Wet en Voorschriften

Strict Baptists hanteren de Voorschriften als regel des levens, d.w.z., gestorven aan de wet – de verdoemende kracht heeft de wet verloren maar de veroordelende kracht is er nog wel -, vrijheid in het Evangelie en leven naar de voorschriften van de Evangeliebrieven. Op deze pagina leest u wat bekende Strict Baptists erover schreven of preekten.


J.C. Philpot beantwoord in 1866 een vraag in de Gospel Standard die handelt over de wet en citeert ook W. Huntington
Overgenomen uit ‘Afscheiding en Raadgevingen’

 Augustus 1866

105. Kan iemand voor de tweede keer onder de wet komen?

Geachte uitgever, zou u zo vriendelijk willen zijn de volgende vraag te beantwoorden: Kan iemand voor een tweede keer onder de wet gebracht worden, nadat hij daar bevindelijk van is verlost en hem de gezegende ervaring is geschonken waarover de apostel Paulus spreekt in hoofdstuk 8 van de Romeinenbrief ? ‘Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest. Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods’ (Rom. 8:1,2). Mijn vraag is dus of iemand voor de tweede keer onder de wet kan geraken, zoals hij daaronder verkeerde voordat hij zo verlost werd. Er staat toch geschreven: ‘Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn’ (Joh. 8:36)?
Hoogachtend, een verachte Nazaréner.

Antwoord

Beslist niet. We geloven niet dat een ziel opnieuw onder de wet kan komen en weer als voorheen onder de vloek kan verkeren, nadat ze in het licht, het leven en de vrijheid van het Evangelie is gesteld. Dit wordt ook niet bedoeld door bevindelijke predikanten en schrijvers die stellen dat een ziel die eenmaal bevrijd is, voor een tweede keer onder de wet kan komen. Ze bedoelen niet dat het net zo wordt als het vroeger was, zodat we voor een tweede keer onder de vloek van de wet komen en al het werk van de Heilige Geest in de verlossing teniet wordt gedaan.

Door de kracht van de verzoeking, de aanslagen van de satan, het gewicht van nieuwe schuld, de verberging van het aangezicht van de Heere, de verschrikkelijke verdorvenheid van het hart waaraan we ontdekt worden, kunnen we weer in zware dienstbaarheid terechtkomen. Dit wordt, terecht of ten onrechte, aangeduid als voor de tweede keer onder de wet komen. Waarom? Het Evangelie brengt beslist geen dienstbaarheid, schuld of veroordeling. Evenmin werkt de Geest der vrijheid dienstbaarheid, schuld of vrees. Maar wie kan ontkennen dat de ziel na de verlossing in grote duisternis kan komen en dat we door een onvoorzichtige wandel een zware schuld op onze consciëntie kunnen laden, die met harde en zware dienstbaarheid gepaard gaat? We weten dat dit niet de vrucht van het Evangelie is. Maar waarvan dan wel? Hebben deze goede mensen ongelijk als ze dit toeschrijven aan de wet, omdat deze – en dat kan ook niet anders – dienstbaarheid en dood werkt? Is er nooit een wettische geest werkzaam? Wordt het gemoed nooit door twijfel en vrees bezet? Wordt het hart nooit opnieuw door het oude deksel bedekt?

Dit alles betekent echter niet dat zij die zo geoefend worden, weer in dezelfde staat komen als vóór hun verlossing, dat het hele werk van de Geest tenietgedaan is, dat ze niet langer gewassen, gerechtvaardigd en geheiligd zijn in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest van hun God, dat ze liggen onder de vloek en het oordeel van de rechtvaardige wet van God en weer in een onverzoende staat leven. Als we echter in geen enkele zin van het woord opnieuw onder de wet kunnen komen, waarom waarschuwt Paulus de Galaten dan dat ze niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen moeten worden (Gal. 5:1)? Waarom zou hij het woord ‘wederom’ gebruiken, als ze niet opnieuw onder dat juk konden komen? Dat ze de vrijheid hadden gekend, blijkt duidelijk uit de woorden: ‘Staat dan in de vrijheid’, want hoe kan iemand vaststaan in iets wat hij niet verkregen heeft? Ze keerden zich echter ‘wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke ze wederom van voren aan wilden dienen’. Zo werden ze opnieuw met een wettisch juk bevangen. Joseph Hart lijkt dezelfde mening te zijn toegedaan:

‘Neemt u, hemelse Duif,
Uw invloed weg,
Weldra vallen we ten prooi
Aan consciëntie, toorn en wet.’

We kennen niemand die zo over dit onderwerp geschreven heeft als Huntington in zijn prachtige preek ‘Het kind der vrijheid in wettische dienstbaarheid’, waarin hij zeer duidelijk aantoont dat een kind van God voor de tweede keer onder de wet kan komen. Daarom voelden we ons geneigd om een stuk uit het besluit van dat onweerlegbare werk in te lassen.

