gewassen te worden in Zijn bloed; zwak, om gesterkt te worden; onwetend, om onderwezen te worden. ‘Hij kan tot het alleruiterste zalig maken al degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.’ Welnu, iedereen (het doet er niet toe tot welke groep, partij of denominatie hij behoort), die de Heilige Geest deelachtig is, wordt ertoe gebracht dat hij de Persoon van Christus en de krachtdadigheid van Zijn bloed en gerechtigheid aankleeft, met een vol voornemen des harten, met Paulus’ besluit om niets te weten dan ‘Jezus Christus, en Dien gekruisigd’ (1 Kor. 2:2, Eng. vert.). Waar deze gevoelens aanwezig zijn, heeft de Heilige Geest ze voortgebracht. ‘Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij?’

Enige jaren geleden had onze kerk een groot probleem wat betreft het aannemen van een jong meisje, 16 jaar oud, die onder ons was grootgebracht. Haar vader was lidmaat, en zij had op een zondagsschool gezeten. Ze gaf haar vrienden te kennen wat op haar gemoed lag; maar de zondagsschoolinspecteurs die haar bezochten, gaven haar geen enkele bemoediging. Zij kenden het glibberige pad van de jeugd, voornamelijk in sommige noordelijke streken, waar sommigen die van de zondagsschool in de kerk kwamen, schande en smaadheid brachten over de zaak van de godsdienst. We probeerden haar ervan af te brengen en vroegen haar een jaar of twee te wachten, en te zien hoe het verder zou gaan. Ze vertelde ons, wat ze van haar eigen zondigheid en goddeloosheid, en van haar behoefte aan Jezus Christus voelde. Toen ik met haar sprak over een mogelijke afwijzing, zei ze: ‘Wel, dominee,’ (want zo noemen ze mij gewoonlijk) ‘als u denkt dat ik de Heilige Geest niet ontvangen heb, om mij met mijn zonde en mijn behoefte aan Jezus Christus bekend te maken, dan mag u het uitstellen. Maar als u denkt dat ik de Heilige Geest deelachtig ben geworden en door Hem onderwezen wordt – wat naar ik vertrouw het geval is – staat er dan niet: ‘Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij?’ De kerk was volkomen klemgezet; de vader weende; en wij allen zeiden eenstemmig: ‘Jane moet gedoopt worden.’ Ach, mijn vrienden, waar de Heilige Geest in het hart woont, wie kan het water weren, dat zij niet gedoopt zouden worden?

  1. Laat ik nu een woord zeggen over het bevel zelf: ‘En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren.’ Dit bevel werd door Petrus gegeven, maar het is het bevel van de Meester; Petrus en zijn broeders ontvingen het van Christus Jezus, het grote Hoofd der gemeente, de Koning der koningen en de Heere der heren. En zo spreekt de Heere vanavond vanaf de preekstoel door Zijn dienende knecht, en Hij beveelt iedere dierbare ziel die de Heilige Geest ontvangen heeft, om zich aan te melden, als hij dat nog niet gedaan heeft, en gedoopt te worden in de Naam des Heeren. O, dat de Heere dit bevel bij sommigen van u met klem op het hart zal drukken!

Ik heb u vanochtend verteld dat ik hier al zo ongeveer 21 jaar kom; en er zijn sommige mensen onder u die al 20 of 21 jaar komen; mensen die, naar ik geloof, de Heere Jezus Christus liefhebben en hun behoefte aan Hem en Zijn zaligheid zien en voelen. Hebben al mijn vrienden die mijn Heere en Meester liefhebben, Zijn bevel gehoorzaamd? Hebt u het allen gehoorzaamd?

Het is thuis precies hetzelfde. September jongstleden doopte ik een oude vriend van mij (die ik sinds 40 jaar kende) in zijn 71e levensjaar. De lieve man Gods was genoodzaakt zich aan te melden, omdat hij niet langer kon achterblijven. O, dat de Heere dit met een plechtig gewicht zal leggen op het geweten van dezulken die Hem liefhebben! De Zaligmaker zegt tot hen: ‘Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. … Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, … zo gij doet wat Ik u gebied’ (Joh.14:15; 13:35; 15:14). ‘Als Ik uw Heere en Meester ben, waar is uw vreze en ontzag en eer voor Mij, als u leeft in ongehoorzaamheid aan Mijn gebod?’ (vgl. Mal. 1:6). O Heere, mag Uw Geest met kracht in het gemoed van deze Uw kinderen komen, en mogen zij ertoe geleid worden Christus aan te doen door een openbare belijdenis van Zijn Naam door de Doop!

Het kan nodig zijn om, ter afsluiting, enig onderzoek te doen naar wat bedoeld wordt met gedoopt worden: ‘En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren.’ Wanneer de doop wordt toegepast op Christus, het grote Hoofd van de gemeente, betekent hij Zijn plechtige en ontzaglijke lijden in de hof van Gethsémané en aan Golgotha’s kruis. Hoor Zijn taal: ‘Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe word Ik geperst, totdat het volbracht zij!’ (Luk.12:50). Daarin zinspeelt Hij op Zijn overweldigende lijden in de hof van Gethsémané en aan het kruis van Golgotha, toen Zijn kleed met Zijn eigen bloed geverfd werd, zoals dr. Watts zingt:

Uw lichaam, zoete Jezus, ja, het Uwe,
Gedood en gedompeld
(de besprenging zou een zeer onvolkomen beeld zijn om het overweldigende lijden van de vleesgeworden God te vertonen),
Uw lichaam, zoete Jezus, ja, het Uwe,
Werd gedood en gedompeld in zijn eigen bloed,
Terwijl de heerlijke Lijder
Geheel stond blootgesteld aan Gods toorn.

No. 763 in Gadsby’s Selection of Hymns.

En zullen wij ons dan schamen om in water gedoopt te worden, als wij het oog slaan op onze Meester, Die voor onze zonden in Zijn eigen bloed gedoopt werd?

Verder stelt de Doop met betrekking tot Christus Zijn dood en begrafenis voor. Er staat dat wij met Christus zijn begraven door de doop, en in Zijn dood gedoopt zijn. Toen Jezus voor onze zonden gestorven was, werd Zijn lichaam van het kruis afgenomen en in het graf gelegd; en de engel zei: ‘Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft’ (Matth. 28:6), wijzend naar het graf en de steen. Nu kan ik vanavond tot deze samenkomst zinnebeeldig zeggen: ‘Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft’ (wijzend naar het doopbassin). De begrafenis van Christus wordt dus door deze ordinantie voorgesteld, en ook de opstanding van Christus uit de deden: ‘Indien gij dan met Christus opgewekt zijt …’ (Kol. 3:1). ‘Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn’ (1 Kor. 15:20).

Mijn vrienden, de ordinantie van de Doop, met betrekking tot de gemeente van God, duidt op iets van een zeer opvallend bevindelijk karakter. En wat is dat?

In de eerste plaats: aangezien de Doop een begrafenis is, het is niet de gewone gang van zaken om iemand te begraven voordat hij dood is. Geen enkel levend iemand wordt in het graf gelegd en begraven. Welnu, op gelijke wijze heeft geen enkele arme zondaar recht op de ordinantie van de Doop voordat hij dood is. Ik spreek niet over de dood van het lichaam. Over welke dood spreek ik dan wel? Over die dood waarover de apostel spreekt: ‘Zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven’ (Rom. 7:9). Het is de ziel die dood is voor de wet, dood voor alle hoop op zaligheid en rechtvaardigmaking door de werken der rechtvaardigheid. Bent u dood, mijn vrienden? Als u in deze zin niet dood bent, hebt u geen recht op de ordinanties van Gods huis; het bevel behoort u niet toe.

Ongeveer 18 jaar geleden, als ik mij goed herinner, toen ik onder u arbeidde, moest ik op een donderdagavond de ordinantie van de Doop bedienen. Ik ontmoette geheel onverwachts een bejaarde pelgrim in een nauwe doorgang, en nadat hij mij de hand geschud had, zei hij: ‘Ik hoor dat u de Doop gaat bedienen voordat u de stad verlaat.’ ‘Ja,’ zei ik, ‘dat ga ik doen, op donderdagavond.’ Op een nogal scherpe en gehaaste manier zei hij toen: ‘Wel, meneer, gaat u de doden of de levenden dopen?’ De vraag kwam nogal ongewoon op mij over, en ik was op dat moment verlegen om een antwoord. Na een korte pauze begreep ik echter het oogmerk van de oude man, en ik zei: ‘Ik hoop dat ik zowel de levenden als de doden ga dopen. Ze zijn dood voor alle hoop om zichzelf zalig te maken door de werken der rechtvaardigheid; ze zijn levend voor God door het geloof in de Heere Jezus Christus.’ ‘Ga door, Kershaw,’ zei de oude man, ‘doop de doden en de levenden, en God zal u zegenen.’

Mijn lieve vrienden, als wij in deze zin dood en levend zijn, behoren de ordinantie van de Doop en alle voorrechten van Gods huis ons toe.

Wanneer de gelovige gedoopt wordt, toont hij daarin aan de wereld en de gemeente dat hij dood is voor de dwaasheden en de ijdelheden der wereld, dood voor alle hoop om zichzelf zalig te maken; dat zijn geestelijke leven met Christus verborgen is in God; en dat hij het overige van zijn dagen wenst te leven tot eer van de grote Jehovah, en het Lam wenst te volgen, waar het Lam ook heengaat. We lezen dat Christus in de rivier de Jordaan ging en daar gedoopt werd door Johannes. De gelovige ziel wenst Hem daar te volgen; hij wenst zijn kruis op te nemen en de lieve Verlosser te volgen door goed gerucht en door kwaad gerucht; hij wenst

De durf te hebben om Zijn edele zaak te verdedigen,
En gehoorzaamheid te bewijzen aan Zijn wetten.

Joseph Grigg (c.1720-1768). No. 427 in Gadsby’s Selection of Hymns.

Ik werd opgevoed in de leer van de zuigelingenbesprenging, en ik was heel erg bevooroordeeld ten gunste van mijn eigen principes. De eerste keer dat ik de ordinantie van de Doop bediend zag worden naar het Woord van God, herinner ik mij nog goed. De preek had geen uitwerking op mijn gemoed. Ik vitte op alles wat de man zei. Maar toen ik hem uit de consistorie zag komen, gevolgd door de personen die gedoopt zouden worden, en hem enkele woorden tot hen hoorde spreken en hem daarna hen zag dopen, werd deze indruk op mijn gemoed gemaakt: ‘Dit is de Doop van de Bijbel.’ En zo heb ik er vanaf dat moment tot op deze dag toe over gedacht. Het is de weg van de Meester; het is de weg van de apostelen; het is de weg van de gemeente van God, die wandelt in de ordinanties van het huis des Heeren, zoals zij overgeleverd zijn door onze Heere en Meester en door Zijn dienstknechten.

Nu kan het zijn dat hier een levende ziel is die zegt: ‘Ik geloof dat de ordinantie juist is, en datgene wat de Schrift erover zegt en wat u erover gezegd hebt, allemaal juist is.’ Dan zeg ik: als u niet gedoopt bent, waarom meldt u zich dan niet aan en buigt u niet voor de scepter van Koning Jezus?’ U zegt misschien: ‘Daar heb ik mijn redenen voor.’ Wel, welke zijn dat dan?

‘In de eerste plaats heb ik van verschillende mensen gezien en gehoord dat zij zich aangemeld hebben en gedoopt zijn, maar ze hebben zich niet goed gedragen. Ze zijn in zonde gevallen, hebben hun belijdenis schande aangedaan en zijn een beroering geweest voor de gemeente van God.’

Erger u niet aan mij als ik de taal van de Schrift gebruik en zeg: ‘Wat gaat het u aan? Volg gij Mij’ (Joh. 21:22).

‘Wel’, zegt u, ‘ik zou niet graag smaadheid brengen over de zaak van God.’

Voor zover er in uw boezem een teer beginsel voor Gods eer en heerlijkheid, en voor de zuiverheid van de leerstukken en de praktijk van Gods gemeente en volk is, heb ik daar respect voor. Maar te midden van uw bezwaren is er een ánder beginsel dat we nog geen moment kunnen aanmoedigen: een wantrouwen aan de kracht en bekwaamheid van de Heere om u te bewaren. Waag u in Zijn handen, zwak en hulpeloos; verlaat u op Zijn belofte dat ‘Hij de voeten Zijner gunstgenoten zal bewaren’ (1 Sam. 2:9). Roep Zijn Naam aan: ‘Heere help mij om stand te houden, om te volharden en te verduren tot het einde.’ ‘Ja,’ zegt Hij, ‘dat zal Ik doen; Ik zal u ondersteunen met de rechterhand Mijner gerechtigheid’ (vgl. Jes. 41:10). Waag u in de handen des Heeren; geef uzelf in de eerste plaats over aan Jezus, en aan de gemeente van God in Jezus’ Naam. Want Paulus zegt aangaande de gemeente van Korinthe: ‘Zij … gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons’ (2 Kor. 8:5). Wanneer dit gebeurd is, mijn vrienden, laat de gelovige zich dan buigen voor de scepter van de Meester door zich te laten dopen in Zijn Naam, en zo het grote bevel gehoorzamen. Amen.


 

J.C. Philpot over de Doop der gelovigen

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief 12, aan Dhr. Isbell van 9-1-1840

Gij vraagt mij, hoe ik overtuigd werd van de doop der gelovigen? Ik zou niet weten iets toe te voegen aan hetgeen ik daaromtrent heb geschreven. Toen het onderwerp eerst post vatte in mijn gemoed, wendde ik mij in vijandschap daarvan af, aangezien het mij was alsof een man, met een zaag in zijn hand gereed stond om mijn appelboom om te houwen, die gouden appels droeg. Zoveel was mij duidelijk, dat als de doop van de gelovige de enige Schriftuurlijke was, ik moest breken met een stelsel, dat zich op de kinderdoop of besprenging grondt. Doch ik had er noch neiging toe noch geloof voor, temeer daar mijn gezondheid maar redelijk was en mijn gehele inkomen uit de gevestigde kerk kwam. Evenwel zag ik in, dat de Schrift geen andere doop beveelt noch er een voorbeeld van geeft; waar nog bij kwam een gezicht van de ontzaggelijke spotternij van de dienst der Engelse kerk in het besprengen der kinderen, aan welken ik gelukkig steeds ontkwam, omdat ik een hulpprediker had, die dat zowel als alle ander vormelijk werk verrichtte. Omtrent die tijd waren er ook van mijn vrienden, die zich van de Staatskerk afscheidden en gedoopt werden, en dewijl ik in gelijke vriendschapsbetrekking met hen bleef verkeren en wij nogal eens dit onderwerp bespraken, werden mijn overtuigingen steeds sterker, totdat zij eindelijk alle banden en boeien overtroffen, en mij uit Babylon deed gaan.

Omstreeks zes maanden, nadat ik de Staatskerk verlaten had, werd ik door de heer Warburton gedoopt, en heb er sindsdien nooit aan getwijfeld of het een Evangelische ordinantie is, schoon ik er geen trek toe heb om er een Schibboleth van te maken, of het tot een verheven plaats van mijn bediening te stellen. De wijze waarop zoveel Baptisten daarover handelen staat mij tegen, want het schijnt hun alles in allen – en het grote keerpunt te zijn; en daarom merk ik het liever aan als een bevel, dat uit Goddelijk onderwijs en liefde moet gehoorzaamd worden. ‘Indien gij Mij lief hebt, zo bewaart Mijn geboden.’ Doch sommigen van mijn liefste vrienden en beste hoorders zijn geen baptisten, en dat is geen hefboom nog struikelblok tussen onze vriendschap en liefde.

Niettemin kan ik de heer Triggs noch wijlen Mr. Fowler toegeven, dat het een onverschillige zaak is, of in onze ijver voor geestelijke wezenlijkheid zulk een duidelijk bevel des Heeren maar ter zijde te stellen, en de handelingen van Zijn Apostelen tot niets betekenende dingen en schaduwen te verlagen. Jezus is de Wetgever van Zijn uitverkorenen, en wie Zijn bevelen minachten vereren Hem weinig. In Matth. 5:19 lezen wij een ontzaggelijk woord, en gij mocht wel bedacht zijn op het verschil, dat er bestaat tussen overtreding door zwakheid, en het verzuimen door minachting of verachting door verharding des harten. En ik meen te mogen zeggen, dat gij de scherpe snede van dat genoemd vers zult gevoeld hebben, in die uitdrukking: ‘En de mensen alzo zal geleerd hebben.’ De gedachte is mij wel eens tot troost geweest, dat welke mijn overtredingen ook mogen geweest zijn, ik de mensen toch zo niet geleerd heb, en heb nimmer enige afwijking van het enge en nauwe pad gerechtvaardigd hetzij voor mijzelf of anderen. En hier stel ik een groot verschil tussen de tegenstanders van de doop en de verachters ervan.

S. heeft er tegen gepredikt, en ik geloof dat hij de doop der gelovigen belachelijk voorstelde. Daarom wilde ik de gelegenheid om met hem te corresponderen niet voorbij laten gaan, zonder hem zijn dwaling onder ogen te brengen. Dit heeft wederzijds een warme discussie tot gevolg gehad, en als ik in mijn antwoord hem voorstelde, dat ik misschien éénmaal per jaar over de doop van de kansel spreek, dan kon hij niet verstaan, hoe ik daarin getrouw geacht kon worden, terwijl ik hem tegenstond als die dezelve verloochent. Hij zag het onderscheid tussen het blind zijn voor, en tegenstaan van, een waarheid niet in. Had gij bijv. over het onderwerp gezwegen, ik zou het niet te berde gebracht hebben; maar had gij het bestreden, ik zou het verdedigd hebben, en ik zou menen,dat dit onderscheid zeer verstaanbaar is.

Als uw kerk niet baptistisch is, dan zult gij ondervinden, dat het spreken over de doop alles in vlam zal zetten, en een oorzaak van twist blijkt te zijn. Maar ik wil niet, dat gij het verkleind voorstelt, wanneer de Heere het op uw ziel geboden heeft, en de krachtigste preek die gij erover preken kunt, zou zijn om uzelf aan de doop te onderwerpen. Niettemin zou de storm ook het oude kaf kunnen uitwannen, met hetwelk u ongetwijfeld zeer bezet bent, dan uzelf wenst en weet. Gij hebt waarschijnlijk wel eerder opgemerkt, dat de oude leden van de kerken gewoonlijk niet de meest geestelijken of leerzaamsten zijn, en dat onze eerste hoop en verwachting gevestigd is op hen, die de Heere ons als zegelen op onze bediening gaf. En gij zult ondervinden, dat de doop meer ergernis geeft aan de oude leden dan uw andere prediking, omdat het een meer voelbaar punt is en het voor hen de verkenningsplek is, van waaruit zij hun geschut stellen tegen wat zij noemen: uw bitteren geest enz. Dat het u daarom een keerpunt zij; en nochtans zij het zo niet voorgesteld, maar enkel als een waarheid door de Heere geleerd.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief 21, aan Dhr. Parry van 12-3-1840

Vriend * zal bij mij niet bevinden, dat ik in het openbaar noch in het verborgen van den doop een oorzaak van strijd maak. Word ik aangevallen dan zoek ik mijzelf te verdedigen, en wanneer men mij verantwoording afvraagt geef ik ze; maar ik wens nimmer een geschil op te werpen of nodelozen strijd uit te lok­ken. Kan vriend Dredge zeggen, dat ik hem afsneed, omdat hij niet Baptist is? Kan hij aanwijzen, dat ik den heer Wild en an­deren meer genegen was? Kan hij zich een enkele leerrede of toespraak, van den kansel of op enige andere wijze bijbrengen, waarin ik den niet-baptisten veroordeelde? Ik geloof, dat zoo ik ooit feilde, het meer aan den anderen kant was. Hij heeft daar­om geen reden te zeggen dat ik hem afsneed. Ik heb een vas­te overtuiging aangaande die zaak, reeds voor dat ik hem kende, en voor dit geloof meen ik Schriftuurlijke gronden te hebben. Zo hij kan, hij mag ze omverwerpen; maar als hem dat niet mogelijk is, dan zal hij wel doen den raad van Gamaliël optevolgen. (Hand. 5:39). Wanneer ik de wereld kon doorgaan met hier iets van de waarheid aftenemen, en daar een hoek afteronden, dan zou ik mij van vele pijlen uitwendig bevrijd zien. Een getrouw man gelijk hij zou niet over trouweloosheid klagen. Indien hij of iemand anders met zachtmoedigheid of wijsheid mij kan aantonen, dat mijn bewijsredenen vals zijn, dat zij het doen; maar laten zij ophouden de waarheid tegen te staan, omdat zij hen afsnijdt. Ik hoop niettemin, dat zijn oog en hart met heilige olie gezalfd zal worden, en dat zal hem in rechte paden leiden. Het verblijdt mij, dat onze hooggewaardeerde vriendin Mej. Wild niet boos is door mijn aantekening over de engere (Stricte) gemeenschap; ik houd mij verzekerd, dat zij mij waardiger is dan duizend slechte Baptisten.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, aan Dhr. Grace van 18-6-1859

Het is zeer jammer, dat degenen, die den doop tegenstaan, zulk een hoge vlucht nemen. Zeer zelden gevoel ik lust en begeerte iets over dit onderwerp te zeggen, — niet, omdat ik desaangaande in twij­fel ben of dat niet vasthoud, maar dewijl het mij toeschijnt, dat er veel gewichtiger zaken te verkondigen zijn, en in welke het leven en de kracht der Godzaligheid bestaat. Gods volk, en bijzonder zij die onder beproeving en oefeningen zijn, hebben vaster spijs voor hun zielen nodig, en velen van hen gaan gebogen onder verzoeking en droefheid. Dezulken begeren datgene te horen, wat hun harten een gezegende balsem is, en alles behalve Christus en Zijn bloed in zijn gezegende kracht en uitwerking, is in hun beschouwing van geen waarde.
Inzettingen er regelsn zijn goed op hun plaats, doch zij mo­gen nooit de voorrang innemen boven dat ééne nodige, de Zaligmaker en Zijn volbrachte werk, en de onderwijzing des Hei­ligen Geestes, waardoor Hij gekend wordt.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, aan Dhr. Leigh van 14-2-1862

Nu al de dingen mogen wel goed overwogen worden, en uitge­breid voor den Heere, en niet weer opgenomen tenzij het Hem behaagt te leren en te leiden. Het voorrecht om lid van een Evangelische kerk te zijn, is waarlijk groot. Het is een grote eer in het openbaar den naam van Christus te belijden, aan Zijn tafel aan te zitten, en verenigd te zijn in gezelschap met degenen, die God vrezen en voor Hem wandelen in het licht van Zijn aangezicht. Doch naarmate de grootheid van het voorrecht, is de noodzakelijkheid om elke stap door de Heere zelf geleid te worden. Niets is gemakkelijker dan zich te laten dopen en met een kerk zich te verenigen. Het wordt door honderden gedaan, wiens Godsdienst geheel en alleen in het vlees bestaat. Maar een geestelijk mens kan in zulk een vleselijke weg zich niet voorwaarts bewegen; en wanneer hij het moge doen, zal hij van achteren niets anders vinden dan slavernij en veroordeling.