‘Maar er wordt tegen ons gezegd dat wanneer een gelovige opnieuw verstrikt kon worden door de zedelijke wet, dit onverenigbaar is met de afschaffing daarvan. Zo ja, dan is deze onverenigbaarheid ook in het Woord van God te vinden; en laten zij die wijs zijn boven hetgeen geschreven is, dit weerleggen of de blaam daar neerleggen. De Schriften getuigen dat de wet is afgeschaft en teniet gedaan in Christus. Het is eveneens Schriftuurlijk dat de Galaten die niet in hun vrijheid stonden, maar gezuurd waren door wettisch zuurdeeg, wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen werden. Deze onverenigbaarheid is dus gefundeerd op de letterlijke Schriftuurtekst. Als er echter niet zoiets zou zijn als een juk der dienstbaarheid om een gelovige opnieuw te verstrikken, dan liepen de apostelen geen gevaar van deze valse broeders en de Galaten evenmin.

Maar deze onverenigbaarheid is niet alleen te vinden in de Bijbel, maar ook in de bevinding van Gods kinderen. Luther heeft er genoeg van ondervonden, wat blijkt in zijn commentaar op Galaten. Ook ik heb er zoveel van gevoeld sinds ik Jezus mijn Heere en mijn God kon noemen, dat ik in Gods tegenwoordigheid verklaar dat ik er voor geen duizend werelden opnieuw doorheen zou willen. Maar het was Gods wil dat ik de wet van het Evangelie zou kunnen onderscheiden, niet alleen in mijn hoofd door de Schriften, maar in mijn hart door hun verschillende werkingen. En ik betwijfel zeer of er in deze natie één kind van God is van twintig jaar oud in de genade, die dit juk niet gevoeld heeft of niet op sommige tijden min of meer beïnvloed werd door een geest van dienstbaarheid.’


 

J.C. Philpot heeft een verhandeling geschreven die is uitgegeven in het boek: De geïnspireerde regel des levens, het Evangelievoorschrift. Klik hier voor de inhoud van dit boek.


 

J.C. Philpot heeft ook een verhandeling over de wet geschreven in briefvorm: Gestorven aan de wet
overgenomen uit ‘Nagelaten Brokken deel 8’

Inleiding

We hebben al vaak gedacht dat veel ware heiligen van God slechts een gebrekkige kennis hebben van de Schriftuurlijke gronden van hun eigen geloof. Daarom hebben ze maar een vaag en onvoldoende zicht op de sterke fundamenten waarop ‘de waarheid, gelijk die in Jezus is’, in Gods Woord gevestigd is. De waarheid zelf, of ten minste de hoofdstukken daarvan, hebben ze geleerd door het allerbeste onderwijs van de allerbeste Onderwijzer. De waarheid heeft hen gered, verlost en geheiligd; en zij hebben haar kracht, haar smaak, haar zoetheid en haar zegenrijkheid geproefd. Maar ondanks al deze genieting van de waarheid in haar bevindelijke kracht, is het zo dat als hun eens gevraagd werd om een heldere of nauwkeurige uiteenzetting te geven van de gronden van hun geloof, als gebouwd op Gods Woord, ze daar nauwelijks toe in staat zouden zijn. In elk geval zouden ze niet zo’n volledige en uitgebreide uiteenzetting kunnen geven als waartoe de Schrift hen zou machtigen. Als echter iemand anders, bijvoorbeeld een predikant van de preekstoel of iemand met een goede pen, eenvoudig en helder deze Schriftuurlijke gronden hun zou schetsen, dan zouden ze hem tot het eind toe stap voor stap kunnen volgen. Ze zouden daardoor geen nieuwe waarheid leren, maar ze zouden zodoende wel meer ten volle bevestigd worden in hun geloof en bevinding, omdat ze geheel konden instemmen met wat naar voren werd gebracht.

Daarnaast worden onze opvattingen over de waarheid van God voortdurend in twijfel getrokken door tegenstanders. We zijn aan alle kanten omgeven door veel dwalingen en ketterijen. Vaak worden onze opvattingen en standpunten niet alleen geheel verkeerd begrepen, maar ook helemaal verkeerd voorgesteld. Krachtige en subtiele argumenten worden door tegenstanders ingebracht tegen vrijwel elke waarheid die ons dierbaar is. Kan een kind van God onder deze omstandigheden niet dadelijk zijn geloof verdedigen met overtuigende, sterke, Schriftuurlijke argumenten, of zijn tegenstander het zwijgen opleggen met een direct beroep op de Schrift, dan verheugt de vijand zich alsof zijn argumenten onweerlegbaar zouden zijn en hij een volkomen overwinning had behaald. Zulke mensen liggen vaak, net als Amalek, in een hinderlaag om de zwakken en krachtelozen van Gods huisgezin te slaan. Omdat ze hen zonder veel moeite op de vlucht kunnen jagen, juichen ze alsof ze het hele leger verslagen hebben.