Gij zult, en terecht, denken, dat ik u in deze zaak weinig van nut ben. En dat is zo, omdat ik zou wensen, dat de Heer al­leen u moge leiden. Uit hetgeen ik in het eerste gedeelte van deze brief schreef, zou men kunnen denken, dat het bij mij wei­nig van betekenis is wat een Kerk van Christus is, of dat het wel regt is voor een Christen om er lid van te worden. Doch hiermee zou men mijn bedoeling zeer misvatten. Inderdaad, juist het tegenovergestelde. Omdat ik een zodanige beschouwing van de kerk heb, en van de zegen om onder Goddelijke onder­wijzing lid van haar te zijn, schreef ik zoals ik schreef. Niet uit onverschilligheid, maar uit inzicht van het geestelijk karakter van de gehele zaak, ontstaan zoveel moeilijkheden in mijn gemoed. Als bewijs hiervan kan dienen, dat ik in mijn bediening schier nooit de Doop of een Evangeliekerk aanroer, niet dat ik het minder vasthoud dan die Leraars, die er altijd over spreken, maar ik wens, dat de Heere zelf Zijn volk er toe brengt om het voor zichzelf te zien, en overreed te zijn door Zijn eigen liefelijke en onoverwinnelijke kracht.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, aan Dhr. Tips te Rotterdam van 30-10-1857

Op die tijd liet mijn ge­zondheid veel te wensen over, ik was zonder enige bezitting, en had ook geen uitzicht op iets; maar evenals Abraham ging ik uit op de roeping Gods en mijn consciëntie, niet wetende waar­heen, en door rijke genade werd ik gesterkt, met Mozes de versmaadheid van Christus meerder rijkdommen te achten dan de schatten van Egypte. Niettemin werd mij, als antwoord op de gebeden van een geestelijke vriend, al spoedig een deur ge­opend om buiten de Staatskerk het Evangelie te prediken, en sindsdien heb ik een bediening onder de Particuliere Bap­tisten, — een Godsdienstige benaming in ons land gegeven aan degenen, die vasthouden aan de doop — d. i. indompeling, zoals gij het woord doop en dopen in uw overzetting terecht heb behouden — der gelovigen alleen, en evenzo dat het Avondmaal des Heeren overeenkomstig Apostolisch gebruik, beperkt blijft tot de gedoopte gelovigen, zich houdende aan de leerstellingen die gemeenlijk genoemd worden de leer der genade, en die zoo dui­delijk geformuleerd zijn door uw vaderen in de Synode te Dordrecht.


 

Philpot over zijn eigen Doop

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Dhr. J. Parry te Allington van 29-8-1835

Gij spreekt over het dopen. Maar desaangaande ben ik vol twijfel en vrees. Vooreerst gevoel ik, dat mijn rampzalig ongeloof, zon­digheid, hardheid des harten, afkerigheden, onkunde van Chris­tus, en menigvuldige verdorvenheden als zoveel machtige belet­selen mij in de weg staan. Ten tweede is mijn arm, zwak, broos, waggelend, gevoelig lichaam oorzaak van menige aanvallen. Doch wanneer ik Jezus aan de andere zijde van het water zag staan, zou ik er mij toch bepaald aan wagen er door te gaan. Het komt mij voor, dat de gunstigste gelegenheid van het warme weer dat wij gehad hebben, nu voorbij is. En ik voeg er bij, dat zo ik mij nog dit jaar aan die ordinantie zal onderworpen, het niet in de herfst moet plaats hebben. De 13e September zal de laatste Zondag zijn dat het zal kunnen geschieden, en ik verzeker u, dat ik dankbaar zal zijn er met een verkoudheid af te komen. Ik wilde de Heer Warburton vragen mij te dopen, want indien het gebeurt, dan wens ik het door geen andere gedaan te hebben. Indien hij dan de 13 September komen kan, zo wil ik, onder bekwaammaking des Heeren, het voorbeeld volgen van het grote Hoofd der Kerk, gaande door de wateren der Jordaan. Gij zult de heer Warburton wel onmiddellijk willen schrijven en hem tot dat doel uitnodigen, en meteen hem verzoeken om te prediken, dewijl ik het op die dag niet zal kunnen doen. Ik hoop evenwel dat de gemeente in generlei opzicht menen zal, dat mijn betrekking tot haar daarmee veranderen zal. Ik blijf steeds niets anders dan een hulp, die zich bereid verklaart te gaan en te blijven zolang wij wederkerig elkaar zullen pas­sen. Ik gevoel dagelijks meer en meer de arglistigheid en God­deloosheid van mijn bedrieglijk hart, en de ellendig geruïneerde staat waarin ik mij van nature en door de praktijk be­vind. Ik gevoel mij ten enemaal onwaardig een christen genoemd te worden, en gerekend onder degenen, die het Lam vol­gen. En ik wil mijzelf niet bewieroken in enige kerk, noch verheffen bij enig leraar of christen, als of ik iets ware. Ik ben bereid de laagste plaats in te nemen; en wie ook mijn christendom moge betwijfelen, die doet hetzelfde wat ik bestendig doe.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Dhr. Brookland van 23-9-1835

Ruim een week geleden had ik het voorrecht de dierbare Heere te volgen door de wateren des doops, en nooit had ik zulk een gevoelig be­sef van mijn onwaardigheid, dan op die dag. Het behaagde Hem mij te bewaren voor het minste vatten van koude, en mij meer vrijmoedigheid te geven bij het ingaan in Zijn graf der wa­teren, dan ik had durven verwachten vanwege mijn veelvuldige lichamelijke en geestelijke verzoekingen en oefeningen. De heer War­burton predikte, en doopte mij met de grootste plechtigheid, zalving en liefde.


 

Philpot over het bedienen van de Doop in zijn gemeenten Stamford en Oakham

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Mej. Philpot, zus Fanny, van 28-10-1840

Het spijt mij, dat sommigen uwer zich hebben gestoten aan mijn uitstellen van het dopen en de formering ener gemeente. Ik wacht op bouwstof eer ik begin. Er zijn hier velen, naar ik geloof levende zielen, maar die te weinig bevorderd zijn tot den doop; en wat mijzelf betreft, ik geloof niet met enige veilig­heid voor mijzelf te kunnen dopen, aangezien de indompe­ling zo lang in koud water een gedeeltelijk blootstellen is van mijn lichaam aan die koude, welke mij waarschijnlijk zeer nadelig zou wezen. Doch onderscheidenen hebben hun begeerte om gedoopt te worden te kennen gegeven. Het volgend jaar verwacht ik de heer Warburton, die waarschijnlijk gevraagd zal worden om de doop te bedienen, gelijk hij hier tevoren deed. Met te wachten bedoel ik dus niet het te vertragen of af te stel­len. Een begin is er alreeds gemaakt, dewijl Warburton in het vo­rige jaar hier twee van mijn hoorders doopte, die leden der gemeen­te zouden zijn zodra zij gevestigd werd. De vorming ener ge­meente zal veel moeiten met zich brengen. De satan zal de hete as van hoogmoed, jaloezie, haat, wantrouwen en strijd aan­blazen, en de liefde zal schier niet sterk genoeg zijn om de vlam­men, die voortkomen, te verduren. Waar ik ook geweest ben, overal vond ik het moeilijk. Te A. schijnt een mijner warmste vrienden en waarschijnlijk meest trouwe hoorders, thans geheel van mij vervreemd te zijn, omdat ik de strengere (stricte) gemeenschap in de Gospel Standard verdedigd heb. Ik hoop evenwel nooit de waarheid op te geven, wiens vriendschap het mij ook moge kosten; noch mij te bekommeren over ironsels of toelaching in het verdedigen van het Evangelie. Gij moet menig hard woord en onvriendelijke bejegening verwachten, zowel van de belijders der waarheid als van de wereld. In het eerst zijn wij niet altijd daar­toe bereid, en ook niet bekwaam om te dragen. Smaad en afstoting verwachten wij van de wereld en de vijanden der waarheid, maar van degenen, die belijden tot het volk van God te behoren, stellen wij ons zo weinig die onvriendelijkheid voor, als wij ons bereid gevoelen om ze te dulden. Maar hoe pijnlijk ook voor het vlees, toch werken al deze dingen mee tot ons geestelijk goed. Zij drijven de ziel meer eenvoudig en ernstig tot den Heere, spenen aan de afgoden en trekken de ziel af van te leunen op Assyrië en Egypte, ondervindende dat het een steunen is op een gebroken rietstok, die de band doorboort.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Dhr. Tiptaft, van 26-03-1849

Herinner u slechts D. C. van A., — hoe haar man, die ’s morgens toen zij gedoopt zou wor­den, met het mes aan de deur stond om haar door te steken, en hoe zij van uit het venster heen ging, gedoopt werd, en zo wij hopen alles bestuurd werd ook ten zijne nutte. Mij kwam heden morgen een blaadtje in handen, waarin ik een verhaal las van een arme vrouw, die veel overeenkomst had met de zaak van Mej. C. Mij dunkt, dat er veel afhangt van haar gemoedsstaat, welke leidingen zij ontwaart, welke beloften de Heere aan haar ziel heeft toepast, wat geloof en sterkte zij in beoefening heeft, hoe haar eigen geweten in de zaak spreekt. Het is uiterst moeilijk zekere regels te stellen, waarnaar in zulke zaken te hande­len, want wat de een kan doen, vermag daarom de andere nog niet. Petrus, die eens zijn Meester verloochende, kon nader­hand gekruisigd worden met het hoofd naar beneden. Nicodémus die eerst bij nacht durft komen, verstout zich later vrijmoedig in Pilatus tegenwoordigheid. Elia vliedt voor Izebel, en treedt Achab tegen in Naboth’s wijngaard. David verslaat Goliath, en vlucht later voor Absalom. Dus, goede mensen handelen onder­scheidelijk naarmate het geloof zwak of sterk is; en wij zouden het niemand durven aanraden op de golven der zee te wandelen, tenzij wij wisten, dat Petrus’ Heere hem nabij en Petrus’ geloof bij hem in oefening was. Ik wil dus graag verschoond blijven om te zeggen dat zij zo en zo moet handelen in deze moeilijke zaak. Wij gevoelen evenwel moed genoeg om te hopen, dat de Heere haar zal leiden, dewijl Hij haar Zijn beloften verzekerde.

Gisteren hadden wij hier een samenkomst in de Kerk. Twee kandidaten werden bereidvaardig aangenomen, Mej. B. uit M. en Mej. L. uit K. Beiden waren ons zeer welkom, maar bijzonder de laatste. O, hoe beminnelijk en krachtig sprak zij! Ik weet niet ooit zo verpletterd te zijn geweest onder het aanhoren van een bevinding, en ik verzeker mij, dat allen weenden. Ik wist niet, dat ik zulk een toehoorder had. Zij was en is een zeer diep be­proefde vrouw; lichaaamspijn, smartelijke verliezen, daarbij onlangs diep verarmd en vele zielesmarten hebben haar zeer vernederd; doch laatstleden werd zij zeer in haar ziel gezegend, en bijzon­der voor een veertien dagen en de volgenden dingsdag. Behalve dit laatste, genoot zij enige jaren geleden een rijke zielezegen. Ik geloof niet dat wij ooit een kandidate voor de gemeente hadden, die zo dadelijk deelde in het genot der zaken. Anderen mogen een even goede bevinding hebben, maar met die geur, zegen en kracht derzelve kwamen zij niet tot de gemeente. Het schijnt mij geheel te bemoedigen in het werk; zij wist te spreken van wat zij gevoelde onder deze en die predikatie, en hoe het haar bij bleef en wat het bij haar wrocht en naliet vertelde zij zoo duidelijk en aannemelijk. Zij ondervond grote beproeving in haar opgaan naar het bedehuis, aangezien ze in haar huis veel tegenstand en in haar lichaam veel te lijden had. Acht of negen jaren lang was zij onder mijn hoorders.

S. heeft wederom veel aan hare ziel genoten. Zij meende te zullen sterven, doch gevoelde geen vrees. Zij had grote be­geerte om u te zien. Sommige der vrienden, ik geloof ook J. C. onder hen, hebben haar ontmoet en denken goed over haar.

De getuigenis van Mej. L. heeft ons allen zeer bemoedigd. Mij dunkt, ik zou mij niet bekommeren om de sprake van honderden vijanden, wanneer de Heere zich verwaardigde zo het woord te zegenen.

Indien ik kan, hoop ik (D.V.) de drie kandidaten te dopen op 8 April. Mej. L sprak er over, dat zij u over de doop gehoord had. Welk een kracht is er in de waren Godsdienst, en wat kan daarmee vergeleken worden; maar hoe wordt hij door beproevingen en oefeningen verkregen! Mijn hart kleeft meer en meer aan de kracht. Buiten haar is alles niets waard, — slechts een vertienen van de munt, de dille en de komijn. Mej. B. van K. spreekt zeer hoog van den wandel en het leven van Mej. L.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Dhr. Godwin, van 24-04-1849

De voorgaande dag des Heeren bediende ik hier den doop, en naar ik hoor, genoten de dopelingen grote zegen aan hun­ne ziel. Een derzelve genoot zoveel, dat zij den volgenden nacht niet kon slapen, en twee, drie dagen lang onophoudelijk God prees en loofde; zodat wij enig bewijs hebben, dat de Heere ons niet heeft verlaten, wat ook de mensen zeggen of vermoeden. Inderdaad, het betekent weinig wat de mensen zeggen of den­ken van ons, het zij voor of tegen ons. Indien God vóór ons is, wat doet het er toe wie tegen ons is? en als God tegen ons is, wat geeft het ons wie voor ons is? Mijn gemoed is hier veel meer dan vroeger. Alles roept luide: ‘Onthoud u van men­sen,’ die noch van u noch van zichzelf een haar kunnen wit of zwart maken. Hoeveel beter is het, in plaats van des men­sen toelaching te zoeken of zijn fronsels te vrezen, onze weg den Heere te bevelen, Zijne tegenwoordigheid en gunst te zoe­ken, Zijn wil begeren te kennen en te doen, en te leven en te wandelen in Zijn vrees! Welke ondersteuning bij beproeving, verlossing uit verzoeking, troost in verdrukking, onderwerping in krankheid of vrede bij de dood kan de mens ons geven? Wel­ke blinde gelovige dwazen derhalve, om zoveel op het schep­sel en zo weinig op de Schepper te zien.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Dhr. Godwin, van 7-06-1849

Dinsdag middag kwam tot mij een vrouw, die een getrouw hoorder was sinds de kapel geopend is. Vele jaren geleden had de Heere haar ziel levend gemaakt en gezegend, maar in de laatste zeven of acht jaren was zij in een lauwe belijdenis, hebbende pas genoeg leven om zich te onttrekken aan de wereld, en staande te blijven onder hare zorgen en bekommernissen. Doch sinds de laatste maanden heeft de Heere ander­maal Zijn hand tot haar uitgestrekt, en een krachtig en gezegend werk in haar ziel gewrocht, haar eerst brengende tot de diepste zelfverfoeijing en droefheid over haren langdurige afgezakte toe­stand, en daarna Zijn genade en liefde aan haar ziel openba­rende. Zij kon nauwelijks spreken vanwege aandoeningen, en loof­de en prees den Heere voor Zijn barmhartigheden. Al was die zegen niet geheel aan de prediking verbonden, toch verzekerde zij, in de laatste tijd als met nieuwe oren te hebben gehoord; en het werk scheen als geholpen door het woord. D. V. zal zij in de volgende samenkomst voor de gemeente gesteld worden, en ik twijfel niet of zij zal met blijdschap aangenomen worden, en ik hoop haar te kunnen dopen op mijn laatste zondag te Oakham.

Gelijk gij weet ben ik niet vaardig in het aannemen van zogenaamde zegeningen, vooral niet wanneer ze gezegd worden onder mijn prediking te hebben plaatsgegrepen; maar deze zaken in Oak­ham waren zoo klaar, en de getuigenis door de vrienden afgelegd ging met zoveel geur en kracht vergezeld, dat ik ze geloven moest, daar ze met zulk een gewicht tot mijne consciëntie kwa­men.

Wanneer ik, te midden van dat alles een blik naar binnen sla, dan is er veel dat mij veroordeelt. Mijne vorige afwijkingen ko­men mij voor de aandacht, met vele zonden en verzoekingen, be­halve mijn voortdurende neiging tot vleselijkheid en dwaas­heid. En wanneer dan deze aanvallen van buiten komen, doet het mij neerzinken alsof de Heere een geweldigen twist met mij had, en welke schijnt te eindigen in de rechtvaardiging mijner vijanden en in het openbaar maken dat ik jammerlijk en wellicht geheel verkeerd ben. Waarom heb ik zooveel tegenstanders? An­dere leraars gaan ongemoeid door; maar tegen mij wordt ge­schrift op geschrift uitgegeven, alsof ze mij geheel zouden vernie­tigen. Als dit de prijs is waarmee een groot gehoor, zoals ik in Allington en elders mag hebben, betaald wordt, dan vind ik dat zeer duur. Toen ik, na het horen van L. ’s getuigenis in de kerkvergadering te Oakham, door de geopende consistorie ging, ge­denkende aan de predikatie, zeide ik hij mijzelf: ‘Als de Heers mijn woord zoo belieft te zegenen aan het volk, laat ik dan voort­gaan met prediken; en op geen honderde tegenstanders acht geven.’

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Dhr. Godwin, van 19-06-1849

Zondag hadden wij hier een gemeentelijke samenkomst, en namen twee doopkandidaten aan. Zij werden beiden met blijd­schap ontvangen, en bij vrienden en hoorders ten goede bekend van het begin dat ik te Oakham kwam; in het bijzonder gaf de één een gezegende getuigenis, als delende in het liefe­lijk genot der liefde Gods, zodat zij sprak van den zegen des Heeren aan haar ziel, die zij onafgebroken genoot. Jarenlang was zij, schoon uitwendig zedig, een innerlijk vijandige vrouw; maar o, met welk een zelfverfoeiing sprak zij op onze samenkomst waarbij tranen van droefheid en liefde beide getuigden van haar bekering.

Gisteren ging ik naar K., en ontmoette haar en de vrouw, die ik onlangs doopte, die zulk een ontzagelijken invloed op ons uit­oefende. Ik vond daar dus twee andere begenadigden, beide ge­trouwe bezoekers van onze kapel, — waarvan de ene vrouw jaren geleden door de Heere wonderlijk gezegend werd in een ern­stige krankte, doch die later zeer beproefd en gekastijd werd. Sinds de Heere hier het werk verlevendigde heb ik meer van de vrien­den mogen bemerken, en wanneer gij hier eens wederkomt dan zult gij niet voor stokken en stenen behoeven te prediken. Te midden van al onze banden en duisternis is er leven en gevoel in sommiger hart, en ik ben verzekerd, dat behalve bewust leven in eigen ziel, niets zoo bemoedigend en aantrekkelijk is dan leven in de toehoorders te ontwaren.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Dhr. Godwin, van 25-03-1851

Laatstleden Zondag heb ik hier aan drie personen den doop bediend, en ik geloof, dat de Heere met ons was.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Dhr. Godwin, van 25-03-1854

Mevrouw S. heeft een liefelijke en gezegende getuigenis voor de gemeente afgelegd. Nimmer hoorde ik aangenamer spreken van de liefde Gods in een arm zondaarshart uitgestort. Het was fris en warm in haar ziel en daarom kwam het zoet en zalvend uit de mond. Ik bemerk, dat zij sindsdien er zeer door beproefd is geworden.

(D.V.) hoop ik morgen drie leden te dopen, en bid van den Heere dat wij een goede dag mogen hebben. Ik verwacht, dat wij ook te Oakham weldra de doop zullen bedienen, dewijl een kandidate zich reeds aanmeldde en een ander verwacht wordt.

Maandag 27 Maart: Ik had gisteren een zware dag en omdat het koud was, kon ik het moeilijk tot het einde volhouden. Het doopbassin is zeer onaangenaam en lastig, dewijl ze zeer lang is, en de vrouwen waren zeer aangedaan, zodat ik ze schier door het water moest dragen na ze op gene zijde gedoopt te hebben, en het tralie­werk onder mijn voeten bijna bezweek. Ik vertrouw evenwel, dat wij over het geheel een goede dag hadden. Heden ben ik geheel ongesteld, en heb daarom niet veel lust tot schrijven; doch ik ben gisteren genadiglijk doorgeholpen, en de dopelingen en het volk werden niet teleurgesteld.


 

Philpot beantwoordt tussen 1852-1866 vragen in de Gospel Standard over de bediening van de Doop
overgenomen uit ‘Afscheiding en Raadgevingen’

December 1854

13. Is het geoorloofd om kwaad te spreken over een afgewezen doopkandidaat?

Als een doopkandidaat aan een Evangeliegemeente wordt voorgesteld en om bepaalde redenen niet wordt aangenomen, is het dan Schriftuurlijk als een lid of meerdere leden dit vertellen aan wereldlingen en hun zo aanleiding geven om spottend over de Doop van gelovigen te spreken? Ik ben van mening dat in de gemeente, als een lichaam, deze dingen geheim moeten worden gehouden, ongeacht of deze persoon wordt aangenomen. U zou mij een dienst bewijzen door deze vraag in de Gospel Standard te beantwoorden.
Hoogachtend, een trouwe lezer.

Antwoord

Er kan geen twijfel over bestaan – in elk geval leeft er geen enkele twijfel in ons gemoed – dat het bovengenoemde gedrag hoogst ongepast en zeer laakbaar is. Bijzondere fijngevoeligheid is nodig als een doopkandidaat om een bepaalde reden niet is aangenomen. Hij is al diep gekwetst, omdat hij is afgewezen of het advies heeft gekregen om wat langer te wachten. Het is zeer grof, om niet te zeggen onchristelijk, om de pijn te verergeren door in de gemeente de reden van zijn afwijzing bekend te maken en hem zo, misschien zijn leven lang, als huichelaar te brandmerken. Niemand kan zeggen wat voor uitwerking dat in zijn gemoed zal hebben. De satan is een wrede tegenstander. Wat een wanhoop kan hij veroorzaken! Waartoe zal hij de arme ziel misschien drijven? Als de kandidaat een kind van God is, hoeft zijn droefheid niet verergerd te worden. Is hij geen kind van God, dan is het geen reden tot triomf, maar eerder tot droefheid, dat de gemeente hem moest afwijzen.

We geloven dat geen weldenkend mens hier een ogenblik over zal aarzelen. Daarom zouden we het pure tijdsverspilling vinden om meer woorden aan dit onderwerp te wijden, als de omstandigheden geen aanleiding gaven om enkele opmerkingen te maken over enige punten die hier nauw mee verbonden zijn, en om de gemeenten vriendelijk te waarschuwen en te vermanen.

Leden van een gemeente zouden moeten bedenken dat een gemeente een familie is en dat familieaangelegenheden nooit buiten de familie besproken moeten worden. De meest strikte geheimhouding is noodzakelijk, maar niet omdat de gemeenten zich moeten schamen voor hun handelingen. De wereld en degenen die buiten zijn, hebben echter geen recht om te weten wat zich in de boezem van de gemeente afspeelt. We weten dat de wereld zulke kennis alleen zou misbruiken en tegen de gemeente zou gebruiken. En zelfs bij hen die God vrezen, maar nu slechts uitwendige leden zijn van de gemeente en niet tot de belijdende leden behoren, heerst vaak eenzelfde geest van jaloezie die bij hen veelal dezelfde gevoelens opwekt. Al deze stukjes informatie en brokjes nieuws die op deze manier opgepikt kunnen worden, moeten wel onvolledig zijn. De betrokken partijen zijn zelf immers niet aanwezig. We weten allemaal hoe verkeerd brokstukken van conversatie en fragmenten van kerknieuws die uit rondzingende geruchten kunnen worden opgepikt, misbruikt kunnen worden. Stelt u zich voor dat er in de gemeente discussie is over een onderwerp. Moet de wereld dan een oordeel vellen over een aangelegenheid waarover ze niets meer weet dan enkele woorden die onnadenkend zijn uitgesproken? Moet de wereld onze rechter zijn? Moet die stem gehoord worden in kerkelijke vergaderingen? Moet de wereld de hoogste rechter zijn? Kunnen we onszelf niet regeren en moeten we onze aangelegenheden voorleggen aan anderen die niet tot hetzelfde kerkgenootschap behoren? Als elk lid van een christelijke gemeente onmiddellijk verontwaardigd ontkent dat de wereld het recht heeft om te oordelen over deze aangelegenheden, moeten we dan niet direct antwoorden: ‘Waarom zou u die gelegenheid bieden? Terecht ontzegt u de wereld het recht om over kerkelijke aangelegenheden te oordelen. Echter, elke keer dat u iets wat in de gemeente plaatsvindt, vertelt aan iemand die niet tot de gemeente behoort, maakt u hem tot een rechter over de gebeurtenis die u hem hebt gemeld.’

Dit is het punt dat we de gemeenteleden willen voorhouden. We doen namelijk vaak onbedachtzaam en onnadenkend wat we bedachtzaam en weloverwogen niet zouden doen. Gemeenteleden moeten zichzelf nooit toestaan om bij enige gelegenheid terloops iets te zeggen of zelfs een hint te geven aan iemand die geen belijdend lid is van dezelfde gemeente als zij. Voor echtparen is dit een bijzondere beproeving en soms zelfs een krachtige verzoeking, als een van de echtgenoten lid is van de gemeente en de andere niet. ‘Mijn liefste, dat is een aangelegenheid van de gemeente’, zou een kort antwoord zijn. Het zou een afdoende reactie moeten zijn op iedere poging om te horen wat er in de gemeente speelt. Maar ‘mijn liefste’ zal niet altijd tevreden zijn met zulke korte en eenvoudige antwoorden. Als de vraag gesteld wordt door het zwakkere vat, kan zij even graag het geheim willen ontraadselen als Eva en Delila. Zelfs als deze tedere band ons niet voor bijzondere verzoekingen stelt, kan er een christelijke vriend in de gemeente zijn met wie we ons verbonden voelen en die we onbedachtzaam – als geliefde vriend – kerkelijke aangelegenheden meedelen. Ouders kunnen onnadenkend een woord laten vallen voor hun kinderen, of heren en vrouwen voor hun knechten, waardoor ze zich een beeld – hoewel heel onvolledig – kunnen vormen van wat er speelt. Aan de hand van vermoedens en veronderstellingen kunnen de hoorders wat in de lengte of de breedte ontbreekt, ruimschoots uitbreiden. Daarom willen wij de gemeenteleden die deze opmerkingen mogelijk lezen, graag dringend waarschuwen dat ze niet de minste ruchtbaarheid moeten geven aan kerkelijke aangelegenheden. Ze mogen daar uitsluitend met belijdende leden van dezelfde gemeente over spreken. Alle kerkelijke aangelegenheden moeten beschouwd worden als kerkelijk eigendom. Als de gemeente bijeenkomt achter gesloten deuren, moet ze ook uiteengaan met gesloten lippen.

Nog een woord. We kunnen niet nalaten hieraan toe te voegen dat naar onze mening geen enkele kandidaat voor de gemeente mag verschijnen zonder voorafgaand, grondig onderzoek door de predikant en de aangewezen visitatoren, zodat er weinig twijfel meer bestaat dat hij door de gemeente aanvaard zal worden. Het is beter voor een kandidaat om honderd keer door hen teruggestuurd te worden dan eenmaal door de gemeente afgewezen te worden.

November 1855

22. Mogen leden achteraf bezwaren uiten tegen een doopkandidaat?

Mijnheer, omdat ik bedroefd ben, neem ik de vrijheid een vraag aan u te stellen. Een kandidaat voor de Doop der gelovigen kwam volgens de regels van de gemeente om verantwoording af te leggen van de hoop die in hem was, en werd zonder bezwaar aangenomen door de predikant, de diakenen en de leden. Na een aantal dagen hebben echter enkele leden bezwaren geuit, die tijdens de vergadering geen woord over die zaak gesproken hebben. Zij beweren nu dat in hun ogen de bevinding waarover hij sprak, te kort is. Als deze leden niet zo eerlijk waren om hun bezwaren tegen de kandidaat te uiten voordat de ordinantie bediend werd, zouden ze dan achteraf ook niet moeten zwijgen? De kandidaat is een man van goede zeden en zijn gedrag is onberispelijk. Als de gemeente misleid is, is dat een zaak tussen God en hen. Bovendien strookt zo’n onoprechte wandel niet met de geest van het Evangelie. Ik weet dat dit sommigen verdriet heeft gedaan. Anderen zeggen dat deze leden onoprecht zijn omdat ze hun overtuiging niet op het gepaste moment kenbaar gemaakt hebben. Als u in de Gospel Standard op deze vraag wilt ingaan, zult u iemand die in de gemeente vrede en eenheid begeert, een dienst bewijzen.
Een lezer.

Antwoord

Een beetje eerlijkheid vanaf het begin bespaart later vaak veel moeite. Het is onze vaste overtuiging dat de leden die aan het begin bezwaren hadden omtrent de bevinding van de kandidaat, hun mening op dat moment hadden moeten uiten. Door te zwijgen stemden ze stilzwijgend toe. Ze hadden de vrijheid vragen te stellen aan de kandidaat of bezwaren in te brengen tegen hem. Omdat ze geen van beide hebben gedaan, werd aangenomen dat ze evenzeer hun instemming betuigden als de overige aanwezigen. Het is wezenlijk dat een lid dat eenmaal is aangenomen, wordt behandeld als een broeder, net als het meest geoefende lid van de gemeente. Wees zo zorgvuldig mogelijk bij het aannemen van leden. Op dit punt dwalen veel gemeenten. Wij hebben moeite met de afwijzing van kandidaten als ze eenmaal aan de gemeente zijn voorgesteld, omdat dit een smet werpt op hun naam, hen kan kwetsen en benauwen, en twist en verdeeldheid kan veroorzaken onder de leden. Veel gemeenten zijn te laks in het voorkomen van deze kennelijke misstanden. Gezamenlijk aanvaarden ze kandidaten die iets over zichzelf kunnen vertellen, maar die ze persoonlijk liever niet zouden aannemen. Zo komen er veel leden in de gemeente tegen wie bezwaren leven. Langzamerhand wordt het zout van het lichaam aangetast en gemengd zaad gezaaid in een akker waar uitsluitend tarwe zou moeten staan. Om dit te voorkomen is eerst grote voorzichtigheid nodig. Zonder duidelijke tekenen van het werk van de genade in de ziel mag geen enkele kandidaat voor de gemeente toegelaten worden.

Laten we aannemen dat er drie deuren zijn waardoor we in de gemeente kunnen komen: De predikant, de diakenen en de gemeente zelf. De eerste deur moet het smalst zijn. Niemand zou die mogen passeren als de predikant geen goede indruk van hem heeft.[1] De predikant kan echter misleid worden en daarom moet de volgende poort ook zorgvuldig bewaakt worden. Een liefdevolle en vriendelijke vermaning tot uitstel is immers veel beter voor een kandidaat dan een afwijzing door de gemeente, of toelating tot de Doop zonder de hartelijke instemming van het grootste deel van de gemeente. Eenmaal aangenomen moet het nieuwe lid in alle opzichten als een broeder behandeld worden, tenzij zijn handel en wandel in strijd is met zijn belijdenis. Misschien is hij zwak. Dat is de pink ook, maar toch blijft deze een lid van ons lichaam. Velen zijn in de gemeente gekomen met de geringst mogelijke bevindelijke kennis. Er is echter opwas geweest. Sommigen van deze leden zijn door hun stilheid en beginselvastheid in hun leven een sieraad voor de gemeente geweest en zijn zalig gestorven. De apostel veroordeelt onder andere achterklap en oorblazingen (2 Kor. 12:20). Geen enkele gemeente kan bloeien zonder liefde en eenheid, die alleen ontluiken waar veel wederzijdse verdraagzaamheid gevonden wordt. Daarom is niets verwoestender dan de onoprechte handelwijze die de briefschrijver noemt. Het zou beter zijn om tien huichelaars te verdragen dan om de vrede van de gemeente te verstoren of één kind van God te benauwen en te krenken.

23. Wat is gebruikelijk bij de toelating van kandidaten?

Na publicatie van bovenstaand antwoord heeft Philpot in de Gospel Standard van februari 1856 een aanvullende vraag beantwoord, die hieronder is geplaatst.

Mijnheer, nadat ik een vraag gezien heb over het toelaten van leden tot de gemeente op pagina 343 in het novembernummer van de Gospel Standard, wil ik graag twee aanvullende vragen stellen.

  1. Moeten de kandidaten aanwezig zijn bij het besluit van de gemeente over hun toelating, nadat ze getuigenis hebben afgelegd van hun bekering?
  2. Moeten we door handopsteking stemmen over de toelating van vijf of zes leden tegelijk, of voor één kandidaat per keer?

Uw nederige dienaar heeft genoeg aan een heel kort antwoord, als u deze vraag een antwoord waardig keurt.
Onderzoeker.

Antwoord

Zoals is verzocht, zullen we een kort antwoord geven op de gestelde vragen.

  1. Terwijl de gemeente een besluit neemt over hun toelating, moeten de kandidaten zich beslist terugtrekken. Hoe kan er vrijuit gesproken worden in hun aanwezigheid? Hoe pijnlijk voor hen en hoe belemmerend voor de gemeente als zij alle argumenten horen die voor en tegen hen worden ingebracht! Feitelijk hebben we nog nooit gehoord dat een kandidaat bij een dergelijke gelegenheid aanwezig was of dat een gemeente zo onverstandig zou kunnen handelen.

Is een kandidaat eenmaal toegelaten, dan zien we geen enkel bezwaar tegen zijn aanwezigheid wanneer de kandidaten na hem over hun bekering vertellen. Omdat hij echter nog geen lid van de gemeente is, heeft hij vanzelfsprekend geen stem en inbreng in de procedure.

  1. Er moet absoluut niet meer dan één kandidaat per keer gehoord worden en over zijn zaak moet een definitief besluit genomen zijn. Pas als zijn zaak is afgehandeld, komt de volgende kandidaat naar voren. Hij wordt gehoord en er wordt een beslissing genomen over zijn toelating of afwijzing. In ons land kunnen er beslist geen gemeenten van de waarheid zijn, waar zo weinig orde en regel is dat de praktijken worden toegelaten waarvoor de briefschrijver onze aandacht heeft gevraagd. ‘Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.’ Zulke gemeenten laten zich beslist niet door deze regel leiden.

Oktober 1856

38. Mag iemand gedoopt worden die reeds eerder in zijn natuurstaat is gedoopt?

Geachte heer, mag een predikant die de waarheid Gods verkondigt, iemand dopen door onderdompeling als hij weet dat dezelfde persoon al eerder is gedoopt, en ook weet dat hij vroeger behoorde tot de General Baptists? Verdienen wij, als Particular Baptists, niet terecht de naam anabaptisten of wederdopers als we dat doen?
Een trouwe lezer. 19 februari 1856

Antwoord

Wij geloven dat de doop niet geldt als iemand in zijn natuurstaat door de General Baptists is gedoopt. Vanzelfsprekend bedoelen we hier de doop door onderdompeling. Dit was geen geloofsdaad, geen vrucht van Gods genade, en Zijn heilige goedkeuring was daaraan niet gehecht, omdat het slechts zonde was (Rom. 14:23). Deze doop is naar onze mening net zo min geldig als de besprenging van kinderen en heeft grotendeels dezelfde grondslag. Laten we veronderstellen dat het kind ondergedompeld is, zoals vroeger de gewoonte was. We zouden dat niet als de Doop aanvaarden, omdat de gedoopte het geloof mist. Wat is dan het verschil tussen de onderdompeling van een kind en de doop van een volwassene in een staat van ongeloof? De leeftijd is niet van belang, want een kind van acht of negen jaar of jonger kan geloven en gedoopt worden. Van belang is echter of de dopeling het geloof bezit.

Als er dus iemand voor onze gemeente verschijnt, die naar zijn eigen mening gedoopt is toen hij nog een dode belijder was, achten we het zeker juist dat hij – net als alle andere doopkandidaten – gedoopt wordt. We spreken niet over herdopen, omdat we de eerste doop geheel ongeldig achten.

Was hij echter, hoewel hij door de General Baptists gedoopt is, op het moment van de doopbediening al een deelgenoot van de genade en was het ontvangen van de ordinantie een geloofsdaad? Dan achten we het niet juist om hem opnieuw te dopen.

60. Kan een zieke vrouw buiten de Doop om lid worden?

Geachte heer, het volgende is mij ter ore gekomen. Ik voor mij zou dankbaar zijn als de Heere uw hart zou willen neigen om in de Gospel Standard uw mening daarover te geven. Een lid van een baptistengemeente heeft een vrouw die door genade geroepen is en nu met haar hele hart de Doop van de gelovigen omhelst. Ze gaat echter gebukt onder een chronische ziekte, waardoor ze de ordinantie van de Doop niet kan ontvangen. Ze begeert vurig Gods volk te ontmoeten en voelt dat ze zich uitsluitend kan voegen bij hen die het gesloten Avondmaal in ere houden. Zou het onder zulke omstandigheden strijdig met de ordening van het Evangelie zijn om haar op te nemen in de gemeente (zonder een precedent te scheppen)? Haar ziekte en lichamelijke zwakheid maken het voor haar immers onmogelijk om de ordinantie van de Doop te ontvangen, hoewel zij dat vurig wenst. Hoogachtend, een trouwe lezer.

Antwoord

Dit is precies de manier waarop dwaling en zonde de gemeente binnensluipen en de waarheid en ordening van het Evangelie ondermijnen. Onderdompeling maakte plaats voor uitgieting, het gieten van water over het hoofd of gezicht, en daarna voor besprenging. Zo werd de Doop feitelijk geloochend en ontkracht. Juist verzoeken en verontschuldigingen zoals hierboven waren daar de oorzaak van. Al heel vroeg in de geschiedenis van de gemeente werd het regel om de Doop uit te stellen, vanwege de bijgelovige gedachte dat de Doop de zonde kon afwassen. Het gevolg was dat de Doop vaak zo lang werd uitgesteld dat onderdompeling van de stervende niet meer mogelijk was. Moest hij dan zonder de Doop, en dus zonder vergeving, sterven? Naarmate de Doop meer tot een zaligmakende ordinantie werd verheven, werd de noodzaak van de bediening groter. Deze moeilijkheid werd als volgt opgelost. De geleerde theologen beslisten dat het uitgieten van het water over het gezicht even goed was als het onderdompelen van het hele lichaam. De stervende kon dus vergeving ontvangen zonder zijn leven in gevaar te brengen.

De volgende stap was heel gemakkelijk. Bij de zonde leidt de ene stap tot de volgende; zo ook bij de dwaling. Als het geoorloofd is om water uit een bekken te gieten, kunnen we ook een beetje water uit het bekken op de dopeling sprenkelen. Nu de wijze waarop de ordinantie bediend wordt, eenmaal veranderd is en het bekken in plaats van de rivier of het doopbassin gekomen is, kan het ook niet veel meer uitmaken of al het water of slechts een deel daarvan wordt gebruikt. Toen de ordinantie niet langer meer werd bediend zoals ze door de Heere was ingesteld en door de apostelen werd bediend, kwam stap voor stap de dwaling de gemeente binnen en kreeg er vaste voet aan de grond. Toen was de overgang van de Doop van volwassen gelovigen naar de besprenging van alle kinderen gemakkelijk.

God is jaloers op Zijn eigen voorschriften. Misschien lijkt het passender en praktischer om de ark te vervoeren op een nieuwe wagen dan om deze op de schouders te dragen. Dat dacht God echter niet en daarom toonde Hij Zijn ongenoegen door een ernstige straf. Hij heeft ‘onder ons een scheur gedaan, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht’ (1 Kron. 15:13). Iets kan ons recht schijnen en een bepaalde stap kan onder bepaalde omstandigheden geoorloofd lijken. Het vlees pleit vurig voor toegeeflijkheid, het uit te voeren plan schijnt aanbevelenswaardig en redelijk, en de Schriftuurlijke weg moeilijk of onbegaanbaar. Al die tijd bedekt de sluier van het ongeloof onze ogen en weegt Gods eer niet op ons hart. Zo is het open Avondmaal in de gemeenten ingevoerd. Wij hebben ons afgevraagd wat passend was en aangenaam voor het vlees.

De briefschrijver stelt dat dit één bijzonder geval is, dat geen gewoonte mag worden. Wij weten echter hoe één voorbeeld praktisch altijd navolging vindt en hoeveel water kan ontsnappen door een heel klein gat in een molenstuw. De satan en het vlees hebben het water tot een verschrikking gemaakt voor sommige mensen. Hoewel wij al jarenlang een zwakke gezondheid hebben, is dat zelden een belemmering geweest om dagelijks veel koud water te gebruiken. We geloven dat er weinig, heel weinig, gevallen zijn waarin de Doop door onderdompeling gevaarlijk kan zijn. Als dit echter een van deze zeldzame gevallen is, mogen we omwille van één persoon Gods voorschrift niet ongehoorzaam zijn. Als ze vanwege haar klacht niet gedoopt kan worden, zal de Heere, Die geen harde Meester maar een geduldige Vader is, de wil voor de daad houden. Is ze gedoopt met de Heilige Geest? Is ze door het geloof gespijsd en gelaafd met het vlees en bloed van de Zoon van God? Dan heeft ze reeds de weldaden ontvangen waarvan de Doop en het Avondmaal des Heeren slechts de uitwendige, zichtbare tekenen en afschaduwingen zijn.

Oktober 1863

89. Mag de broer van een doopkandidaat aanwezig zijn?

Geachte heer, zou u alstublieft de volgende vraag willen beantwoorden in de Gospel Standard: Is het in overeenstemming met de orde van een Strict Baptists gemeente als een doopkandidaat die zich bij de gemeente wil voegen, het recht krijgt om te kiezen of zijn broer, die al lid is, aanwezig mag zijn als hij voor de gemeente verschijnt? En als deze broer aanwezig wil zijn, heeft de gemeente dan het recht om al dan niet toestemming te verlenen, of moeten zij die keuze aan de broer overlaten? Ik hoop dat u zich gedrongen voelt om deze vraag te beantwoorden, omdat verschillende mensen daarin geïnteresseerd zijn. Een lid.

Antwoord

Wij kunnen niet het minste bezwaar zien in de aanwezigheid van een broer als zijn broeder naar het vlees zich als doopkandidaat aanmeldt. Evenmin hebben we ooit gehoord van een geval als het bovenstaande waarin daartegen bezwaar gemaakt werd.

De meeste gemeenten hebben wel als regel dat de man of de vrouw niet aanwezig mag zijn. We menen dat dit wijs is, omdat de aanwezigheid van een vriend die ons zo nabij en vertrouwd is, uiteraard de tong kan verlammen of verwarring kan veroorzaken. We voelen ons niet volkomen vrij om te spreken over de handelingen van de Heere, waarover de gemeente zo graag wil horen. We worden daarvan weerhouden door die mensenvrees waarin velen verstrikt raken. Veel echtgenoten kunnen niet openhartig met elkaar over geestelijke zaken spreken. Stel dat zij voor de gemeente zouden komen en zouden spreken over bijzondere verzoekingen of uitreddingen die ze meegemaakt hebben. Als hun wederhelft daarbij aanwezig was, zou de eerste reactie daarna kunnen zijn: ‘Dat heb je me nooit verteld. Je kunt het wel tegen de gemeente zeggen, maar je kon het mij nooit vertellen. Heb je wel vertrouwen in mij?’ Om al deze moeilijkheden en andere evenzeer voor de hand liggende problemen te voorkomen, hebben de meeste gemeenten besloten dat echtgenoten niet aanwezig moeten zijn.

Geen enkele van deze argumenten is echter van toepassing op een broeder naar het vlees. Niet in het minst. Daarom zijn we van mening dat een gemeente niet eigenmachtig moet ingrijpen en een broer moet buitensluiten. Het moet volkomen aan zijn eigen keuze en oordeel overgelaten worden. Het zou het broederhart verblijden en verheugen als hij hoort van de genadige handelingen van de Heere met een van zijn naaste verwanten.

[1] We menen dat in sommige gemeenten de kandidaat eerst voor de kerkenraad komt. Dat is enkel een kwestie van de gemeente, en is op geen enkele wijze in strijd met onze opvatting dat de eerste deur het smalst moet zijn en de eerste zeef de kleinste mazen moet hebben.


 

Philpot over de kinderdoop

Weerlegging van Mr. Jerram’s bewering dat de kerk van Engeland bewijs kan aanvoeren voor de kinderdoop
overgenomen uit: ‘De afscheiding van de Engelse staatskerk verdedigd’ (Afscheiding en Raadgevingen pag. 58-62)

Eens verwachtten we het van redenering en argumenten. Eens verachtten we alle andere onderwijsmethodes, maar door verdrukking en verzoeking zijn we diep vernederd om niets en minder dan niets te zijn, opdat de kracht van Christus in ons wonen mocht. En we hebben het gezegende verschil bevindelijk leren kennen. We kwamen erachter dat onderwijs van mensen ons hoogmoedig maakte en dat Gods onderwijs ons ootmoedig maakt. We merkten dat verklaarders en boeken ons hard maakten, maar we merken dat het onderwijs van de Geest ons zacht maakt. De wijsheid van mensen liet ons zonder toevlucht in de ure van beproeving en verzoeking, maar Gods onderwijs verwekt in onze ziel een onderpand van de eeuwigheid. Hebreeuws en Grieks, lexicons en grammatica’s, geschiedenisverhalen en verklaarders gaven ons geen kracht om onze lusten te onderwerpen, het kruis op te nemen en uit de wereld te gaan. Hoe meer we lazen, des te hoogmoediger we werden en des te verder we afraakten van God en de ware godzaligheid. Laten eeuwige lofprijzingen worden toegebracht aan Hem Die, naar wij vertrouwen en geloven, ons ontdeed van Sauls wapenrusting en ons uitzond met een slinger en een steen. En als ik voor anderen mag spreken, het is ons verlangen en gebed om dag aan dag meer ontledigd en verootmoedigd te worden, om meer af te laten van de mens en om meer eenvoudig en krachtig door God alleen geleerd te worden.

Onder ‘de dwaalgevoelens’ die, volgens de bewering van Mr. Jerram, eropna gehouden worden door alle afgescheidenen wier pamfletten hij onderzocht heeft, is de voornaamste dat ‘de Kerk van Engeland geen wettige autoriteit heeft om kinderen te dopen’. Om te bewijzen dat zij deze autoriteit wel heeft, spant hij alle krachten in en zijn redeneringen over dit punt beslaan zelfs bijna de helft van zijn pamflet. Zijn argumenten zijn in wezen hetzelfde als wat er staat in zijn enkele jaren terug gepubliceerde Conversations on Infant Baptism (‘Samenspraken over de kinderdoop’). Ik heb een bijzondere reden om mij dit werk van Mr. Jerram te herinneren; immers, hoofdzakelijk daardoor werd ik verscheidene jaren lang dienstbaar gehouden onder de besprenging van zuigelingen. Zijn argumenten op grond van de analogie van de Joodse kerk, de algemeenheid van deze praktijk en het bewijs van de kerkvaders, hadden vroeger heel veel gewicht op mijn gemoed.

En hoe werd de keten verbroken? Doordat mijn ogen geopend werden om te zien dat de Doop een geestelijke ordinantie was. Toen ik verstond en voelde dat hij een geestelijke ordinantie was, zag ik onmiddellijk dat het een spotternij is om hem te bedienen aan een baby die zich van niets bewust is; en alle argumenten, ontleend aan de traditie, de algemene praktijk, de analogie van de besnijdenis en dergelijke, vielen mij uit de handen zoals de verse zelen uit Simsons handen (hoewel ik natuurlijk niet de bedoeling heb om mijzelf Simson te noemen, al vindt Mr. Jerram in mij enige gelijkenis met Goliath), toen hij ontwaakte in de schoot van Delíla. Ik zag dat de ordinantie van de Doop een zinnebeeld was van het lijden en de begrafenis van Jezus, en dat een levend geloof in de Verlosser daarom onmisbaar is in de persoon die gedoopt wordt. Ik zag ook dat de Doop een openbare belijdenis van ons persoonlijk geloof in Christus en van onze afscheiding van de wereld tot Zijn eer is. Ik kon in het Nieuwe Testament geen voorbeeld vinden van enige Doop dan die van gelovigen, en ook geen voorschrift of voorbeeld wat betreft de kinderdoop.

Ik ontdekte ook dat alle argumenten vanuit de Joodse kerk onaanvaardbaar waren, op grond van het eenvoudige feit dat hun bedeling vleselijk was en de onze geestelijk is, en dat hun verbond nationaal was en ons verbond beperkt is tot de uitverkorenen. Ik zag dat een terugkeren tot de wet om voorbeelden en precedenten[1] te vinden, een terugkeren was tot de ‘arme eerste beginselen’ (Gal. 4:9), waaraan wij gestorven zijn, en een oprichten van wat Christus afgebroken had. Ik zag dat de grote ketterij en afval van de roomse kerk, en van de Engelse kerk als haar dochter, bestond in hun terugkeer tot de oudtestamentische bedeling. En zo besefte ik duidelijk dat de besprenging van zuigelingen, de tienden, een geordend priesterschap,[2] gewijde gebouwen, priestergewaden, een geschreven liturgie, een Staatskerk, een nationale godsdienst en dergelijke alleen maar een afwijken van Christus en een terugkeren tot Mozes waren. Ik voelde dat ik net zo goed de roomse kerk kon navolgen in het dopen van een klok, als de Engelse kerk in het dopen van een kind; en dat, als een baby die zich van niets bewust is, een geschikt onderwerp is om de ene geestelijke ordinantie (de Doop) te ontvangen, ik niet kon inzien waarom het geen geschikt onderwerp was voor de andere geestelijke ordinantie (het Avondmaal des Heeren).

De traditie verloor haar gewicht voor mij toen ik overdacht: 1. Dat tradities het vergif van de Joodse kerk waren en als zodanig door Christus veroordeeld werden. 2. Dat het Woord van God de enige regel van ons geloof en onze praktijk is. Bovendien was ik niet zo onbekend met de kerkgeschiedenis of ik wist wel dat er, in een onafgebroken lijn tot op de Reformatie, altijd mensen geweest zijn die zich tegen de kinderdoop verzet hebben. Verder was ik niet onbekend met de verminkte, onvolkomen en vervalste literatuur van de vroege kerkvaders,[3] en ik wist dat het ontzettend moeilijk is om de echte van de valse geschriften te onderscheiden. Ik was mij er ook van bewust dat het de algemene praktijk was om de geschriften van degenen die ketters genoemd werden (zoals men de baptisten toen beschouwde), te verbranden of te vernietigen, en dat de monniken, aan wie wij de bewaring van alle kerkvaders te danken hebben, gewoon waren bij het overschrijven van de manuscripten passages binnen te smokkelen die hun eigen geloofsbelijdenis begunstigden.

De algemene praktijk verloor eveneens zijn gewicht bij mij, toen ik bedacht dat de leer van de rechtvaardigmaking in de kerk verloren was gegaan van de dagen van de apostelen af tot op de tijd van Luther, en dat zelfs Augustinus, de helderste van de kerkvaders, haar verwarde met de heiligmaking. Ik zag ook, vanuit de zendbrieven en vanuit de Openbaring, dat de verborgenheid der ongerechtigheid al werkte in de tijden van de apostelen, en dat allerlei dwalingen en ketterijen reeds in dat vroege tijdperk de kerk teisterden. Maar het was de geestelijke natuur van de ordinantie, die mij vooral overtuigde en mijn ziel bracht tot de volledige, onwankelbare overtuiging dat de Doop het exclusieve voorrecht van de gelovigen is. De natuurlijke argumenten die ik hierboven heel even heb aangestipt, mogen mijn ketenen een beetje losser hebben gemaakt, maar het was het zicht op de Doop als een geestelijke ordinantie, waardoor ze volledig van mijn handen werden afgeslagen. En zo zijn velen van Gods lieve kinderen, die geheel onbekend zijn met vleselijke argumenten voor of tegen de gelovigendoop, in het verborgen en met kracht, door een openbaring van Christus in de Doop aan hun ziel, daarin ingeleid op de enige rechte wijze, namelijk als een geestelijke ordinantie.

Wat betreft onderdompeling of besprenging, ik kon er geen twijfel over hebben wat juist was en wat verkeerd was. De betekenis van het Griekse woord dat vertaald is met ‘dopen’, is op zichzelf voldoende om de vraag te beslechten voor iedereen die ook maar de minste oordeelkundige kennis van de grondtekst heeft.[4] Maar naast dit onweerlegbare bewijs, overtuigden ook de doop van de Verlosser Zelf in de rivier de Jordaan, de doop van de kamerling, waarbij hij en Filippus ‘beiden afdaalden in het water’ (Mark. 1:9; Hand. 8:38), en de zinnebeeldige natuur van de ordinantie (zoals uiteengezet in Romeinen 6), mijn hart ten volle dat er geen Doop was dan die door onderdompeling, en dat ik evenmin gedoopt was doordat ik als kind besprengd ben, als dat ik dagelijks gedoopt werd door mijn baker, wanneer ze mijn gezicht waste.

Wat betreft de ingebeelde onderscheidingen tussen wedergeboorte en vernieuwing, tussen de toelating tot geestelijke voorrechten en de schenking van een geestelijke verandering van het hart, zag ik dat de Kerk van Engeland al zulke vernuftige dubbelzinnigheden had uitgesloten. Ten eerste, door haar gebed in het doopformulier: ‘Geef Uw Heilige Geest aan dit kind, opdat het mag worden wedergeboren’, en ten tweede, door haar dankzegging: ‘Wij zeggen U allerhartelijkst dank dat het U behaagd heeft dit kind te wederbaren met Uw Heilige Geest.’ Ik vond deze taal te krachtig en beslist om weggeredeneerd te worden, zodat ze … gewoon helemaal niets zou betekenen. En ik kan hier nog aan toevoegen dat vooral het zicht dat ik had op de Doop als een geestelijke ordinantie, en de krachtige taal van het doopformulier mij uit de Kerk van Engeland dreef.

[1] Een ‘precedent’ is iets soortgelijks dat eerder is gebeurd en waarmee je een vergelijking denkt te kunnen maken. (noot vert.)

[2] Eng. ‘a regular priesthood’.

[3] Dr. Tattam heeft onlangs in Egypte enige zeer oude Koptische vertalingen van de vroege kerkvaders ontdekt, waaruit Mr. Cureton, van het Britse Museum, duidelijk heeft bewezen dat de welbekende passages die gewoonlijk geciteerd worden ten gunste van de bisschoppelijke regering, enzovoorts, door de monniken zijn ingevoegd.

[4] Iedereen die bekend is met de Griekse taal, daag ik uit om mij één passage aan te leveren, ongeacht van welke auteur, gewijd of ongewijd, waarin ‘baptizo’ de zin heeft van begieten of besprengen. Liddell en Scott geven in hun bewonderenswaardige Lexicon (gepubliceerd door University Press, Oxford), het nieuwste en beste dat in de Engelse taal bestaat, de volgende betekenissen aan het woord: ‘Herhaaldelijk dompelen – onderdompelen’; mediale vorm: ‘baden – II. dopen.’

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Dhr. Parry van 21-10-1837

Te Nottingham zijn ze van gevoelen, dat de Evangeliedienaars het aan God over te laten hebben, om het kaf van de tarwe te wannen. S. heeft tegen de doop gepredikt, en heeft openlijk zes kinderen besprengd. Zij willen, dat ik wederom naar Nottingham zal gaan, maar ik denk daaraan niet te voldoen ter oorzaak van S.’ dwalin­gen en spreken tegen de doop. Ik zou mij evengoed met de vrijen wil kunnen verenigen als met de kinderdoop. Ofschoon ik er zelden over spreek, kan ik toch niet dulden dat er tegen den doop gesproken wordt, als zijnde een deel van dat geloof, dat de heiligen overgeleverd is. Ik hoorde nooit enige bewijsgrond tegen de doop ingebracht, die wat te betekenen had. S. dacht dat de moorman besprengd werd, omdat hij zich niet kon voorstellen, dat deze met zijne natte klederen zou voortgereden zijn. De schatmeester van de Koningin Candace had geen wisselkleed, zelfs geen valies.

overgenomen uit: Levensbijzonderheden en brieven, brief aan Mej. Philpot, zijn zus Fanny, van 16-10-1839

Het moet u wel een beproeving geweest zijn te weigeren om als volmacht voor Mej. W. op te treden. Niettemin handelde gij volkomen naar recht, om niet te doen waar uw geweten bezwaar tegen had. En waarlijk, hoe kon gij voor uzelf of ande­ren beloven, dat het kind al de geboden zou houden, en al zulke beloften volbrengen als er door de getuige bij de doopvont worden afgelegd? Het zou een ontzaggelijke spotternij voor u geweest zijn, met een verlichte consciëntie zulke beloften te doen, als gij weet dat niemand, en bijzonder geen onwedergeboren mens, kan volbrengen. Mocht de Heere bij toeneming uw geweten teder ma­ken en houden, u steeds aan Zijn gezegende voeten brengen, en u bewaren van in hart en leven van Hem af te wijken. Nadat de kinderen Israëls de Dode Zee waren doorgegaan, vergaten ze aldra Zijn werken, en hun volgende stap was een afgod te ma­ken en zich daarvoor neder te buigen.


 

Philpot over de betekenis van de Doop

Philpot beantwoord een vraag in de Gospel Standard van maart 1856
overgenomen uit ‘Afscheiding en Raadgevingen’

 30. Is de Doop slechts een schaduw?
Geachte heer, zou u of een van de andere schrijvers mij een antwoord willen geven op de volgende vraag: Wordt de Doop beschouwd als een Goddelijke instelling of slechts als een schaduw? G.S.

Antwoord

Op onze beurt kunnen we ook aan G.S. vragen wat hij bedoelt met de woorden dat de Doop slechts een schaduw is. Begrijpt hij de Schriftuurlijke betekenis van het woord ‘schaduw’, de geestelijke betekenis die de Heilige Geest daaraan heeft gegeven? Als hij dit begreep, zouden we denken dat hij nauwelijks het woord ‘schaduw’ zou durven gebruiken voor de ordinantie van de Doop. Mogelijk noemen mensen die de Doop minachten of verachten, de ordinantie graag een schaduw, maar dit is niet naar de mening van de Heilige Geest in de Schrift der waarheid.

Het woord ‘schaduw’ wordt drie keer gebruikt in het Nieuwe Testament, namelijk in Kolossenzen 2:17, Hebreeën 8:5 en 10:1. In al deze plaatsen heeft het dezelfde betekenis en wordt het uitsluitend gebruikt als verwijzing naar de ceremoniële wet. Welke gedachten roept het woord ‘schaduw’ vooral op? In de eerste plaats gaat het om een onstoffelijke voorstelling van een bestaand voorwerp. Er is echter een nog duidelijker verband met de volgende drie begrippen. Een schaduw is duister, tijdelijk en een zwakke afspiegeling van een stoffelijke werkelijkheid. Deze drie begrippen kunnen heel goed toegepast worden op de ceremoniële wet, maar niet één daarvan past bij de Doop. De ceremoniële wet was duister, want de ceremonieën waren moeilijk te doorgronden en konden zonder het licht van het Evangelie zelfs helemaal niet verstaan worden. De ceremoniële wet had een tijdelijk karakter, want toen Christus kwam, hield ze op te bestaan, zoals Paulus stelt in Hebreeën 8:13. Ook was de wet maar een zwakke afspiegeling van wat de apostel ‘de toekomende goederen’ noemt, van de zalige werkelijkheid van het Evangelie en in het bijzonder van het offer en verzoenend sterven van de Heere Jezus Christus aan het kruis.

De Doop is echter geen schaduw in een van deze drie betekenissen, die heel wezenlijk zijn voor dit woord. De Doop is niet duister, maar licht, want dit sacrament is een duidelijke afspiegeling van het lijden en de smart, van de dood en de opstanding van de Heere Jezus. De Doop heeft evenmin een tijdelijk karakter, want ze moet bediend worden tot de voleinding der wereld (Matth. 28:19-20). Ook is de Doop geen zwakke afspiegeling, maar een duidelijk beeld van onze begrafenis met Christus. ‘Indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding’ (Rom. 6:3-5).

De Doop is dus geen schaduw maar een beeld, zoals Petrus zegt: ‘Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt’ (1 Petr. 3:21). Uit het onderscheid dat de apostel maakt tussen een schaduw en een beeld, blijkt duidelijk dat een beeld iets heel anders is dan een schaduw, niet alleen in natuurlijk en verstandelijk opzicht, maar ook vanuit een Schriftuurlijk en geestelijk oogpunt. ‘Want de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken’ (Hebr. 10:1).

Een korte overdenking zal duidelijk maken dat de gebezigde vergelijking drie afzonderlijke elementen bevat, die allemaal nauw met elkaar verbonden zijn. Ten eerste de persoon zelf, het levende, bestaande wezen. Ten tweede het beeld of de afbeelding van die persoon, zoals een tekening of een standbeeld. Ten derde de schaduw van die persoon, die op de grond valt als hij loopt. In geestelijk opzicht is er in de eerste plaats de Persoon. Dit is de Heere Jezus, zoals de apostel zegt: ‘Maar het lichaam is van Christus’ (of ‘is Christus’). In de tweede plaats is er het beeld van Christus, het Evangelie waarin Hij helder en duidelijk wordt getekend. In de derde plaats is er de schaduw, de ceremoniële wet.

De eerste twee elementen zijn tastbaar, maar een schaduw niet. Een tekening of beeld is niet meer dan een voorstelling, maar blijft tastbaar. De Doop, als een ordinantie van het Evangelie, is tastbaar en dus geen schaduw. In feite heeft de Doop dezelfde plaats als het Avondmaal des Heeren. Beide zijn ingesteld door de Heere Zelf. Aan beide hechtte Jezus Zijn goedkeuring door Zijn aanwezigheid en Zijn voorbeeld. Beide zijn een blijvend getuigenis van Zijn lijden en sterven en een onderscheidend kenmerk van christelijk discipelschap en christelijke gehoorzaamheid. Kort gezegd, beide zijn ordinanties van het Evangelie en moeten daarom een plaats in de gemeente hebben zolang het Evangelie daar wordt verkondigd. Zo zij er plechtig mee begonnen is, zo zal zij er ook mee eindigen.

Misschien zegt iemand dat de Doop niet onmisbaar is, omdat we zonder de Doop zalig kunnen worden en dat deze ordinantie daarom slechts een schaduw is. We antwoorden dat hetzelfde argument ook geldt voor het Avondmaal des Heeren, want zoals velen zonder de Doop zalig worden, worden ook velen zalig zonder het Avondmaal des Heeren. De moordenaar aan het kruis heeft geen van beide ordinanties ontvangen. Is dit echter de geest van het Evangelie of de taal van het geloof? Zou een kind van God moeten zeggen: ‘Hoe weinig is voldoende om de hemel binnen te gaan?’ Zal een gehoorzame discipel zeggen: ‘Welke geboden en ordinanties zijn niet van wezenlijk belang en hoef ik niet te eerbiedigen?’ De taal van de Heere is heel anders: ‘Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebied’ (Joh. 15:14). Ook een gelovige discipel spreekt heel andere taal: ‘Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden’ (Ps. 119:6).

overgenomen uit: ‘En dit is het eeuwige leven’ een citaat uit een verhandeling over de natuur van de Zaligmaker, door J.C. Philpot, hfst. 7.

Welnu, daar het de Heilige Geest belieft ons in te leiden in een bevindelijke kennis van de Heere Jezus en ons een mate van vereniging en gemeenschap schenkt met Zijn heilige Majesteit, leidt Hij ons in een verbond met Hem in Zijn lijden, dood en opstanding. Dit is het waarvan de apostel zegt dat het gesymboliseerd wordt door de verorde­ning van de doop als een gevestigd beeld en een vaste afbeelding van de doop van de Heilige Geest. ‘Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding’ (Rom. 6:3-5). De verordening van de doop wordt zo voorgesteld als beeld van die hogere, heiligere en geestelijkere doop, waardoor in levende bevinding gelovigen één gemaakt worden met Christus in Zijn dood, begrafenis en opstanding. En hier wordt Zijn mensheid echt gezien in Zijn bijzondere deugd en onderscheidende heerlijkheid, want het is alleen als ‘leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen’ (Ef. 6:30). Dit is het fundament van de vereniging dat zij gedoopt zijn in deze geestelijke gemeenschap met Hem.

Dit deel van ons onderwerp echter moet verder worden openge­legd. De Kerk heeft dan een mystieke maar niet minder wezenlijke vereniging met Christus, vanwege het feit dat Hij het vlees en bloed der kinderen verenigd heeft met Zijn eigen Goddelijke Persoon. Krachtens deze vereniging met Hem, als lidmaten met het Hoofd, deelde zij met Hem in alles wat Hij deed en waarin Hij voor haar leed. Deze persoonsvereniging hebben alle uitverkorenen, zelfs zij die nog onbekeerd of ongeboren zijn. Deze vereniging geeft daarom niet van zichzelf ge­meenschap, hoewel het er het fundament van is. Een ander soort vereniging dan is noodzakelijk, die bijzonder is voor de wedergebore­nen, en die zij hebben naar de precieze afmeting van hun aandeel van de Geest van Christus, want ‘indien iemand de Geest van Christus niet heeft, Hij is niet van Hem’, dat is door innerlijke of uiterlijke openba­ring. Door deelgenoten gemaakt te zijn van de Geest van Christus hebben de leden van Zijn symbolische lichaam een levende vereniging met Hem, want ‘die de Heere aanhangt, is één geest met Hem’ (1 Kor. 6:17). Door alzo gedoopt te zijn door de Heilige Geest zijn ze eensgeestes gemaakt met de Heere en hebben zo een gemeenschap met Hem in Zijn lijden, dood en opstanding. Zoals Hij stierf onder de vloek der wet en de schuld en last van de zonde, ja, de dood stierf aan de wet en de zonde, door de dood bevrijd zijnde van de vloek der wet en de straf der zonde, zo sterft de gelovige onder de vloek van de wet en de last van schuld en zonde in zijn geweten. En ja, krachtens zijn vereni­ging met Christus als lidmaat van Zijn lichaam en van de gemeenschap met Hem door de doop door Zijn Geest, sterft ook hij aan de wet en aan de zonde en hoeft de straf van de ene niet meer te ondergaan, of te leven in de macht van de ander. Hoewel hij echter aldus verlost is, nochtans wordt hij tot het eind van zijn dagen, terwijl hij treurend en gebukt gaat onder de zonde en lijdt onder de verbergingen van Gods aangezicht, door satan verzocht en aangevallen, gehaat en vervolgd door de wereld, vaak in de steek gelaten door volgelingen en vrienden, gekruisigd met Christus en heeft omgang met Hem in Zijn lijden en dood. Zijn leed, zijn beproevingen, zijn verzoekingen, zijn lijden, alles gelouterd voor het welzijn van zijn ziel, leiden hem tot het kruis van Zijn lijdende Heere, om leven te verkrijgen uit Zijn dood, vergeving en vrede door Zijn verzoenend bloed, rechtvaardigheid uit Zijn Goddelijke gehoorzaamheid en overgave aan Gods wil uit Zijn heilig voorbeeld. Hier is de wereld hem gekruisigd en hij de wereld (Gal. 6:14), hier de zonde gedood (Rom. 6:6; 8:13) en de heersende macht ervan onttroond (Rom. 6:12), de oude mens gekruisigd en afgelegd (Rom. 6:6; Ef. 4:22) en de nieuwe mens aangedaan. Zo heeft de door de hemel onderwezen gelovige een geestelijke vereniging met zijn lijdende en stervende Heere, zo lijdt en sterft hij met Hem en door dit deelgenootschap aan Zijn lijden en sterven wordt hij hier op aarde gelijkvormig gemaakt aan Zijn lijdende beeld (Rom. 8:17,29; 2 Tim. 2:12) en aan Zijn dood (Filip. 3:10).

Dit is niet slechts een leerstelling, een artikel van een zuivere geloofsbelijdenis, maar een levensfontein voor de ziel van iedere gelovige naar de mate van de Geest waardoor hij is gedoopt in de dood van Jezus. Maar meestal is het alleen door een lange reeks van droefenissen, verliezen, teleurstellingen, kwellingen, ziekten, pijnen van lichaam en ziel, hete vuurproeven, diepe wateren, als geheiligd door de Heilige Geest voor het voordeel van Zijn ziel, dat het kind van God in dit deel van christelijke bevinding komt.

Deze dingen zijn werkelijk de dood voor het vlees, en zijn daar ook voor bedoeld, opdat het gekruisigd en gedood zal worden; het zijn doodslagen voor ieder plan van aardse vreugde, werelds geluk, alsmede voor alle wettische hoop en farizeïsche gerechtigheid; zij zijn echter de hand van de Geest, het leven van de gelovige ziel. Want ‘bij deze dingen leeft men en in dit alles is het leven van mijn geest’ (Jes. 38:16). Kruisiging is een lange, pijnlijke, trage dood. De natuur sterft moeilijk en worstelt, maar worstelt tevergeefs tegen de vastberaden, gezegende hand die hem aan het kruis van Jezus Christus nagelt. Maar genade Hem Die daar leed en bloedde meer en meer aanhangend, put leven en kracht uit Zijn bloed en liefde. Deze ervaring deed de apostel zeggen: ‘Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdra­gende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. Want wij die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijke vlees zou geopenbaard worden’ (2 Kor. 4:10,11). Hier lag het geheim van al zijn. kracht, al zijn heiligheid, al zijn geluk. Deze innerlijke bevinding van de kracht en zegening van het kruis zette hem aan met standvastige en heilige beslotenheid niets te weten onder de mensen dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Dit deed hem zeggen als de voornaamste toets die de verlorenen en de verlosten onderscheidt: ‘Want het woord des kruises is wel dengenen die verloren gaan dwaasheid, maar ons die behouden worden is het een kracht Gods’ (1 Kor. 1:18).

Want dit was niet alleen de ervaring van Paulus, een verborgen geheim waarvan alleen hij door genade gelukkige deelgenoot gemaakt was. Allen die door dezelfde Geest onderwezen worden en dezelfde vereniging en gemeenschap met de gekruisigde Heere hebben, hetzij Jood of Griek, weten dat Hij de kracht Gods en de wijsheid Gods is. We lezen van de gelovigen dat zij zijn ‘eikebomen der gerechtigheid, een planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde’ (Jes. 61:3). Deze planting is een geplant worden in Christus om die vereniging en gemeenschap met Hem te hebben, zoals de levende ranken met de wijnstok. De apostel zegt daarom dat ze ‘met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods’ (Rom. 6:5). Wat de wijnstok is, dat zijn de ranken. Waar de wijnstok is, daar zullen de ranken zijn. De wijnstok lag eens verslagen ter aarde; de ranken eveneens. De wijnstok rees van de aarde op naar de hemel, de ranken rijzen mee omhoog. Zoals dan een in goede aarde geplante boom van de sappen daarvan drinkt, of eerder als een geënte loot zo vergroeid raakt met de moederstam dat deze er één mee wordt, niet alleen in uiterlijke kracht en stabiliteit van een eenheid, maar er zo één mee is dat deze er geneeskracht, sap en vruchtbaarheid uit put, zo put de ware gelovige, geplant zijnde in gelijkmaking van de dood van Christus, uit Zijn volheid voorraden van genade en kracht.

overgenomen citaat uit een preek van J.C. Philpot n.a.v. Gal. 3:26-27; Nagelaten Brokken dl 8

Maar ik ga verder naar ons tweede gedeelte, het in Christus gedoopt zijn. U weet allemaal dat ik de instelling van de doop houd voor een instelling die voor Gods Kerk gepast is als type en zinnebeeld van een hogere doop – de doop van de Heilige Geest. Ik geloof dat de apostel in dit geval over de geestelijke doop spreekt. Want velen waren niet met water gedoopt, maar waren wel met de Heilige Geest gedoopt, zoals de moordenaar aan het kruis. Velen worden met water gedoopt, die niets van de doop van de Heilige Geest kennen. Daarom neem ik de doop waarover hier gesproken wordt, als een verwijzing naar de geestelijke doop, waarmee wij ondergedompeld worden in de volheid van de Zone Gods.

Maar als we de ordinantie nemen als een illustratie van deze uitdrukking, zullen we er licht op kunnen werpen. Want zo zullen we zien hoe de geestelijke doop bevestigd wordt door de doop met water, en zullen we ook duidelijker zien hoe het ons wezenlijk verenigt met de Heere, het Lam.

Water is een letterlijk zinnebeeld en stelt de Geest van Christus voor. Het water dringt heen door de kleding die wij dragen, tot in de poriën van onze huid, en aldus verenigt de doop ons met het water. Zo ook de geestelijke doop; daardoor vindt een binnenkomst van de Geest in de ziel van een mens plaats, en aldus wordt hij gebracht tot een levende vereniging met de Heere, het Lam. Zo wordt hij geheel ondergedompeld in de Geest, de genade en liefde van Christus.

We lezen van de kinderen Israëls dat zij gedoopt werden in de wolk; dat is, zij werden door de wolk omgeven. Elke druppel van die wolk viel op hun lichaam en doordrong hun kleding tot op hun huid. Zo wordt Gods heilige gedoopt met een besef van Christus’ tegenwoordigheid en genade, en de volheid van Christus’ Geest. Dit geeft hem een vereniging met de Heere Jezus Christus, evenals de wolk de verbindende schakel was tussen hun lichamen en de Heere in de wolk. Zo omhult, omringt en omsluit de Geest van God het kind van God, en geeft hem nu een wezenlijke vereniging met de Heere Jezus Christus, Die boven de wolk in de eeuwige gelukzaligheid is. De wolk daalt van de hemel neer om de ziel te omhullen. De ziel van Gods kind wordt in de wolk ondergedompeld in de genade en heerlijkheid van Christus; ze wordt gedoopt met de liefde en de Geest van de Heere, het Lam en zo wordt ze verheven in een zoete gemeenschap met de Heere des levens en der heerlijkheid.

De Heere Jezus Christus Zelf voer op in de wolk, de wolk der heerlijkheid. De wolk der heerlijkheid was ook over de tabernakel in de woestijn. Overal waar iemand in Christus Jezus gedoopt wordt, daar wordt hij gedoopt in Zijn tegenwoordigheid. Doordat de wolk de ziel verheft, wordt zo iemand ook opgenomen en gescheiden van de aarde en de tijdelijke en zinnelijke dingen.

Er is ook een gedoopt worden in de zee. Want evenals de kinderen Israëls in de Rode Zee gedoopt werden, zo wordt Gods heilige gedoopt in een zee van moeite; hij wordt ondergedompeld in de baren en golven die over het heilige hoofd van Christus rolden. Als Gods heilige door deze Rode Zee wandelt, door deze grote stromen, heeft de Heere beloofd dat Hij hem daar ontmoeten zal. Ondersteund door de wolk, is hij verenigd met de lijdende Heere; hij wordt met Hem in de hof en aan het kruis gedoopt. Alzo wordt hij in vereniging gebracht met zijn lijdende Hoofd en zo wordt hij in Christus ingeënt. Hij wordt één met Christus, en zoals de apostel spreekt, ‘doet hij Christus aan’.

Welnu, de waterdoop kan dit nimmer doen; die is slechts een schaduw van een duurzamer wezen. Die is maar een type en zinnebeeld van datgene wat er ver bovenuit stijgt, evenals het wezen de schaduw overtreft.

—————————- voetnoten

[1] Dr. Tattam heeft onlangs in Egypte enige oude Koptische vertalingen ontdekt van de eerste Kerkvaders, uit welke de heer Cureton, van het Britsck Museum, klaarlijk heeft bewezen dat de welbekende plaatsen gewoonlijk gebezigd ten gunste van het Epis­copaat enz. door de monniken zijn ingeschoven.

[2] Ik daag iedereen uit, die bekend is met de Grieksche taal, mij een enkele plaats van enige auteur, gewijden of ongewijden, te leveren, waar baptizv de betekenis heeft van begieten of besprengen. Lidell en Scott geven in hun bewonderenswaardig woordenboek, het nieuwste en beste dat in de Engelse taal bestaat, de volgende beteekenis aan het woord ‘to dip repeatedly – dipunder’ (herhaaldelijk indiepen – onderduiken) ‘to bathe’ (baden), baptize (dopen).


 

Philpot over de vraag of Christus’ discipelen gedoopt waren
‘Waren Christus’ discipelen gedoopt’, een artikel uit de Gospel Standard 1840 (behorend bij het artikel ‘Het gesloten Avondmaal’ waarin ook over de Doop geschreven wordt, zie pagina ‘Avondmaal des Heeren’)
overgenomen uit ‘Nagelaten Brokken deel 4’

Aan de redacteurs van de ‘Gospel Standard’,

Geachte heren,
‘Een trouwe lezer van de Gospel Standard’, wiens brief door u is geplaatst in uw laatste nummer, vraagt mij vanuit de Schrift aan te tonen waar of in welke periode, de naaste discipelen van Christus werden gedoopt.

Daar uw onbekende schrijver meer schrijft in de lijn van een geïnteresseerde dan van een twistzoeker, en daar zijn eerste bezwaar nogal eens voorkomt onder de tegenstanders van het gesloten avondmaal, voel ik mij geroepen deze vraag te beantwoorden als u zich hiervoor een hoekje in uw blad kunt veroorloven zonder een nuttiger en interessanter onderwerp te kort te doen. U weet dat ik geen twistpunten zoek noch er vrijwillig op in ga, maar dat ik, uitgedaagd om mijn principes te verdedigen geen andere mogelijkheid had dan of die principes te handhaven of ervan beschuldigd te worden deze niet te kunnen of te durven handhaven. Eenmaal in een geschilpunt zijnde, hoop ik, in de Naam en kracht des Heeren, door te gaan zonder terug te deinzen, hoewel mijn laffe vlees ervoor huivert vele geliefde vrienden en hooggeachte hoorders die het hierin niet met mij eens kunnen zijn, te beledigen. Echter, zoals ik vanaf de eerste dag dat het de Heere behaagde mijn ogen te openen, gedwongen ben te strijden voor de waarheid te midden van vele innerlijke conflicten en uiterlijke offers, zo moet ik nog steeds doorgaan te verdedigen wat in mijn consciëntie is verzegeld als de waarheid, zelfs met het risico mijn geliefde en gewaardeerde vrienden te kwetsen. Ik heb me tegen de doop der gelovigen verzet zoals velen, en met meer reden dan velen, aangezien het in mijn belang was voort te gaan zoals ik opgevoed was als kinderbesprenkeler; maar sinds de tijd dat God mij een consciëntie gaf, ben ik niet in staat geweest deze scherpe waarheid te weerstaan, maar te midden van al mijn verzet werd ik gedwongen er vroeg of laat voor te vallen en mij eraan te onderwerpen.

Zonder verdere uitweiding zal ik nu vervolgen de vraag (van een trouwe lezer) ‘wanneer Christus’ discipelen gedoopt werden’, te beantwoorden.

1) Graag zou ik vooraf het volgende op willen merken: Als de stroom van de analogie er sterk op wijst dat een bepaalde gebeurtenis heeft plaatsgevonden, is er geen reden om aan te nemen dat die gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden vanwege het ontbreken van enige vermelding daarvan. Ik zal mijn bedoeling met een paar voorbeelden illustreren: De Schrift vertelt ons bijvoorbeeld, dat vrouwen lid zijn van de gemeenten, zoals we lezen in Romeinen 16:1, dat ‘Febe een dienares was (letterlijk een ‘diakones’) van de gemeente, die te Kenchreeën is.’ (Zie ook 1 Kor.11:5-16;14:34,35). Maar de Schrift zwijgt over het deelnemen van vrouwen aan des Heeren avondmaal. Betekent deze weglating dat zij er geen deel aan namen? Heeft een gemeente ooit op grond van deze weglating vrouwen aan het avondmaal geweigerd? Maar waarom is aan deze weglating zo weinig betekenis gehecht? Eenvoudigweg vanwege de stroom van de analogie (of met andere woorden: het gewicht van stilzwijgend bewijs) die er zo sterk op wijst dat ook vrouwen, indien zij lid zijn van de gemeente, recht hebben op deze inzetting, zodat wij geloven dat het de praktijk van de apostelen was hun het brood en de wijn te geven, hoewel het niet bepaald genoemd wordt dat dit gebeurde.

Dus veronderstel dat de doop van de discipelen in de Schrift niet genoemd wordt (wat ik overigens niet geloof), als de stroom van de analogie er zeer sterk op wijst dat ze wel gedoopt zijn, zoals ik dadelijk hoop aan te tonen, dan hechten wij aan die weglating van dat feit weinig waarde. Ik elk geval stellen we vast dat die weglating geen reden is om te geloven dat ze niet gedoopt zouden zijn.

Zo is er ook geen vermelding van wanneer en waar Jakobus, de zoon van Alféüs, Thomas, Simon Kananites en Judas Iskariot precies geroepen werden tot discipelen van Christus. Deze weglating is te vergelijken met de weglating van de vermelding wanneer en waar de discipelen  zijn gedoopt. Maar niemand heeft toch ooit op grond van deze weglating getwijfeld aan hun roeping, aangezien de analogie van de andere discipelen duidelijk aantoont dat er zo’n tijd en plaats van roeping geweest is?

Ook wordt er in het Nieuwe Testament niet vermeld wanneer, waar en onder wiens gezag, de sabbat werd verzet van de laatste dag der week naar de eerste. Toch, aangezien wij de apostelen op de eerste dag der week bijeen vinden voor de eredienst (Hand.20:7), en aangezien Johannes het ‘den dag des Heeren’ noemt (Openb.1:10), concluderen wij dat deze verandering heeft plaatsgevonden op gezag van de apostelen, en beschouwen we de weglating van tijd en plaats van weinig belang. Maar als ‘Een trouwe lezer’ ontkent dat de discipelen waren gedoopt, omdat het volgens hem niet genoemd wordt in het Nieuwe Testament, zou hij aldus redenerend, ook de sabbat op zaterdag moeten houden omdat wij in het Nieuwe Testament niet lezen wanneer en waar, of op wiens gezag die veranderd werd in de zondag.

Verder wordt in het Nieuwe Testament niet vermeld wanneer en waar de vier evangelisten geïnspireerd werden tot het schrijven van de Evangeliën. Maar wie, dan alleen een schaamteloze sociniaan of een ongelovige Duitse rationalist, zou op grond van deze weglating durven beweren dat zij niet Goddelijk geïnspireerd waren en de opdracht hiertoe hadden?

Nog een voorbeeld; in het boek Esther komt de naam van God niet voor. Geeft dit iemand het recht het Goddelijk gezag van dit boek te verwerpen, of te zeggen dat het Gods bijzondere voorzienigheid niet weergeeft?

U vraagt misschien: ‘Is weglating altijd van zo weinig betekenis als in de voorbeelden die u zojuist gegeven hebt?’ Zeer zeker niet. Soms is het van groot belang. Nu zou de vraag gesteld kunnen worden: ‘Maar hoe weten wij wanneer het wel of niet van belang is?’ Aan de hand van deze eenvoudige maatstaf; weglating is van grote betekenis, als de anologie, of het gewicht van de vanzelfsprekendheid, tegen het plaatsvinden van een bepaalde gebeurtenis is. Weglating is van weinig betekenis, als de analogie voor het plaatsvinden van een bepaald feit is. Bewijzen aanvoeren aan de hand van de analogie betekent argumenteren dat een bepaalde gebeurtenis onder gelijke omstandigheden opnieuw zou plaatsvinden.

Met een tweetal voorbeelden zal ik mijn bedoeling verduidelijken: De weglating van een voorbeeld of voorschrift voor de kinderdoop in het Nieuwe Testament is van groot belang tegen die praktijk. Waarom? Omdat zowel het voorschrift als de praktijk in het Nieuwe Testament geheel voor het dopen van gelovige discipelen is. Daarom argumenteren wij op grond van de analogie (dat is, van hoe wij aan kunnen nemen dat de discipelen naar alle waarschijnlijkheid handelden onder de betreffende omstandigheden), dat zij geen kinderen doopten. Met andere woorden, de stroom der analogie is tegen de praktijk van het dopen van kinderen of besprenkelen daarvan. Nu dan, in dit geval is het argument van de weglating zo sterk dat slechts één ding het kan omverwerpen. En wat is dat? Het zelf verzinnen van een voorbeeld van een kind dat gedoopt werd in het Nieuwe Testament, of van een voorschrift kinderen te dopen. Het argumenteren dat bij de ‘huisgezinnen’ die gedoopt werden kinderen waren, gaat hier niet op; dan wil men met de ene weglating (dat er met het huisgezin ook kinderen bedoeld worden) de andere weglating (van de kinderdoop) goedmaken. Dat is zoiets als, in de rekenkunde, de ene nul weghalen om er een andere nul van te maken.4 Wat zijn twee naast elkaar gezette nullen waard? Helemaal niets. Maar zet een 1 voor de twee nullen, en we hebben onmiddellijk een honderd. Dus laat kinderdopers een voorbeeld of een voorschrift voor het dopen of besprenkelen van baby’s naar voren brengen en wij zullen zeggen: ‘Dit is een honderd’; maar al plaats je al je nullen op een rij, als je er geen voorbeeld of voorschrift voor kunt zetten om er waarde aan te geven, zullen wij met onze pen een streep door al die nullen halen, zoals een schoolmeester de som van de lei van zijn leerling veegt.

De vraag zou gesteld kunnen worden: ‘Waarom zou het niet vermelden van de doop van de discipelen niet tegen hun doop getuigen, terwijl het niet vermelden van het dopen van kinderen wel tegen de kinderdoop getuigt?’ Eenvoudig omdat de hele stroom van de analogie en het gewicht van de vanzelfsprekendheid voor de doop van de discipelen is; maar de hele stoom van de analogie is tegen het insluiten van kinderen in die ordinantie. Op dit punt ligt het er geheel aan of de vanzelfsprekendheid voor of tegen iets, of de weglating van veel of weinig betekenis is.

2) Ik zal dan nu pogen aan te tonen dat de gehele stroom der analogie en het hele gewicht van de vanzelfsprekendheid voor de doop van de disipelen zijn. De volgende vier dingen zijn, mijns inziens, zo duidelijk in het Nieuwe Testament dat niemand ze zal durven ontkennen:

  1. Dat Christus Zelf gedoopt was (Matth.3:16).
  2. Dat Christus’ discipelen in Zijn Naam anderen doopten (Joh.4:2).
  3. Dat hun van Godswege opgedragen was, na Christus’ opstanding, ‘heen te gaan en te onderwijzen (of ‘discipelen maken van’ – kanttekening) al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes’ (Matth. 8:19).
  4. Dat zij handelden naar deze opdracht, en allen doopten die zij tot discipelen maakten (Hand.2:41 etc.).

Als nu deze discipelen moesten zijn gelijk hun Meester (Matth.10:25), als zij de doop predikten zowel als uitvoerden, beide voor en na de opstanding, dan zeg ik zonder aarzeling: als zij zelf niet gedoopt waren, behoren zij tot de grootste bedriegers en huichelaars die de wereld ooit gekend heeft. Toen zij, die in het hart gegrepen waren onder het Woord, tot Petrus en de andere apostelen zeiden: ‘Wat zullen wij doen, mannen broeders?’, zei Petrus tot hen: ‘Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus’ (Hand.2:37,38). Maar aan wat een lage huichelarij moet deze prins der apostelen schuldig zijn geweest, als hij een iegelijk van hen die in het hart gegrepen waren, beval gedoopt te worden, terwijl hij zelf nooit gedoopt was. Even moeilijk als ik mij voor kan stellen dat de apostelen, vervuld met de Heilige Geest als zij waren, de bekering predikten en zelf nooit bekeerd waren; geloof predikten en zelf nooit geloofd hadden; de wedergeboorte verkondigden en zelf niet wedergeboren waren, kan ik geloven dat zij de doop der gelovigen verkondigden en zelf niet gedoopt waren. Van een schilder die een schilderij van Petrus nogal overdadig gekleurd had, wordt verteld dat hij als reden daarvoor opgaf dat de apostel bloosde over de losbandigheid van zijn opvolgers, de pausen van Rome. Maar al het karmijn (rood) op het palet van de schilder zou niet genoeg geweest zijn om Petrus’ gezicht te kleuren – als hij tenminste een greintje Godsvreze in zijn hart had – als hij op de Pinksterdag anderen aangespoord zou hebben om gedoopt te worden terwijl hij zelf nooit aan die ordinantie gehoor gegeven had. Me dunkt dat de eerlijke Paulus, die hem zo scherp berispte te Antiochië vanwege zijn  ‘veinzen’, en ‘niet recht wandelen naar de waarheid des Evangelies’ (Gal.2:13,14) hem zeker bestraft zou hebben met deze tekst: ‘Die dan een ander leert, leert gij uzelven niet?’ (Rom.2:21).

Maar om weer op ons onderwerp terug te komen; ik wil een beroep doen op de consciëntie van de kinderbesprenkeler. Ik neem aan dat u, als een eerlijk mens, volledig in uw hart bent overtuigd van deze twee punten: 1. Dat het volgens de wil van God is de kinderen van gelovige ouders te dopen. 2. Dat het onbelangrijk is, of deze ordinantie wordt uitgevoerd door onderdompeling of besprenkeling; maar dat u, om uws gewetens wil, de voorkeur geeft aan het laatste. Nu dan, veronderstel dat een bekeerde Jood die achter de leer der kinderdopers staat, predikant wordt in een kerk waarvan u lid bent. Hij verkondigt de doop zoals Petrus deed, als plechtige ordinantie Gods. U brengt een kind binnen om het, zoals u dat noemt, te laten dopen door hem en u beschouwt dit als een plechtige inzetting die gaat plaatsvinden in de Naam van de gezegende Drie-eenheid, Die u liefhebt en aanbidt. Terwijl hij het kind in zijn armen heeft, fluistert een vriend in uw oor: ‘Deze dominee is zelf nooit gedoopt. Hij verkondigt en leert de doop als een plechtige inzetting, maar is zelf nooit ondergedompeld noch besprenkeld.’ Nu vraag ik of u, als een eerlijk mens, het kind niet uit zijn armen zou grijpen en hem in zijn gezicht een huichelaar noemen, om op het punt te staan uw kind te dopen terwijl hij zelf nooit gedoopt was? Ik durf te zeggen dat er nooit een kerk geweest is, in welke periode, in welk land dan ook, Grieks noch Syrisch, noch Arminiaans, noch rooms-katholiek, noch Luthers, noch Zwitsers, noch Anglicaans, noch Presbyteriaans of Independentistisch, die ooit in het pastorale ambt een bekeerde Jood of een bekeerde heiden toegestaan heeft, die niet eerst ondergedompeld of besprenkeld was in de Naam van de drie-enige God. Inderdaad zijn er dominees geweest, en nog, die de gehele inzetting aan de kant geschoven hebben. Maar zulken hebben het dan ook nooit gepredikt of bediend aan anderen. Zulk een inconsequentie zou te vreemd zijn om te rechtvaardigen tegenover anderen en zichzelf. En wie zou deze inconsequentie durven toeschrijven aan de apostelen?

Maar nogmaals, dit argument dat de apostelen niet gedoopt zouden zijn, zou niet alleen het gesloten avondmaal verwerpen, maar ook de kinderbesprenkeling. Want waartoe zou de doop, in welke vorm en gedaante dan ook, dienen, als de apostelen het van zo weinig belang achtten dat ze zichzelf niet lieten dopen? ‘Daden’, zeggen zij die spreekwoorden gebruiken, ‘zeggen meer dan woorden.’ En als de apostelen, op de dag van het Pinksterfeest, toen zij de doop verkondigden en uitvoerden, niet zelf gedoopt waren, zouden ze even slecht geweest zijn als Ananias en Saffira die het een zeiden en het ander deden, omdat zij de doop neerlegden aan de voeten van hun hoorders en een deel van de prijs achterhielden, in het zelf niet gedoopt zijn.

Maar wat zegt een mens al niet en welke argumenten voert hij al niet aan om een praktijk te verwerpen die hij niet wil? Misschien weten velen, die als argument tegen het gesloten avondmaal zeggen dat er geen bewijs is dat de discipelen gedoopt waren, niet tot welke consequenties dit argument leidt; en er zijn altijd vele ‘papegaaien’ in de godsdienstige wereld, zoals het genoemd wordt, die de  argumenten napraten die hen door anderen in de mond werd gestopt. Zij weten niet veel meer van de betekenis of kracht van dat argument, dan de papegaai in zijn kooi van de woorden die hij krijst. Argumenten zijn scherpe gereedschappen, die wanneer ze ondoordacht worden gebruikt, in eigen vingers zullen snijden. Velen namelijk, die ervoor terug zouden deinzen Petrus een huichelaar en een toneelspeler te noemen, kletsen er maar op los – simpele zielen! – met argumenten die, nader bezien, tot die conclusie moeten leiden.

Bovendien, wat zou er meer waarschijnlijk zijn geweest dan dat de discipelen tot hun geliefde Meester, toen Hij hen uitzond om ‘heen te gaan, onderwijzende alle volken, dezelve dopende’, etc. gezegd zouden hebben: ‘Heere, wij zelf zijn nog niet gedoopt. Hoe kunnen wij dan heengaan om anderen te dopen?’

3) Tot zover de negatieve kant van het argument, dat is: welke argumenten wij kunnen aanvoeren wanneer elk positief bewijs ontbreekt. Maar nu kom ik bij de positieve kant, en daarmee wil ik dan trachten aan te tonen vanuit de Schrift, dat er een positief bewijs is, dat is: een duidelijk direct bewijs, dat de discipelen gedoopt waren voordat zij deelnamen aan des Heeren avondmaal.

  1. Ik neem aan dat het vanzelf spreekt dat Johannes de Doper zijn discipelen doopte; want hij doopte de menigte (Lukas 3:7), de tollenaars (v.12) en de krijgslieden (v.14), die tot hem kwamen; en het is daarom niet waarschijnlijk dat hij zijn eigen discipelen niet doopte. Nu lezen we in Johannes 1:35: ‘Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen. En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Zie, het Lam Gods. En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus.’ Een van de twee die Johannes hoorden spreken en Hem volgde, was Andréas, de broeder van Simon Petrus (v.41). Hier hebben we nu een direct positief bewijs dat twee van Christus’ discipelen gedoopt waren, en dat Andréas een van hen was.

Als ons bewijs hier ophield, zou gezegd kunnen worden dat deze twee inderdaad door Johannes de Doper gedoopt waren, maar dat er helemaal geen bewijs is dat een van de andere discipelen gedoopt zou zijn; waarop ik antwoord dat wij een meest positief getuigenis hebben dat de doop even nodig was als bewijs van discipelschap voor hen die Jezus volgden, als voor hen die Johannes volgden. Want in Johannes 3:22 lezen we: ‘Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judea, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte.’ Het blijkt inderdaad (uit Joh.4:2) dat Jezus Zelf niet doopte, maar Zijn discipelen; maar het is zeer zeker dat zij voor Hem doopten, dat is, in Zijn plaats, in Zijn Naam en in opdracht van Hem. Zo hebben we dus een positief bewijs in deze twee punten:

  1. Dat twee Zijner discipelen, waarvan Andréas er een was, gedoopt waren door Johannes.
  2. Dat Christus’ discipelen, in Zijn Naam andere discipelen, die Hij tot discipelen gemaakt had door Zijn prediking, doopten.

Nu dan, waarom zou het nodig zijn anderen te dopen als het niet nodig was dat zij zelf gedoopt werden? En waarom zou Christus hun de bevoegdheid en de opdracht geven de door zijn prediking gemaakte discipelen te dopen als zij zelf ongedoopt bleven? Zodat dit argument dat de discipelen niet gedoopt waren, niet alleen de beschuldiging van huichelachtigheid werpt op de discipelen maar ook op de gezegende Heiland Zelf. En als iemand vraagt: ‘Wie doopte de andere tien discipelen?’, antwoord ik: ‘Het is zeer aannemelijk dat Andréas en de andere discipel, wiens naam niet genoemd wordt, de anderen doopten, eerst zelf gedoopt zijnde door Johannes.

  1. Ook kunnen wij uit de woorden van Petrus afleiden dat hij gedoopt was.

Ten eerste zegt hij (1Petr.3:21): ‘Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt.’ Waarom gebruikt hij het woord ‘ons’ als hij zichzelf daarbij niet wilde insluiten? Hij zou ‘u’ gezegd moeten hebben als hijzelf uitgezonderd was. Neem een overeenkomstige uitdrukking: ‘…dewijl ook Christus voor ons geleden heeft’ (1 Petr.2:21). Zou iemand willen beweren dat Petrus zichzelf insluit in het getal van Christus’ kinderen als hij zegt: ‘Christus leed voor ons’, en zichzelf uitsluiten als hij zegt: ‘de doop behoudt ons nu ook?’ Moet ‘ons’ niet in beide teksten gelijk opgevat worden?

Ten tweede zien we dezelfde apostel nogmaals iets dergelijks uitspreken in Hand.10:46,47: ‘Toen antwoordde Petrus: ‘Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij?’ Ja zeker. ‘Een trouwe lezer’ zou het water tegen willen houden, als hij het ontkent voor Petrus; en in alle eerlijkheid, waarom zou het nodig geweest zijn voor Cornelius, als het voor Petrus niet nodig was? In zijn eerste brief spoort Petrus, als ouderling, zijn mede-ouderling aan geen ‘heerschappij te voeren over het erfdeel des Heeren, maar voorbeelden der kudde te zijn’(1 Petr.5:3). Maar hij zou veel heerschappij voeren, als hij anderen beval wat hij zelf nooit gedaan had; en hij zou wel een heel slecht voorbeeld zijn, als de kudde gedoopt moest worden en de herder was het niet. Maar wat is de eigenlijke betekenis van Petrus’ woorden: ‘Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heilige Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij?’ Wat anders dan dit: Wij hebben de Heilige Geest ontvangen, en zij hebben de Heilige Geest ontvangen. Wij zijn gedoopt met water, en wie kan hen verbieden dat zij ook gedoopt zouden worden in dat water? Ziende dat wij beiden de hemelse zegen ontvangen hebben, wie zal hen onthouden dezelfde uiterlijke plechtigheid, als teken en zegel, dat wij genoten hebben? Als dit niet de eerlijkste duidelijkste betekenis van deze passage is, weet ik niet meer wat taal is.

III. Ten slotte, Paulus zegt, als hij de zegeningen van de Kerk Gods opnoemt: ‘Eén lichaam is het, en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot één hoop uwer roeping; één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen’, enz. (Ef.4:4-8). Dat deze ‘één doop’ niet betekent de innerlijke doop van de Geest, is duidelijk uit het gebruik van de uitdrukking ‘één Geest’, even daarvoor. Het moet daarom de doop met het water betekenen. Nu, ik vermoed dat niemand zal ontkennen dat de discipelen als leden van Christus, met uitzondering van Judas, hoorden bij ‘één Geest, één Heere, één geloof, één God en Vader van allen.’ ‘Waarom dan niet ‘één doop’? Moet dit eruit gesneden worden om de voorstanders van het open avondmaal een genoegen te doen in hun behoefte aan een argument om hun zaak te steunen? Maar hetzelfde roekeloze mes die ‘één doop’ eruit snijdt, zou er ook wel eens iedere ander ‘een’ zegen, en de discipelen van Jezus achterlaten zonder de Geest, zonder hoop, zonder Christus, zonder geloof, en zonder God.

Dit waren dan enkele van de argumenten door welke aan elk eenvoudig mens bewezen zou kunnen worden dat de discipelen van de Heere gedoopt waren; en indien gedoopt, dan moet dat gebeurd zijn voor het laatste avondmaal. In feite kan er geen twijfel over bestaan dat zij gedoopt zijn toen zij voor het eerst geroepen werden tot discipelen. Weliswaar twijfel ik eraan diegenen te hebben overtuigd,  wiens vooroordeel of belang ingaat tegen de waarheden die ik in deze en een vorige brief gepoogd heb te bevestigen. Het zijn niet hun hoofden die overtuigd zouden moeten worden, maar hun harten die geopend moeten worden. Ik ben ervan overtuigd dat niemand dan de Heere Zelf dit kan doen. Stond iemand op uit de dood, velen zouden niet geloven waartegen zij zolang gewend waren zich te verzetten. Stamford, mei 1840.   De uwe, J.C. Philpot.

——   Van de uitgever van de voorgaande bladzijden gehoord hebbende dat de brieven niet alle ruimte zouden bezetten, en dat er nog plaats was voor de introductie van een nieuw onderwerp, heb ik gedacht dat het interessant zou kunnen zijn enige getuigenissen toe te voegen van de oudvaders en geleerde mannen die voor die praktijk waren, waarvoor het in de voorgaande brieven opgenomen werd. Dit doende wil ik graag uitleggen wat de waarde is van zulke getuigenissen. Voorzover het de leer betreft, is de mening van de oudvaders bijna waardeloos. Het Woord van God is onze enige bron en maatstaf voor de leer. Maar hun getuigenis van wat de  praktijk was in hun dagen is zeer waardevol als historisch bewijs van het meest uitzonderlijk karakter. Wanneer Justin Martyr, die leefde omstreeks het jaar 140 (dat is slechts 40 jaar na de dood van Johannes), bijvoorbeeld in een uitvoerig  verdedigingsschrift van het christendom, overhandigd aan de Romeinse keizer, met betrekking tot de inzetting van des Heeren avondmaal verklaart: ‘Dit voedsel wordt door ons de eucharistie genoemd, waaraan het niemand geoorloofd is deel te nemen dan zij die geloven dat de dingen die door ons onderwezen worden waar zijn, en gedoopt zijn’, dan hoeven wij er niet aan te twijfelen of dit het geval was. Slechts twee vragen kunnen dan opkomen; ten eerste: was hij een bekwaam getuige? Ten tweede: was hij een geloofwaardig getuige? Wat zijn bekwaamheid betreft was hij zeker in de gelegenheid te weten of ongedoopte personen werden toegelaten tot des Heeren avondmaal of niet, want hij leefde als een christen te midden van christenen gedurende meer dan dertig jaar. Hij schreef twee openbare verdedigingen van het christendom. In een daarvan deed hij gedetailleerd verslag aan de Romeinse keizer van de leer en het leven van de christenen in zijn dagen. Hij was daarom, in elk opzicht een zeer bevoegd getuige. Wat zijn geloofwaardigheid betreft kunnen we het volgende opmerken: Ten eerste is het hoogst onwaarschijnlijk dat hij een valse bewering zou doen in een vurige verdediging van het christendom. Hij had geen reden dit te doen, en indien hij beweringen gedaan zou hebben die onwaar waren, dan zouden er duizenden geweest zijn die hem tegengesproken zouden hebben, vooral in een zo duidelijke feitenkwestie. Ook zouden zijn vijanden zo’n kans niet voorbij hebben laten gaan om hem aan te klagen bij de keizer als schuldig zijnde aan leugen. Ten tweede kunnen we als aanvullend bewijs voor zijn geloofwaardigheid opmerken dat hij de waarheid verzegelde met zijn bloed toen hij in het jaar 164 als martelaar stierf (vandaar zijn naam). Hij had aan de dood kunnen ontsnappen als hij erin toegegeven had te offeren aan de heidengoden. Wanneer zijn getuigenis dan als praktijk uit die tijd verworpen wordt, kan dat niet zijn op grond van zijn onbekwaamheid om een simpel feit te verklaren, of op grond van zijn ongeloofwaardigheid. En als de praktijk van de kerk die van het gesloten avondmaal was in Justins dagen, was die praktijk ongetwijfeld afgeleid van de tijd der apostelen. De neiging van iedere kerk is eerder te verslappen met betrekking tot voorschrift en praktijk, dan deze strenger te maken. Dit wordt bijvoorbeeld bewezen door de introductie van de kinderdoop rond het begin van de derde eeuw en de huidige verspreiding van het gemengde avondmaal onder de kerken die gefundeerd waren op stricte principes. Het is daarom hoogst onwaarschijnlijk dat de kerk, binnen veertig jaar na de dood van Johannes, zou gehandeld hebben volgens strengere principes dan die de apostelen zelf gelegd hadden. Dit argument geldt ook voor de getuigenissen van andere oudvaders, wiens getuigenissen waardevol zijn vanwege de volgende drie kenmerken: oudheid, bekwaamheid, en geloofwaardigheid.

De getuigenissen van geleerde mannen rusten op andere fundamenten dan die van de oudvaders. Zij worden gekenmerkt door de volgende drie eigenschappen: een hoge mate van geleerdheid, geloofwaardigheid en onpartijdigheid (objectiviteit). Laat ons als voorbeeld het getuigenis van Dr. Wall nemen. Hij bracht het grootste gedeelte van zijn leven door in het onderzoeken van de geschriften van de oudvaders om de kinderdoop te bewijzen. Dat is voldoende bewijs voor de mate van zijn geleerdheid. Zijn geloofwaardigheid is nog nooit in twijfel getrokken, want hij heeft de exacte woorden geciteerd, en verwezen naar alle passages van de auteurs die hij noemde. Hij was een zeer overtuigd kinderbesprenkeler, en dus was hij waar het zijn vooringenomenheid betreft, tegen volwassendopers. Zijn getuigenis over het gesloten avondmaal is daarom waardevol vanwege zijn duidelijk positie in de drie hiervoor genoemde eigenschappen.

Maar indien iemand zo’n getuigenis geheel verkiest te verwerpen, dan is de vraag daardoor niet verzwakt. Die staat nog steeds op Schriftuurlijke gronden. Toch zouden zij die overtuigd zijn door de Schrift, niet ongeïnteresseerd kunnen zijn in de praktijk der vroege gemeenten.

Ik wil mijn lezers niet misleiden door hen te laten geloven dat ik de getuigenissen zelf van de oudvaders heb. Noch aanleg, noch gelegenheid staan mij toe mij over hun stoffige en zwaarwichtige delen te buigen. De uittreksels komen voornamelijk uit de geschriften van Dr. Gale, en werden enige tijd geleden door mij gemaakt voor eigen gebruik; maar ik achtte dit moment een goede gelegenheid ze aan de lezers van de voorgaande pagina’s voor te leggen.

Getuigenissen van oudvaders over de onderdompeling

‘De doop is het teken van Christus’ dood. In het water worden wij als het ware begraven – de onderdompeling is het sterven met Hem; en het opkomen uit het water is het beeld van de opstanding’ (Apostolische Constitutie, Lib.III, hoofdstuk 17).

‘Wij dalen af in het water vol zonde en ongerechtigheid en komen daaruit op.’ (Barnabas, hoofdstuk XI, blz.38).

‘In de doop sterven wij symbolisch’ (Tertullian de Resurrectione, blz.354).

‘Het maakt niet uit of wij in de zee of in een vijver gewassen worden, in een fontein of in een rivier; in stilstaand of stromend water. Er is ook geen verschil tussen hen die door Johannes in de Jordaan gedoopt werden en hen die Petrus in de Tiber doopte’ (Tertullian de Baptismo, hoofdstuk IV).

‘Onze handen zijn schoon genoeg als wij ze eenmaal samen met ons hele lichaam, gewassen hebben in Christus’ (Tertullian de Orat., blz.133).

‘Wij zijn niet één maal ondergedompeld maar drie keer, namelijk in iedere Persoon (dat is van de Drie-eenheid) zoals die wordt genoemd.’ (Tertullian Adver, Praxeam CXXVI blz.110).

‘Het in het water gedompeld geworden om er daarna uit op te rijzen is het symbool van ons nederdalen in het graf en ons oprijzen daaruit. Daarom noemt Paulus de doop een ‘begrafenis’, als hij zegt: ‘Wij zijn met Hem begraven door den doop in den dood’ (Chrysostom, Hom.40 in 1 Cor.tom.III, blz.514).

Getuigenissen van geleerde mannen

‘De wijze waarop zij dit sacrament gewoonlijk bedienden, was het drie keer onderdompelen in het water van de personen die gedoopt werden.’ (Petavius de Paenitentiâ, lib.II, hoofdstuk I sec.I).

‘De doop geschiedde door onderdompeling in het water’ (Casaubon, over Matth.3:6).

‘De ouden waren gewoon de personen in het water te dompelen, de aanbiddelijke Drie-eenheid aanroepende’ (Jurieu, brief VI, 1686, blz.36).

‘Hier en in Kol.2:12 wordt zo duidelijk uitgedrukt dat wij met Christus begraven zijn in de doop door de begrafenis in het water, en dat wij verplicht zijn tot een overeenkomstige dood, namelijk: door te sterven aan onze zonden. Deze onderdompeling is in acht genomen door alle christenen gedurende dertien eeuwen, en goedgekeurd door onze kerk. De verandering ervan in de besprenkeling gebeurde zonder enige toestemming van de auteur of zijn institutie, of enig concilie van de kerk. Daarom zou het wenselijk zijn dat deze gewoonte algemeen gebruik zou gebleven zijn’ (Whitby over Rom.6:4).

Oude formulieren

‘Dan zal de priester het kind in zijn handen nemen, en zijn naam vragen; en de naam noemend zal het kind driemaal in het water gedompeld worden: eerst de rechterzijde, dan de linkerzijde en ten slotte met het gezicht naar het vont, zodat het op een bescheiden en behoedzame wijze gedaan wordt.

In fol. CXXXI wordt aangegeven: ‘Het water in het doopvont zal minstens eens per maand verschoond worden; en voordat een kind in het aldus verschoonde water zal gedoopt worden, zal de priester bij het vont aldus bidden.…’ (Gemeenschappelijk Gebedenboek en administratie van de sacramenten en ceremoniën van de kerk; naar het gebruik van de kerk van Engeland – 1549).

Verklaringen van martelaren

‘Welke schande is groter dan dat een man zichzelf een christen noemt omdat hij is gedoopt, terwijl hij niet weet wat de doop is, noch wat het ondergedompeld worden in het water betekent?’ (Catechismus, of een Korte Lering in het christelijk geloof, voor het bijzonder gerief en tot nut van kinderen en jonge mensen. Opgesteld door Thomas Cranmer, aartbisschop van Canterbury – Fol. CCXV).

‘De doop en de onderdompeling in het water betekenen dat de oude Adam, met al zijn zondigheid en boze lusten verdronken moet worden en gedood door dagelijks berouw, en dat wij door de vernieuwing des Heiligen Geestes met Christus moeten opstaan uit de dood der zonde om te wandelen in een nieuw leven’, enz. (Ibid., fol. CXXXII).

‘De dompeling in het water beduidt ons dat wij aan de zonde, onze eigen wil en alle vleselijke begeerten gestorven zijn, en in deze weg met Christus worden begraven in de doop. En als wij weder opgericht worden uit de doop beduidt dat ons dat wij opgestaan zijn van de dood, dat is, getrokken uit de zonde die ons in de dood gebracht zou hebben, in een nieuw geestelijk leven.’ (Een korte lering voor alle personen, jong en oud; vertaald uit het Hollands in het Engels door Anthony Scholaker).

‘Het wassen (van de doop) predikt ons, dat wij gereinigd zijn door het vergoten bloed van Christus, dat een offer en voldoening der zonde is voor allen die berouw hebben en geloven, die instemmen met en zichzelf onderwerpen aan de wil van God. De onderdompeling in het water betekent dat wij sterven en begraven worden met Christus, waar het ons oude leven der zonde dat in Adam is, aangaat.

Het weer opgetrokken worden uit het water betekent dat wij weder opstaan met Christus in een nieuw leven, vol van de Heilige Geest, Die ons zal leren en leiden, en de wil Gods in ons zal werken, zoals gij ziet in Rom.6’ (Tyndalls ‘Gehoorzaamheid van de christen’, gedrukt door John Daye, 1571, blz.143).

‘Het teken van de doop, is het ondergedompeld worden in het water, en er weer uit opgetild worden, waardoor wij als een uiterlijke onderscheiding, gerekend worden bij hen die Christus als hun Verlosser en Zaligmaker belijden’ (John Friths Works, blz.91).

‘Deze twee dingen, namelijk het ondergedompeld worden in het water en het er weer uit opgetild worden, beduiden en vertegenwoordigen de gehele kern en uitwerking van de doop’ (Ibid., blz.90).

‘In Bidekirk, Cumberland, is een doopvont waarop een persoon in een lange priesterlijke pij is afgebeeld die een kind in het water dompelt. Aartsdiaken  Nicholson zegt hierover als hij aan Sir W. Dugdale schrijft: ‘Ik hoef u niet in kennis te stellen van het feit dat het sacrament van de doop vanouds werd bediend door het onderdompelen in het water, zowel in het westelijk als in het oostelijk deel der kerk; en dat het gotische woord (Mark.1:8; Luk.3:7-12), het Duitse woord ‘dopen’, het Deense woord ‘dobe’ en het Belgische ‘doopen’, helder duidelijk maken, dat de uitoefening ervan was zoals het Griekse woord ‘$”BJ\.f’ het weergeeft.

4Er is geen voorbeeld van kinderdoop. Dit is een weglating; de eerste nul. Er wordt geen vermelding gemaakt van een kind als lid van die huisgezinnen. Dat is weglating twee, de tweede nul.


 

Enoch Feazey (1836-1905) over de Doop der gelovigen en zijn eigen ervaring

Overgenomen uit Nagelaten Brokken Deel 2

Gods volk stemt met elkaar overeen, betreffende de fundamentele punten van ons allerheiligst geloof, maar velen van hen verschillen van mening over het onderwerp van de doop der gelovigen. Ik heb mensen ontmoet voor wie ik goede hoop heb, maar die toch geringschattend spraken over deze ordinantie, en die het Goddelijk gebod van de aanbiddelijke Verlosser behandelden als had het geen waarde. Het is niet ongewoon om mensen te horen zeggen: ‘O, ik heb de doop nooit gezien en ik maak me er ook niet druk over.’ Hierdoor laten zij hun onwetendheid zien en tonen zij dat zij de zin van de Geest over dit onderwerp niet begrijpen.

Mijn belangrijkste bedoeling en verlangen in dit schrijven is het bemoedigen van de zwakken in het geloof die trachten naar de ordinantie van Gods huis te wandelen. Ik heb gemerkt dat sommigen zich proberen te verschuilen onder de mantel van de goede en hoogbevoorrechte dienaren Gods, zoals Huntington, Chamberlain, Irons en anderen die geen Baptisten zijn. Maar zou het niet veel beter zijn om naar het Woord Gods te verwijzen en uit te zoeken wat de geboden van de dierbare Verlosser Zelf zijn? Als de kinderen Gods Zijn Woord meer zouden lezen en ernstiger werden geleid om door gebed en smeking de zin van de Geest te leren kennen, dan zou er bij sommigen niet zo’n verlangen kenbaar zijn om de bestaande hindernissen te doorbreken, en wat wel de ‘open communion’ (deelname aan het avondmaal, ook voor niet gedoopten) genoemd wordt, in te stellen. Het is overduidelijk dat de doop en des Heeren avondmaal door Christus Zelf aan Gods Kerk geschonken zijn. Deze ordinanties waren Gods eniggeboren Zoon dierbaar en heilig, en daar mag niet lichtvaardig over gesproken worden.

Toen het God in Zijn liefde en barmhartigheid behaagde mijn arme, door de zonde doortrokken ziel van de macht van het kwaad en de vloek van een verbroken wet te verlossen, door Zijn geliefde Zoon Jezus Christus aan mijn hart te openbaren als mijn Wet-Vervuller, barmhartige Hogepriester en aanbiddelijke Zaligmaker en Verlosser, werd ik als het ware in deze volheerlijke Persoon opgenomen. Ik sprak tot Hem en ik sprak over Hem en voelde mijzelf als een monument van Zijn rijke barmhartigheid en genade. Ik werd in staat gesteld Hem voor eeuwig als mijn Deel op te eisen, want Hij had zo genadiglijk mijn zonden weggedaan door het offer van Zichzelf, en ik voelde Hem als volkomen lieflijk, en als de Voornaamste onder tienduizend. Ik leefde enkele maanden in Zijn omarming, sprak over zijn goedheid, en zong luid over Zijn genade en barmhartigheid. Ook heb ik die verfrissende tekenen van Zijn liefde voor mijn ziel tot op de dag van vandaag niet vergeten. Terwijl ik aldus bevoorrecht was om aan Zijn geliefde voeten te zitten, naar Zijn zoete stem te luisteren, en door Zijn rijke gaven gevoed te worden, werd ik in staat gesteld zulk een schoonheid in Zijn Goddelijke Persoon te zien, dat ik uiterst verbaasd was dat Hij bij zulk een worm als ik zou willen wonen.

In die dagen las ik voornamelijk in het Nieuwe Testament en volgde het leven van de Verlosser van de kribbe tot het kruis van Golgotha. Het Woord van God en de troon van genade waren mij zo heilig dat ik voelde niet zonder die te kunnen leven. Ik wist indertijd niet veel van de zin van de Geest en had grote behoefte aan een uitlegger, iemand die mij kon leren welke weg ik moest gaan. Ik riep dagelijks tot God om deze Goddelijke hulp. Hij hoorde mij vanuit Zijn heilige hoogte en leidde mij een aantal malen in verscheidene delen uit Zijn Woord; ik moet dus zeggen dat de Heere alleen mijn Hulp was. Ik greep elke gelegenheid aan om in de gezegende inhoud ervan te lezen. Ik werd met name een keer getroffen door het ernstige gebod dat de Heere Jezus aan Zijn discipelen gaf, zoals is opgetekend in Markus 16:15,16, maar ik had de zalving van de Heilige Geest nodig om de betekenis ervan te begrijpen. Het behaagde de Geest Gods om mijn verstand tot meditatie en gebed op te wekken en op deze manier werd ik geleid om het belangrijke onderwerp van de doop te overwegen.

Ik voelde zulk een opspringen van Goddelijke liefde voor de genadige Verlosser en voor de geboden die Hij gaf, dat ik alles voor Hem zou hebben gedaan als dank voor de liefde en het medelijden die Hij had getoond door mijn arme, bezoedelde ziel uit de gevangenis van de hel te redden. In mijn eenvoud vroeg ik de Heere mij te tonen wat de doop betekende. Kort daarna was ik het opmerkelijke verhaal van Filippus en de kamerling aan het lezen toen mijn verstand enigszins verlicht werd en ik ertoe werd gebracht te zien dat het een begraven worden met Christus in de doop betekende. Ik voelde dat ik graag gedoopt zou worden in de beminde naam van de heilige Drie-eenheid en ik kon, net als de kamerling zeggen: ‘Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?’, want in mijn hart voelde ik dat Jezus Christus de Zoon van God is.

Enige tijd daarna maakte ik kennis met enkele vrienden die onder de prediking van meneer Irons van Camberwell gezeten hadden en ik hoopte dat ze mij misschien zouden onderwijzen in de verborgenheden Gods. Maar ik kende ze nog niet zolang toen ze het onderwerp ‘doop’ ter sprake brachten en mij vroegen of ik al gedoopt was. Ik antwoordde: ‘Nee.’ Ik ging een paar keer met hen mee om naar hun predikant, de heer I., te luisteren. Maar hoewel hij de waarheid predikte, werd mijn ziel tijdens de predikatie niet gevoed. Ik was gewend Tiptaft, Philpot, Godwin en anderen te horen. Hun prediking doorwrocht elk hoekje en gaatje van mijn hart en ik zag hen als evenzovele wijze bouwers die in staat waren mijn ziel op te bouwen in de gezegende en bevindelijke waarheden van het Evangelie. Ik ging nu naar de kapel in Gower Street en soms naar de Zoarkapel. Een van mijn vrienden die ik hierboven noemde viel me aan over het onderwerp van de doop en ging zo ver te zeggen dat het slechts een schaduw was en niets betekende. Hij zei dat het essentieel is de doop door de Heilige Geest te kennen en te ervaren en dat ik me niet druk hoefde te maken over de doop met water. Hij raadde me sterk aan er niet meer aan te denken, maar meer te denken aan de doop door de Heilige Geest en gaf me een boek om te lezen, geschreven door zijn voormalige predikant, meneer Irons. Tijdens het lezen merkte ik al snel dat meneer I. geen Baptist was. In plaats van onderwijs te geven, bracht dit boek me in grote verwarring en ik besloot te proberen om niet meer aan de waterdoop te denken.

Op een avond las ik de woorden: ‘Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij?’ (Hand.10:47). Ik zei tegen mezelf: ‘De doop met water is goed, want het heilige Woord Gods vertelt me dat.’ Op dat moment ontdekte ik dat ik verkeerd had gehandeld door naar de mens te luisteren over dit belangrijke onderwerp. Nu ik het Woord had ontvangen met nieuw licht van de hemel en nu ik een toename van het Goddelijk geloof in mijn ziel gevoelde, begon ik het Nieuwe Testament te onderzoeken en ik zag dat de doop een ordening, een plicht voor gelovigen was; niet ter bekering, maar om te onderhouden, in gehoorzaamheid aan de gezegende geboden van de dierbare Verlosser, en als de vrucht en de uitwerking van Goddelijke genade in de ziel. Mijn verstand werd op een zeer gezegende manier verlicht over dit onderwerp tijdens het lezen van Matthéüs 3, waar we een beschrijving vinden van de doop van de Heere Jezus door Johannes in de Jordaan. De minzaamheid van de Heere Jezus greep mij aan, en zijn grote nederigheid om zich door Johannes te laten dopen. Let eens op de uitwerking die deze woorden hadden op Johannes, want we lezen: ‘Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?’ O, wat een hemelse eerbied moet zijn ziel vervuld hebben toen niemand anders dan de Zoon van God kwam om door hem gedoopt te worden! ‘Maar Jezus antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.’

Toen ik deze beschrijving van Jezus’ doop las, werd ik met heilige verbazing vervuld en het kleine woordje ons was een belangrijk woord voor me, want ik zag hoe Christus Zichzelf en heel Zijn volk bedoelde en zo ten voorbeeld gaf dat Zijn volk de voetstappen moet volgen van Hem Die zegt: ‘Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven.’ Ik zag dat de doop van de Heere Jezus in de Jordaan God de Vader en de Heilige Geest verheugde, want, ‘terstond opgeklommen uit het water’ (dus moet Hij het water zijn ingegaan). ‘En zie, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duif, en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.’ Als de Hemel de doop van de Heere Jezus, Die toch het Leven van Zijn Kerk is, zo eerde, volgt daaruit dan niet dat verhoudingsgewijs dezelfde heerlijkheid soms wordt geopenbaard aan degenen die zijn verenigd met Christus en hun Heere en Redder door dit graf van water, de doop, volgen? Alzo is de Schrift vervuld: ‘want die Mij eren, zal Ik eren.’ Ik zou tegen allen die God eren en liefhebben willen zeggen: Wees voorzichtig wat u tegen de doop naar voren brengt, want het voorbeeld en het gebod van Christus spreken u tegen. We hebben vele voorbeelden van Gods goedkeuring en goedgunstig aangezicht voor de navolgers van het Lam Gods in deze verachte ordening.

De Heere hielp mij alleen op Hem te zien om leiding en onderricht en ik voelde een innerlijk verlangen in mijn hart opwellen om de dierbare Heere Jezus te volgen. Toen ik met Zijn nabijheid begunstigd werd en met de vrijheid aan de troon van Zijn genade, vroeg ik de Heere of Hij voor mij een weg wilde openen om gedoopt te worden en ik vroeg Hem in het bijzonder mij niet toe te staan om Christus in het openbaar luchtig, lichtvaardig en op een zorgeloze manier aan te doen, maar met een sobere, plechtige gemoedsgesteldheid. Inwendig voelde ik een gewilligheid om nederig voor God te wandelen in die dingen, die Hem behagen, en ik voelde grote plechtigheid en een soort van heilige eerbied toen de Geest der waarheid de geestelijkheid van de doop der gelovigen openbaarde. Als u zegt dat het niet uitmaakt of u gedoopt bent of niet, geeft u daarmee dan niet te kennen dat de Verlosser woorden tot Zijn Kerk en kinderen sprak die zonder betekenis waren? Volgt daar dan niet uit dat als we dit genadig gebod uit de mond van Gods geliefde Zoon kunnen negeren en nietswaardig achten, we om dezelfde redenen andere geboden, voorschriften en waarschuwingen uit Gods Woord kunnen negeren en nietswaardig achten?

Ik kom nu bij de tijd dat ik, door genade geleid, Christus in het openbaar kon aandoen. Ik kon niet rusten totdat ik mijn ziel blootlegde over het onderwerp bij de predikant die het zeer begunstigde instrument in Gods handen was in het prediken van vrede en vergeving aan mijn arme, zondezieke ziel en van de bevrijding van de macht van de zonde en de vloek van een verbroken wet. O gezegende tijd, o gelukzalige dag, o zoete overzetting uit het koninkrijk van satan naar het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon! Ik zal nooit de zoete, vredige kalmte die ik in mijn boezem gevoelde vergeten toen ik mijn huis verliet om het geliefde Lam Gods te volgen in het graf van water. Ja, om met Hem in de doop begraven te worden. Op die manier naderde ik de Goddelijke ordening in een bedachtzame en vredige gemoedsgesteldheid en met een stil verlangen dat ik Gods goedgunstig aangezicht in mijn ziel zou mogen voelen. Tijdens de dienst was ik erg onder de indruk van wat ik zo dadelijk zou bijwonen en vroeg de Heere of ik nogmaals een zoeter getuigenis van Hem zou mogen ontvangen dat ik in gehoorzaamheid aan Zijn heilige wil wandelde. De koster kondigde gezang 428 aan en dit kwam met zulk een kracht tot mijn ziel dat ik bijna niet kon blijven zitten, met name de volgende twee regels:

‘Jezus zegt: Laat elke gelovige,
In Mijn Naam gedoopt worden.’

Ik dacht dat mijn arme ziel uit mijn lichaam zou springen en inwendig zei ik: ‘Heere, ik zal in Uw wegen wandelen.’ O, wat was dit een gezegend getuigenis voor mijn ziel. Wat een zoete zalving van de Heere, Die mij in staat stelde met Hem in de doop begraven te worden! Zo hoorde en beantwoordde de lieve Heere het roepen van mijn ziel en gaf mij nogmaals een zoet teken van Zijn liefde en ik ging af in het water en werd gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De doop vond plaats in de rivier de Ouse en een groot aantal mensen was getuige van deze plechtigheid.

‘s Middags zat ik aan bij de ordening van des Heeren avondmaal met Zijn dierbare heiligen en genoot zeer van dat voorrecht. Als ik ooit de vrede Gods die alle verstand te boven gaat als een rivier in mij heb voelen stromen, dan was dat in de nacht toen ik mij ter ruste legde. De hemelse beloning in de ziel door het onderhouden van Gods geboden voelen we slechts als we door Gods Geest geleid die dingen doen, die Hem welbehaaglijk zijn voor Zijn aangezicht. Ik ging op die gedenkwaardige nacht naar bed terwijl ik de liefde, barmhartigheid en vrede Gods in mijn hart uitgestort voelde, en dankbaarheid vloeide uit het diepst van mijn ziel tot de God van al mijn genade. Ik viel spoedig in slaap en werd rond drie uur ‘s nachts weer wakker toen de volgende woorden met grote zoete kracht kwamen: ‘En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water. En zie, de hemelen werden Hem geopend.’ Ik kan niet beschrijven wat ik onder deze woorden voelde. Ik had het antwoord van een goede conciëntie in wat ik had ondergaan en toen ik ‘s morgens naar beneden kwam, vertelden mijn vrienden mij dat mijn aangezicht straalde van de liefde Gods. Deze heerlijke zegening duurde vele dagen en ik at en dronk bijna een week in Zijn wijnhuis. O, wat een schoonheid, zegening en harmonie zag ik in het Woord Gods en wat voelde ik een dankbaarheid dat het God had behaagd mijn arme ziel bij die van Zijn dierbare kinderen te scharen.

Ik zou daarom tegen degenen die verlangen om lid te worden van de kerk willen zeggen, dat de juiste weg naar de kerk hier op aarde is door middel van de doop met water en dat de bekwaamheid moet komen uit het werk des geloofs en der liefde in de ziel. God zal hen in de ordening en in Zijn huis eren. Maar van degenen die ertegen vechten zegt de Schrift: ‘die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.’

Moge de Heere deze zwakke poging om Zijn waarheid uiteen te zetten aan de zielen van Zijn uitverkoren volk zegenen, want zo zal Zijn Naam alleen al de eer ontvangen.

Enoch Feazey


 

J. Mackenzie preekt over de Doop der gelovigen

De verborgenheid van de doop der gelovigen. Een preek door J. Mackenzie, uit Preston (in Lancashire), uitgesproken in de Zoar-kapel, Great Alie Street, Londen, op donderdagavond, 7 september 1843. Overgenomen uit Nagelaten Brokken Deel 1

“Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods”. Kolossenzen 2:12a

De Schrift openbaart ons twee vaste ordinantiën, die door Gods Kerk bediend moeten worden, namelijk de doop en het heilig avondmaal. En terwijl we enerzijds de geboden en ordinantiën van onze gezegende Heere niet mogen onderschatten, zouden we ze anderzijds niet in de plaats willen stellen van datgene, waarvoor ze nooit bedoeld zijn.

De zaligheid ligt niet in het heilig avondmaal, noch in de ordinantie van de doop. Honderden die gedoopt zijn, en duizenden die aan het heilig avondmaal deelgenomen hebben, zullen ongetwijfeld uiteindelijk aangetroffen worden in de hel.

Noch het deelnemen aan deze twee ordinantiën, noch het houden van al de voorschriften in de Bijbel naar de letter, zal de ziel zaligmaken; het heil is van en in den HEERE (Ps.37:39, Jer.3:23, Jona 2:9); en in Hem “zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen het ganse zaad Israëls”. Het heeft zijn oorsprong in het soevereine voornemen, de eeuwige liefde, het welbehagen en de vrije genade van God de Vader, en wordt als een schat bewaard in de Persoon van God de Zoon. Het vloeit door de gehoorzaamheid en het bloed van de Verlosser, en wordt toegepast en geschonken door God de Heilige Geest. Dit, en dit alleen is de zaligheid. Daarom is het louter onderhouden van een ordinantie of gebod voor de verlossing van de ziel gelijk aan het oprichten van een afgod en het onder de voet vertreden van de Zoon van God. Begrijp ons dus niet verkeerd, wat betreft de ordinantie van de doop.

Met het dopen van personen in de Naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest, belijden wij niet de vergeving van zonden of de vernieuwing, de verlossing of de heiliging van hun zielen. Neen, geenszins. Maar hoewel dit niet het geval is, moeten we daarom de heilige geboden en ordinantiën van Jezus niet verachten. De gehoorzaamheid van een kind aan zijn ouders maakt het niet tot een kind, zo min als zijn ongehoorzaamheid kan bewijzen dat het geen kind is, maar toch is gehoorzaamheid noodzakelijk om goede en begrijpelijke redenen.

Aangezien we dan nu op het punt staan deze gezegende Evangelie-ordinantie van de doop der gelovigen bij te wonen, zullen we eerst trachten enkele bijzondere opmerkingen over dit onderwerp te maken.

In de tekst lezen we dat de Kolossenzen “met Christus in den doop begraven zijn” en “met Hem opgewekt zijn door het geloof der werking Gods”.

  1. Er is veel gesproken over het onderwerp van de doop, zowel voor als tegen. De een wil water gieten op, de ander besprengen en weer een ander dopen of in water onderdompelen. Wij geloven dat het laatste het is, want hoe kan iemand opkomen uit het water dat gegoten of besprengd wordt? Onze tekst verklaart, dat zij “opgewekt zijn met Hem”, en de kamerling kwam “op uit het water”.

Ik twijfel er niet aan dat er hier vanavond sommigen zijn, die in het geheel niet in de doop geloven; dat wil zeggen: de volwassendoop door onderdompeling in water. En anderen, die er geen mening over hebben: van wie sommigen mijn vrienden en kennissen zijn, die ik zeer hoogacht en liefheb vanwege de waarheid van God, en hun ondervinding daarvan in de ziel.

Welnu, terwijl ik niet zodanig wens te spreken om onnodig hun gevoelens te krenken of te kwetsen, toch moet ik hen eerlijk in het aangezicht verklaren dat ik terwille van de vriendschap, de gezegende waarheid van God zoals die in het geschreven Woord te vinden is en als een ijzeren pen voor mijn ogen gegrift is, niet kan verminken. Zal ik dan, terwille van de vriendschap, tegen mijn consciëntie in handelen, of de ordinantie van God verloochenen? Ik kan het niet en durf het niet.

Als ik daarom, door wat ik ga zeggen, mijn vrienden zou beledigen, moeten zij het als de verklaring van de waarheid beschouwen, en niet als een wens van mij om hen te kwetsen of te verwonden. Ik weet dat vlees en bloed zich ertegen verzet, maar de waarheid van God moet verklaard worden, en volgens die toetssteen staan of vallen wij.

De eerste vraag dan die oprijst, is: Is het besprengen van zuigelingen de waarheid van God, of niet? Ik zeg: Het is de waarheid niet. Waarom niet? Omdat er in het Nieuwe Testament geen bevel, voorbeeld of voorschrift voor is. Het moet dan ook beslist fout en een bedenksel van mensen zijn; het kan niet anders zijn dan een zich aanmatigen van wat God noch bevolen, noch met voorbeelden heeft aangetoond.

Ik durf deze stap niet met open ogen te nemen, en ik kan niet begrijpen wat sommige goede vrienden met hun consciënties doen, wanneer zij het besprengen van zuigelingen uitoefenen. Welnu, als de Schrift er niet gezaghebbend over spreekt, dan is het onnodig om over dit onderwerp een eindeloze discussie te gaan voeren. Als het niet geopenbaard is in het Nieuwe Testament, dan is dat voldoende. Ik heb er herhaaldelijk over gelezen om het te vinden, maar nooit heb ik er enig bewijs van kunnen ontdekken, en ik ben er volkomen van overtuigd, dat het tegen Gods wil en gedachten is.

Maar voorts, wordt de doop der gelovigen door onderdompeling in water, in de Naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest, duidelijk, ondubbelzinnig en niet op een duistere wijze in het Nieuwe Testament uiteengezet? Wordt het daar bevolen en met voorbeelden aangetoond? Ik antwoord: Inderdaad. Welnu dan, als dit zo is, is er dan behoefte aan om er verder over te redetwisten?

Maar als u toch een bewijs verlangt, dan hoef ik slechts één uitdrukkelijk bevel te noemen, en dan verwijs ik naar één of twee voorbeelden uit vele andere, als voldoende bewijs van de waarheid van de ordinantie.

  1. In het laatste hoofdstuk van het Matthéüs-Evangelie vinden we deze taal op de lippen van onze gezegende Heere, nadat Hij geleden en Zijn bloed gestort had, gestorven was, en de Kerk van God vrijgekocht had, en opgestaan was uit het graf; en Hij op het punt stond naar het Huis Zijns Vaders te gaan in heerlijkheid (het was de laatste opdracht die Hij op aarde gaf, en het was een gezegende opdracht) : “Gaat dan henen, onderwijst al de volken” – niet: al de zuigelingen – “dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes”. Hier is een duidelijke opdracht om allereerst heen te gaan, en al de volken te onderwijzen en te leren. Maar zuigelingen kunnen wij niet onderwijzen of leren. En dan: Dompel hen onder (zoals het woord “baptize” duidelijk betekent), in de Naam van de Heilige Drie-eenheid. Dit dan is het bevel.
  1. Ik verwijs u bijvoorbeeld naar de Heere Zelf, Die door Johannes in de Jordaan gedoopt werd (Matth.3:13-17); en naar het voorbeeld van de drieduizend, die verslagen werden in het hart onder de prediking van Petrus. Die dan het woord der genade gaarne aannamen, werden gedoopt en aan de Kerk toegevoegd. Er is een schoonheid in de volgorde: eerst dopen; daarna: toegevoegd worden aan de Kerk; dan: gemeenschap, en breking des broods, en gebeden (Hand.2:37-42). Wat kan eenvoudiger of duidelijker zijn dan Gods Woord? En toch, de mensen verdraaien het, louter om te beantwoorden aan eigen vleselijke bedoelingen en oogmerken!
  1. Let ook eens op de moorman, die zich gedrongen voelde om te gaan van het donkere Ethiopië naar Jeruzalem, en die de God van Israël daar gezocht had; en hij keerde nu terug naar huis, met nog steeds een besef van zijn zonde in zijn hart. Hij zat het 53e hoofdstuk van Jesaja te lezen, wat Gods Geest ongetwijfeld bestuurde. Dat bracht hem tot nadenken over de wonderlijke Persoon Die daar beschreven werd, en tot onderzoek van de gezegende teksten, opdat hij de weg der zaligheid zou mogen ontdekken. Maar tezelfder tijd gebood de Heilige Geest Filippus tot de wagen te naderen, en hij, de moorman in onwetendheid vindende aangaande de Persoon van Wie hij las, predikte hem terstond Jezus, want zijn hart brandde van het heerlijke nieuws van zaligheid voor arme zondaren. En kort daarna moet hij het onderwerp van de doop ter sprake hebben gebracht, want we horen hem dadelijk daarop uitroepen: “Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?” Toen antwoordde Filippus: “Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd”. Niet met een natuurlijk geloof, niet met verstandskennis of een louter belijdend geloof, maar een bevindelijk geloof, door de “werking van de Geest”, waarover in de tekst wordt gesproken, of zoals Paulus op een andere plaats zegt: “want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid”. En dan wordt er gezegd dat zij beiden afdaalden in het water, zo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.

Hier hebben we dan een uitdrukkelijk bevel, en drie treffende voorbeelden, van de zeer vele die opgesomd zouden kunnen worden, om de waarheid van de ordinantie te bewijzen.

Daarom, daarop lettend, zullen we trachten, geleid door het Woord van God, acht te slaan op zowel de wijze van toediening als de personen die het aangaat.

Welnu, wij verwerpen volstrekt het pauselijke dogma, dat al door vele geestelijken in de Staatskerk beleden wordt. Zij beweren dat men door de doop wedergeboren wordt. Wij geloven dat het een afschuwelijke leer is, en het werpt een verschrikkelijke smaad op het werk van God de Geest in de consciëntie. Bovendien, een feit wat we volledig toegeven, is, dat velen gedoopt zijn die helemaal niets van bevindelijke godsdienst afwisten.

Simon de tovenaar was ongetwijfeld één van deze figuren, evenals Ananias en Saffira. Deze personen werden gedoopt, met vele anderen die de kerk binnenslopen, die naderhand op verschrikkelijke wijze openbaar kwamen dat zij niet van “het huisgezin der ware gelovigen”, noch deelnemers aan de ”zalving van den Heilige” waren (1 Joh. 2:20).

Maar de geschikte personen voor de doop zijn, geloof ik, zij die geleid zijn door het onderwijs des Geestes, om iets te verstaan van de gezegende zaken, die daarin verborgen zijn. Ik denk niet dat het juist is, dat personen zich laten dopen, die onbekend en onwetend zijn wat betreft de geestelijke betekenis. Maar aan de andere kant ben ik het ook niet eens met hen die beweren dat een volledige verzekering van geloof en hoop een noodzakelijke maatstaf moet zijn om gedoopt te worden. Ik denk dat hierdoor de weg te smal gemaakt wordt, en de poort enger dan het Woord van God beschreven heeft.

Maar het kenmerk of de maatstaf die ik zou willen aanleggen, is deze: al degenen van wie wij reden hebben om te geloven dat ze verslagen zijn in het hart door overtuigingen van zonden, die de toevlucht tot Jezus genomen hebben, en die het Woord van Gods genade gaarne aannamen, zijn de geschikte personen om gedoopt te worden. Ik zou niemand tot deze ordinantie willen dwingen. Ik zou wensen dat hun ogen geopend mochten worden om het recht te zien. Maar het schijnt mij toe, dat velen ze sluiten, opdat zij niet zien. En vooroordeel, gewoonte, vrienden, en eigenbelang verblinden hen zo, dat ze geen verlangen hebben om de waardheid ervan voor zichzelf te onderzoeken of te zien.

  1. Maar de doop is een betekenisvolle ordinantie. We hebben hiervoor verklaard en bewezen dat we er de zaligheid niet van verwachten; maar daar het het gebod en het uitdrukkelijke bevel van Jezus is, is het juist en gepast dat al Zijn volgelingen zich laten dopen; te meer daar hierdoor bepaalde gezegende en ernstige waarheden worden voorgehouden.

Wat betekent dan de doop; wat stelt het voor, of wat predikt het?

  1. Het lijden, het sterven, de begrafenis, en de opstanding van de Heere Jezus Christus. En als we – in welke mate dan ook – bewerkt worden, om door het geloof zicht te mogen krijgen op deze gezegende verborgenheid, zullen we iets zien van de schoonheid van deze Goddelijke ordinantie. Jezus zei: “Ik moet met een doop gedoopt worden”; ondergedompeld of ingedompeld worden. Maar wat bedoelde Hij met deze doop? Hij was door Johannes gedoopt in de Jordaan; Hij bedoelde derhalve niet de doop in het water, maar de betekenende zaak ervan: het ernstige en het overstelpende lijden van Zijn heilige ziel! Wie kan het dan verdragen om te zien hoe de verbazingwekkende zielsangsten en smarten van de God-Mens gehoond worden door de besprenging van zuigelingen? Wie onder ulieden durft dit te doen? Waar is de persoon, die naar voren komt en zegt dat de Zoon van God met de dood werd besprengd? Werd Hij niet ingedompeld, begraven, ondergedompeld en overstelpt met lijden? Heeft Hij niet “Zijn ziel uitgestort in den dood”? Rolden niet de golven en baren van Goddelijke wraak over Zijn heilige ziel? Het behaagde God, in Zijn oneindige wijsheid, wonderbaarlijke liefde en barmhartigheid jegens de Kerk, alle zonden van de uitverkorenen over te dragen op Christus. Al hun schuld en ongerechtigheid werden op Hem gelegd: “Hij heeft hun zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout”; “Hij is om hun overtredingen verwond, om hun ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die hun den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is hun genezing geworden”.

En toen in de “volheid des tijds” Jezus verscheen “geworden uit een vrouw, geworden onder de wet”, “een vloek geworden zijnde” voor Zijn Kerk, nam Hij al de zonde en schuld op Zich, en gaf volkomen genoegdoening aan de wet, en de gerechtigheid voor die overtredingen. En ziende op het overweldigende van die doop, zei Hij: “Hoe word Ik geperst, totdat het volbracht zij!” En Hij gevoelde de toorn van God, en “de angsten der hel hadden Hem getroffen”. Hoor Zijn woorden, weergegeven door Heman: “Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren”. En David zegt in Psalm 55:6: “Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij”; en in Psalm 42:8: “Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan”. En dit alles niet voor Zijn éigen zonden, maar voor de zonden die Hem werden toegeschreven. Hij erkent de schuld en de zonde van Zijn Kerk, op dezelfde wijze als een man de schulden van zijn vrouw erkent. De druk van de schuldenlast, welke op Hem gelegd werd, en de verschrikking waarmee dit gepaard ging, was als een persoon, die gedoopt werd in het water; het dompelde Hem onder in lijden en smart, het verbazingwekkende gewicht overstelpte Hem in zielsangst en droefheid.

Wat het ontzaglijke lijden van de Zoon van God was, gaat alle begrip te boven! Zelfs degenen, die de meeste schuld gevoeld hebben, zijn niet in staat hier volledig in te komen. U, die een tedere consciëntie hebt, en weet wat u hebt gevoeld, wanneer u zonde hebt begaan, of wanneer de lage werkingen van uw hart, met onreine en goddeloze gedachten, door uw gemoed jagen, weet wat een zuchten en kermen het bij u veroorzaakt heeft, en hoe u schaamte en droefheid voor God daarover gevoeld hebt, bijna zo, alsof uw hart zou breken, u kunt zich een flauw begrip vormen van de gruwel der zonden! Maar als u dit alles hebt gevoeld voor één of énkele zonden, wat zou dan wel uw lijden zijn, als alle zonden, of de zonden van de gánse Kerk van God op u gelegd werden? Zou u niet zinken in de diepte van de wanhoop, en in één moment verzwolgen worden? Wat moet dan de ziel van de Zoon van God hebben gevoeld, die geheel rein en onbevlekt heilig was, in de volheid van Zijn Goddelijke glorie en glans? Om dan niet één zonde te hebben, geen twee, of tien, maar de zonden van iedereen, van ieder afzonderlijk lid van de Kerk van God, door alle eeuwen en landen, tot het laatste vat der barmhartigheid, gelegd op de heilige ziel van de God-Mens. Wat een zielsangst moet Hij hebben verdragen van deze onvoorstelbare last van zonde en schuld, terwijl de golven van Gods toorn op Hem uitgestort werden en de pijnen der hel Hem aangrepen? Denkt u dan niet, dat de ziel van de Verlosser plechtig gedoopt of ondergedompeld was in lijden, toen Hij zei: “De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over Mij heengegaan”; en dat er een verschrikkelijke strijd en een geraas van oorlog was in Zijn heilige ziel, gelijk er staat geschreven: “Toen de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de klederen in het bloed gewenteld en verbrand werden tot een voedsel des vuurs”? (Jes. 9:4) Heeft U enig bevindelijk medegevoel met Jezus in de hof van Gethsémané? Kunt u iets zien en gevoelen van die buitengewoon grote verborgenheid van de doop in welke de Heere geperst werd totdat het volbracht was? Maar bracht Hij het tot stand? Ja, zeker. Hij hing aan het kruis met deze ondraaglijke last van de toorn van God die op Hem rustte, en “Hij stortte Zijn ziel uit in den dood”, de zonde te niet doende door “Zijns Zelfs offerande”. Ik geloof niet dat Jezus alleen stierf door de speer, de nagels of de doornenkroon; deze zouden Zijn dood verhaast kunnen hebben, maar de alles te bovengaande oorzaak was: een gebroken hart, gelijk gezegd wordt: “De versmaadheid heeft mijn hart gebroken”. De schuld van de Kerk, de toorn van God, en de pijnen der hel, die op Hem neerkwamen, veroorzaakten dat Hij stierf aan een gebroken hart. Was dit dan geen doop? Werd Hij hier niet ingedompeld, gedoopt, en ondergedompeld in lijden, voor de zonde en de schuld?

Maar hoe werd Hij geperst totdat het volbracht was! Hij werd geperst in het vooruitzicht ervan; zozeer, dat Hij uitriep: “Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan”. En daarop, in zielestrijd zijnde en in haast, riep Hij uit: “Staat op, laat ons gaan”; alsof Hij voorwaarts wilde snellen om het lijden tegemoet te treden, opdat het des te spoediger voorbij zou zijn. En dat niet uit vrees voor louter een natuurlijke dood, maar vanwege de last van zielesmart, die Hem neerdrukte, en vanwege de verbergingen van Zijns Vaders aangezicht, terwijl de eisen van de wet en de gerechtigheid werden afgevorderd.

Zelfs toen Hij de drinkbeker slechts geproefd had, in de smarten die Hem deden verzinken in de hof van Gethsémané, hetgeen slechts een voorsmaak was, zweette Hij grote droppelen bloeds; maar toen Hij tot het lijden aan het kruis kwam, dronk Hij de drinkbeker van toorn tot op de bodem leeg, opdat van het droesem niets meer op hen valt, die in Zijn Naam geloven, en die de onpeilbare diepten van smart kunnen bevatten, waarin Hij toen werd gedoopt! Aangezien dan de doop het glorierijke werk en het lijden van de God-Mens aanduidt, wie kan het licht achten of verachten?

  1. De doop betekent de wedergeboorte en opstanding uit de dood in zonden, tot geestelijk leven. Alle mensen zijn van nature dood in zonden, vervreemd van God door de hardheid, blindheid en onwetendheid van hun harten, en ontbloot van zowel de kennis Gods als de kennis van zichzelf, van de morgen tot de avond ronddolend op een dwaalspoor in gedachten, woorden en werken.

Maar al het vrijgekochte zaad van Israël, gekocht door het dierbare bloed van de Verlosser, is verzekerd geroepen te worden door de genade van God, in de volheid des tijds. Er is “een bestemde tijd om Sion genadig te zijn”, en wanneer die tijd komt, deelt de Geest Goddelijk leven mee, maakt de ziel levend, en brengt licht in de ziel; zoals geschreven staat: “En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden”, en in Kol 2:13: “En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende, uitgewist hebbende het handschrift dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende”. Wanneer de Geest des Heeren een dode zondaar levendmaakt, wekt Hij hem op uit een dood in de zonden, tot geestelijk leven. Welnu, de doop predikt deze opwekking in nieuwigheid des levens, en in het voortbrengen van vrucht in “nieuwigheid des Geestes, en niet in de oudheid der letter”. Hij sterft aan de regerende en heersende kracht der zonde, om daarin niet langer te leven, zoals er geschreven staat: “Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade”. Welnu, hoe zedelijk ook een mens eertijds mag hebben geleefd, hoe uitwendig oprecht, ingetogen in zijn gesprekken, of matig in zijn gewoonten, wanneer het hart veranderd wordt door Goddelijke genade, ziet hij veel huichelarij, bedrog, ijdelheid en wereldsgezindheid, waarvan hij zich moet afkeren. Hij is zich er nu van bewust, dat een dwaze of onreine gedachte een afschuwelijke zonde is.

Hij komt in de praktijk tot op zekere hoogte deze zaken te boven, maar door de wil en begeerte van zijn hart in het bijzonder, en als dit dus gebeurt, zal zijn leven er zichtbare merktekenen van dragen dat hij een deelgenoot der genade is. Maar wanneer de Geest voor het eerst de ziel levendmaakt en opwekt tot Goddelijk leven, is de ziel er zich zelden of nooit van bewust, of weet dat ze levendgemaakt wordt, noch kan een ander waarnemen hoe dat tot stand kwam. Het beginnende werk van Gods Geest kan niet verstaan worden, omdat God een Geest is, eeuwiglijk en onzienlijk, niet stoffelijk; Hij werkt ook niet gelijk een mens die met stoffelijke en natuurlijke handen werkt. Vandaar dat Jezus zegt: “De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt en waar hij heengaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is”. Misschien hoort u het geluid van de blazende wind, maar u kunt hem niet zien met uw ogen, noch vertellen hoe hij komt; u kunt hem slechts aan de uitwerkingen kennen. En zo, wanneer de Heilige Geest de consciëntie van een zondaar levendmaakt, kunnen wij de manier van Gods handelen en werken niet zien of vertellen, maar Hij werkt wel zeker, en dat zaligmakend en doeltreffend op de bepaalde tijd. Wij kunnen de Goddelijke werkingen slechts ontdekken door de uitwerkingen die plaatsvinden, op dezelfde manier als we de wind ontdekken door datgene wat erop volgt. Maar wat hoort de arme zondaar, wanneer de wind des Geestes in zijn consciëntie blaast? Hij hoort dat het geluid van Sinaï’s trompet hem steeds luider tegenklinkt, hem sprekend van een heilig God, een geestelijk Wezen, Die zich niet gelegen laat liggen aan en bespotten door vleselijke godsdienst en natuurlijke gebeden, Die geen natuurlijk geloof, natuurlijke werken, eigengerechtigheid en vroomheid van het schepsel zal aannemen. God zal niets aannemen dan wat even rein is als Hij, en wat even heilig en Goddelijk is als Hijzelf. De zondaar hoort ook de echo van schuld en zonde in Zijn consciëntie, dat hem zegt, dat hij een zondig mens, een goddeloos schepsel, een vuile, onreine en melaatse zondaar is; en dat er tussen hem en God een ontzaglijk onderscheid en een grote kloof is. En dan vraagt hij zich af, hoe hij met God verzoend kan worden, en hoe zijn hart en natuur gereinigd en geschikt gemaakt kunnen worden voor de hemel. Dit zijn enige gevoelens van een wedergeboren zondaar, wanneer hij levendgemaakt wordt tot geestelijk leven. Hij ondervindt dat er een groot verschil is tussen een dode en een levende godsdienst. Het eerste vindt behagen in uitwendige en menselijke daden; maar een levende ziel gevoelt zonde, schuld, onrust, zwakheid en hulpeloosheid, en een ernstige overtuiging van de aard van de geestelijke godsdienst, het geestelijk gebed, de geestelijke vreugde en de geestelijke oefeningen. Hij gevoelt de ernstige waarheid van deze dingen; hun volstrekte noodzakelijkheid, en de volslagen onmogelijkheid om deze dingen in eigen kracht te doen ontstaan of te vervullen. En wanneer de ziel daar wordt gebracht, waggelt hij heen en weer als een dronken man, en vraagt zich af hoe deze dingen verkregen moeten worden, en dan besluit hij om te proberen te geloven. Maar na al zijn worstelingen komt hij aan een eind, en dan ondervindt hij dat het even ellendig en hopeloos is als tevoren, en dan zegt de ziel: “Dit kan het ware geloof niet zijn, want het brengt geen vergeving en vrede in mijn hart.” Zodat hier de arme zondaar de waarheid leert verstaan van zijn volkomen hulpeloosheid en de wezenlijkheid van de geestelijke godsdienst. Aldus wekt de Geest hem op van dood tot leven; geeft hem Goddelijke gevoelens en gewaarwordingen, en hij ontvangt geestelijk verlichte ogen om de dingen in die mate te zien zoals zij werkelijk zijn.

  1. De doop predikt ook, dat Gods volk begraven is in de zonde van hun eigen gevoelens, en dat zij alle hoop op de hemel door hun eigen daden moeten opgeven en dat zij opgewekt worden door de machtige werking Gods, tot vrede, vergeving en verlossing.

Nadat een ziel aldus overtuigd is van zonde, en opgewekt tot wedergeboorte staat hij niet op in zijn eigen gevoelens of bevattingen. Hij begint te sterven zodra hij begint te leven. De wet doodt hem, en hij sterft tot er geen hulp in hem overgebleven is en geen hoop op de hemel door zijn eigengerechtigheid. Wanneer een mens gestorven is, zijn we blij hem te kunnen begraven, maar voor hij sterft, is hij ziek zoals Lazarus. Maar toch zal de tijd komen dat de inwoners van dat land niet meer zullen zeggen: “Ik ben ziek”, omdat hun ongerechtigheden vergeven zijn. Wanneer de schuld op de consciëntie wordt gelegd, maakt het de mens ziek, en hij sterft eraan. En hij sterft aan alle hoop om Gode welbehaaglijk te zijn, en hij wordt begraven, rondom omwonden met grafdoeken, en hij is zo blind dat hij niet kan zien dat zijn naam geschreven staat in het Boek des levens des Lams, en de steen van ongeloof wordt gelegd op de mond van het graf. Aldus wordt hij begraven in de doop, in het graf van zijn eigen gevoelens van zonde en hulpeloosheid, en daar moet hij verblijven, totdat de stem van de Zoon van God in zijn hart komt met glorierijke kacht, en hem uit de dood opwekt. Maar hoe gebeurt dit? De gezegende Geest komt en maakt de waarheid aan zijn ziel bekend. Hij spreekt met zúlk een gezegende kracht, en zó aangenaam en doeltreffend, dat het Woord van God toegang krijgt tot het hart en de consciëntie, en dat het geloof in de Zoon van God opgewekt wordt, zodat hij uit zijn graf komt, en opstaat uit de dood, en Jezus zegt tot hem, zoals Hij tot Lazarus zei: “Kom uit”; en hij, die dood geweest was, staat op, zoals de tekst vermeldt: “door het geloof der werking Gods”. Aangezien dan de doop zulk een heerlijke betekenis heeft als dit, zullen wij deze gezegende ordinantie verachten en in de wind slaan? Neen, dat kunnen wij niet.

  1. De doop predikt de dood en de opstanding van het natuurlijke lichaam der gelovigen. Zoals in de doop het lichaam begraven wordt in het water, en er weer uit op komt, zo moet het lichaam van de gelovige neerdalen in het graf, en veilig sluimeren tot de tweede komst van de Heere van leven en heerlijkheid. En dan, zoals de gezegende Geest het lichaam van Jezus opwekte, zo zal Hij met Zijn glorierijke kracht ook onze lichamen doen opstaan en tot Hem wederbrengen.

De lichamen van de gelovigen zijn de tempels van de Heilige Geest; en Jezus heeft zowel het lichaam als de ziel verlost. Soms schreeuwen we het uit tegen onze verachtelijke lichamen, maar het is het “lichaam der zonde” ìn het lichaam, dat het lichaam verachtelijk maakt. En daarom, opdat het lichaam gereinigd kan worden van de wortel zelf en het bestaan der zonde, moet het in het graf gelegd worden, en de ziel moet het lichaam voor een tijd verlaten, maar het lichaam zal wederom opgewekt worden in een verheerlijkte staat, zoals het lichaam des Heeren, gelijk gechreven staat: “Hij Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen” (Fil.3:21); zie ook 1 Thess.4:14-17 en 1 Kor.15.

Ik heb aldus in het kort enkele van de voornaamste zaken nagegaan, waarvan ik geloof dat de doop die betekent. En nu rijst de vraag: Zijn wij deelnemers van de verborgenheid die de doop voorstelt? Als wij geen deelnemers van de praktijk van de doop der gelovigen zijn, zijn we dan Goddelijk onderwezen in de waarheden die de doop predikt? Ik heb de doop lief, omdat het de waarheid van God is; maar ik wil niet zeggen dat ik iemand een christen noem, enkel omdat hij een baptist is. Wat ik wil zien is dat de verborgenheid die de doop voorstelt, in het hart van de zondaar geopenbaart wordt. Heeft de gezegende Geest u ooit opgewekt uit de dood der zonde? Heeft Hij u levendgemaakt? Heeft Hij u overgezet uit het koninkrijk der duisternis in het Koninkrijk van Zijn geliefde Zoon? Bent u geroepen tot een levende hoop om naar de hemel te gaan? Bent u opgewekt door Goddelijke kracht tot een zoet geloof in de Heere Jezus Christus? Heeft God u enige hoop en vertrouwen in Hem gegeven? Hebt u enige zoete vernieuwingen van Zijn genade in uw ziel gekregen? Heeft de gezegende Geest in uw hart geschenen, en u het licht te zien gegeven van de heerlijkheid van God in de Persoon van Jezus? Hebt u Zijn weergaloze liefde aanschouwd in de tederheid en het medelijden van de dierbare Verlosser? Hebt u op uw knieën met hart en ziel aan Zijn gezegende voeten gebogen? Hebt u Hem ooit méér aangehangen dan uw vrouw en kinderen, of dan iets anders wat u dierbaar kan zijn in de wereld? Als dat zo is, dan bent u in de heilige verborgenheid van de doop binnengetreden, en het bewijst dat u er bevindelijk deelgenootschap aan hebt.

III. Maar de tekst voegt eraan toe: “In welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods”, zodat al degenen die met Hem begraven zijn, ook met Hem opgewekt zullen worden. God doodt en Hij maakt levend. “Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt; om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks” (Ps.113:7-8).

Wat betekent het dan “opgewekt te zijn met Christus door het geloof der werking Gods”? Het is een zeer bijzondere en veelomvattende uitdrukking. Hoe snijdt het alle menselijke godsdienst met één klap af! Zoals de tak van een boom met één slag afgekapt wordt, zo wordt hier het natuurlijk geloof afgesneden. “Opgewekt met Christus”, door het geloof en door de machtige werking Gods; niet door des mensen wijsheid, noch door louter menselijke kennis van het hoofd, maar door de “werking Gods”. Werken betekent: handelen, werken aan, zoals wij zeggen: de arbeiders of vaklieden, die met hun handen werken, en door dat werk bepaalde dingen vormen en produceren. Zo daalt Gods Geest onderscheidenlijk in het hart neer, en kneedt en vormt het even doeltreffend en zeker naar het welbehagen van Zijn wil, als de menselijke hand te werk gaat en het tot een produkt maakt dat hij wenst. Gods volk is het leem, en God is de Pottenbakker; Hij legt de klomp op de schijf, kneedt, bewerkt en vormt het zoals het Hem behaagt.

In Kol. 3:1-4 geeft Paulus een schone beschrijving van de gevolgen van het opgewekt zijn met Christus, als gevolg van verbondsvereniging met Hem.

Welnu, dezelfde werking die het lichaam van Christus uit de dood opgewekt heeft, is nodig om het werk des geloofs in het hart op te wekken. “Wat!”, zegt u, “de ziel van een mens is werkelijk toch niet zo dood!” Indien Gods Woord waar is, meen ik dat we dat zullen ondervinden; het moet de machtige werking van God alleen zijn om een ziel die dood is in misdaden en zonden, levend te maken. De mensen slapen niet alleen, en hebben slechts een aanraking nodig om hen wakker te maken, maar zij zijn dood in de zonde, vreemdelingen van God, blind, duister en vervreemd van Hem, en dit is de staat van het hart van ieder mens van nature.

Maar Hij “heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus”. Hoe wordt dit tot stand gebracht? Als de gezegende Geest de harten opwekt van degenen die in Christus geloven, zet Hij hun genegenheden op de dingen die boven zijn en op Jezus, Die aan de rechterhand van God zit. Wanneer Hij de liefde en het bloed en het leven, de dood en de opstanding van de dierbare Verlosser, met Zijn priesterlijke bemiddeling en voorspraak toont, wanneer Hij in het hart schijnt, en Zich aldus dierbaar en zoet maakt, worden we ertoe gebracht deze gezegende Middelaar te aanbidden en te verheerlijken, en Hem te zien als onze Tussenkomst en “Voorspraak bij den Vader”, en als “de Verzoening voor onze zonden”.

Maar sommigen verstaan zulk een ondervinding niet, terwijl anderen ermee instemmen, die deze ondervinding nooit hadden. Ik durf niet te zeggen, dat al degenen die hier niet in kunnen komen geen christenen zijn, want ik geloof dat er velen van Gods uitverkorenen zijn, die hier niet snel gebracht worden in hun gevoelens. Maar dit is de zaak: Een levende ziel wil het bij het rechte eind hebben, en zal niet ten volle tevreden zijn, totdat de Geest hem geloof en hoop in Jezus schenkt, om hem in staat te stellen tot die gezegende maatstaf te komen, namelijk te gevoelen dat zijn hart recht is voor God, en te weten dat hij verlost is in Hem met een eeuwige verlossing, dat de Heere Jezus hem “geworden is wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing”; “dat in Hem al de volheid woont”, en dat alle wijsheid in Hem als schat bewaard wordt om in al de behoeften van zijn ziel te voorzien. En alzo zal hij zien dat iedere daad van geloof en hoop, met al zijn vertroosting, vreugde en blijdschap, alleen tot stand komt door de heerlijke God-Mens, zoals het opgetekend is: “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen” (Ef.2:8-10).

Genade dan, is de bron waaruit de zaligheid voortvloeit. En daar het verlossing uit een staat van dood in zonden, verlossing van twijfels en vrezen, verlossing van schuld en hulpeloosheid betreft, is dit alles “door het geloof der werking Gods”. Het is geen geloof in onze eigen kracht, maar het is Gods gave, en gewerkt in het hart door dezelfde sterke macht, die Jezus Zelf uit de dood opgewekt heeft. En lees als bewijs hiervan het eerste hoofdstuk van Efeze, vers 19 en 20, waar de apostel bidt dat de gelovigen mogen leren kennen welke “de uitnemende grootheid Zijner kracht is aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, en Hem heeft gezet tot Zijn rechterhand in den hemel”.

Zodat blijkt, dat het dezelfde sterke macht vereiste, welke Jezus uit de doden heeft opgewekt, om een ziel uit zonde en hulpeloosheid op te wekken en te brengen tot het “medegezet zijn in Christus”, aan de rechterhand van God in “den hemel”. Hier zien we dan dat het geloof waarover in de tekst gesproken wordt, bestaat door de machtige “werking Gods”. Wanneer Gods Geest geloof schenkt, werkt Hij krachtdadig, op doeltreffende wijze, en waarneembaar, ofschoon de gevolgen niet altijd zo zoet en aangenaam zijn. Was er niet een tijd, toen sommigen van u niet de geestelijkheid van Gods wet zagen en gevoelden, zoals u het sindsdien hebt gekend? Was er niet een tijd, dat u in de duisternis was, en u de verandering niet gevoelde, die nu plaatsgevonden heeft? Kunt u voortgaan in de zonde, en in alleen maar een belijdenis van godsdienst zoals u eens placht te doen? Vanwaar komt deze gehele verandering, anders dan van de krachtige God, die in uw ziel een gevoel van uw zonde en zondig-zijn werkt. Zodat, nadat de zondaar levendgemaakt is en het Woord van God met kracht in zijn hart binnengekomen is, het hem afsnijdt en verscheurt in zijn gevoelens. En waarom gebeurt dit? Omdat hij de kracht der waarheid, de sterkte van het licht, en de wezenlijkheid van de geestelijke godsdienst gevoelt. Hij gevoelt dat er een God is en dat Hij de Persoon is tegen Wie hij spreekt en zijn pijlen richt. Er is een kracht die daarmee gepaard gaat, en er vloeien overeenkomstige gevolgen en gevoelens uit voort.

Ik kan me de tijd goed herinneren, dat ik misschien alleen maar de betekenis van de woorden in de Bijbel net zo goed kende als nu, maar als ik dat Boek las, was het zo moeilijk als een dode taal voor me. Ik kon nauwelijks de strekking of betekenis van tien woorden begrijpen. Ik herinner me goed, dat ik neerzat en zei: “Er zijn zo vele soorten geloof en godsdienst in de wereld, dat ze stellig niet allemaal waar kunnen zijn.” Welnu, hoewel Schotland een religieus land is, kreeg ik toch geen godsdienstige opvoeding. Ik herinner me de tijd dat ik vaak een stal inkroop, of een hooizolder opging om te bidden en ik bang was dat de hemel of de sterren op me zouden vallen en me zouden doden en ik verloren zou zijn. Toch was dit alles geloof ik, allemaal het natuurlijk geweten, en niet de genadige overtuiging van de Geest. Ik voelde dat de godsdienst een geheim bevatte, en dat er iets aan ten grondslag lag, waarvan ik niet afwist, en met al deze natuurlijke godsdienst miste ik dat het Woord van God krachtig mijn consciëntie trof. Maar ik piekerde droevig over het onderscheid tussen belijders van de godsdienst, en ik nam me voor de Bijbel door te lezen en de verschillende passages op papier te zetten die de verschillende soorten geloof schenen te staven. Dat wat het grootste aantal had, en het dichtst bij de waarheid zou blijken te zijn, was de belijdenis die ik trouw zou blijven. Maar voor ik begon, dacht ik: Ik zal eerst de Brief aan de Hebreeën doorlezen. Maar toen ik het Boek oppakte, en het las, was ik zo onwetend, duister en blind, dat ik niet één zin kon verstaan en mijn opstandige hart stond tegen Paulus op, omdat hij het niet eenvoudiger geschreven had, en tegen God, omdat Hij het niet zodanig had laten opstellen dat het gemakkelijker te begrijpen was. Ik was even onwetend en dom als een beest van het veld. En toen God de geestelijkheid van Zijn heilige natuur in de wet op mijn gemoed drukte, ondervond ik dat bij het lezen van mijn Bijbel, ik steeds diepere overtuigingen gevoelde, in plaats van dat het me vrede en geluk bracht. Maar toen het de Geest des Heeren behaagde in mijn ziel een zoet en gezegend geloof op te wekken in de Persoon, het werk, en het plaatsvervangend lijden van de Heere Jezus Christus, gaf Hij mij genade om het te omhelzen. Terwijl ik deze mate van liefde en vrede ondervond, werd ik ertoe gebracht de openbaring van deze gelukzaligheid te bewonderen en te aanbidden, en in de verheuging ervan kon ik alle dingen geloven en op alle dingen betreffende de waarheid hopen. Maar vóór deze gevoelens genoten worden, zal de ziel ernaar verlangen, begeren, hongeren en dorsten. En als het genot daarvan lang uitgesteld wordt, en de begeerte lijkt niet te worden geschonken, dan zal de ziel in wanhopige gevoelens zinken en heen en weer waggelen als een dronken man. Zijn handen zullen neerhangen, en hoewel het Woord van God misschien gelezen wordt, zal de ziel niet meer kracht hebben om het te geloven dan een arme, hulpeloze baby heeft, om op te staan en te lopen. En als wie dan ook tot zulk een persoon zegt te geloven, is dat slechts te vergelijken met het wrijven of anderszins het irriteren van een pijnlijke wond. De geschiktste manier om zo iemand troost te verschaffen is: hem te vertellen dat hij niets kan doen, of hem die Schriftgedeelten aan te wijzen die de ellende die hij gevoelt, uitdrukken, en te vertellen van de heiligen van oude tijden, die het pad vóór hem bewandeld hebben. Maar toch, misschien lijkt genade uit te blijven, en geen antwoord van vrede lijkt te worden ontvangen, en dan verzinkt hij in ontroerde, bange, koortsachtige en gemelijke gevoelens. En terwijl hij bidt om enige hoop, vertroosting, en licht, zegt hij: “Ik zal blijven wachten op de Heere, want de verlossing die ik zoek, kan nog komen.” Maar ach, misschien gaat een andere wolk over zijn hoofd en een ander Schriftgedeelte treft hem als zijnde tegen hem, zodat hij weer in grotere moedeloosheid zinkt, en zijn ziel zinkt in één moment vademen diep. Maar wat zal hij dàn verlangen en bidden of de Geest hem in staat wil stellen om te geloven. En na een tijd, wanneer God het geschikt acht, zal Hij komen en zijn ziel dompelen in Zijn eeuwigdurende liefde, doopt haar in de barmhartigheid, de liefde, en het dierbare bloed van Jezus, wekt hem op tot “nieuwigheid des levens”; en tot verheuging van de waarheid. En dan zal hij het zoet vinden te geloven in en gevoed te worden door het geloof in het Lam Gods.

Welnu, zo iemand die iets van “de werking Gods” in zijn hart gevoelt, is een geschikt persoon om af te dalen in het water en gedoopt te worden, want wat verhindert hem?

Amen.