Om deze en andere redenen, die we hier niet hoeven te noemen, hebben we soms gedacht dat het nuttig kan zijn om enkele sterke fundamenten waarop ons geloof rust, op een rij te zetten. Niet dat Gods kinderen hierdoor de waarheid geleerd kan worden, want die moeten ze voor zichzelf leren uit de mond van God (Spr. 2:6). Maar ze zijn bedoeld als een overzichtelijke samenvatting van Schriftuurlijke bewijzen om hen te bevestigen in alles wat ze zodoende zielsbevindelijk geleerd hebben. In deze geest en met deze bedoeling hebben we verschillende keren in de vorm van ‘Beschouwingen’ diverse onderwerpen behandeld. We hebben daarover enig Schriftuurlijk licht laten vallen, in zoverre de Heere ons daartoe de bekwaamheid gaf. Dit was ons belangrijkste doel toen we in 1859 schreven over het onderwerp van het Eeuwige Zoonschap van onze gezegende Heere, en afgelopen jaar over de heilige mensheid van Jezus, in onze ‘Overdenkingen’.

We moeten nu een nieuwe serie artikelen onder de aandacht van onze lezers brengen. Ze bevatten een geheel nieuw en afzonderlijk onderwerp, in een enigszins andere vorm. In eerste instantie werden ze geschreven zonder de minste intentie om ze in onze publicaties te laten verschijnen. Daarom denken we ze van geen beter voorwoord te kunnen voorzien dan wanneer we simpelweg vertellen onder welke omstandigheden en op welke wijze ze aanvankelijk uit onze pen vloeiden.

Gedurende het afgelopen jaar heb ik met een predikant in Schotland persoonlijk gecorrespondeerd over de wet en enkele leerstellige kwesties die nauw verbonden zijn met dat vruchtbare discussieonderwerp. Hoewel we elkaar niet hadden ontmoet, kenden we elkaar wel van naam. Omdat er veel was wat onze gedachten in beslag nam en we gehinderd werden door een slechte gezondheid, zijn we de discussie met de grootst mogelijke tegenzin aangegaan. Want naast deze hindernissen wisten we uit enige ervaring op dit punt heel goed dat de uitkomst gewoonlijk is dat beide partijen nog meer dan tevoren overtuigd zijn van de juistheid van hun eigen opvattingen. Afgezien van deze feiten was er echter veel wat ons drong om de pen ter hand te nemen. De betreffende predikant had zich onlangs om zeer principiële redenen afgescheiden van de Free Church of Schotland. Hij kon nauwelijks iemand in zijn omgeving vinden met wie hij zich echt verbonden voelde. Hij had van harte de leerstellingen van vrije genade omhelsd. Zijn ogen waren geopend voor het koude, ijzige, dode, zogenaamde calvinisme (maar in werkelijkheid arminianisme) dat in Schotland overheerst. Hij voelde zich zeer aangetrokken tot Gods volk in Engeland, van wie we zonder aanmatiging mogen zeggen dat zij één zijn met ons in hun opvattingen en gevoelens over Goddelijke zaken. Er was echter één grote en ernstige belemmering om zich volkomen en volledig met hen te verenigen: het verschil in zijn opvattingen over de wet. Hij was er vast van overtuigd dat deze wet de leefregel voor de gelovige is. Omdat dit voor hem heel erg belangrijk was, greep het hem erg aan toen hij merkte dat de vrienden en predikanten in Engeland, met wie hij zich verbonden voelde, geloofden dat de wet geen leefregel voor de gelovige is. Hij meende dat dit puur antinomianisme was en hij werd buitengewoon gepijnigd door de gedachte dat de enige mensen met wie hij zich kon verbinden, in de leer antinomiaans waren. Met deze gevoelens schreef hij ons een persoonlijke brief. Dringend verzocht hij ons om heldere, duidelijke en ondubbelzinnige antwoorden op drie vragen, waarin volgens hem de hele zaak besloten lag. Zelf zagen we geen verband tussen zijn vragen en het punt dat ter discussie stond. Maar omdat hij zonder antwoord niet tevreden was, hebben we hem ten slotte de brief geschreven die we nu publiceren. Dit leidde tot meer brieven, waarin we onze opvattingen uitvoeriger hebben verklaard en verdedigd.

Verschillende vrienden die de tweede brief hebben gelezen, uitten de wens dat deze in de ‘Gospel Standard’ werd gepubliceerd. Wij voelden ons wel bereid om aan hun verzoek te voldoen. Eerst was het onze bedoeling om alleen de tweede brief in de ’Gospel Standard’ op te nemen. Bij nader inzien hebben we besloten om al onze brieven te publiceren. Daarom zullen er nog twee brieven volgen; het ligt in onze bedoeling om die in de volgende nummers te plaatsen. We vrezen dat de huidige brief niet bijzonder interessant of stichtelijk zal zijn. Samen met de volgende brieven zou hij echter een helderder licht kunnen werpen op het onderwerp als geheel.

 

Eerste brief; Geachte heer,

Door uw brief word ik herinnerd aan de woorden van de apostel: ‘Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart en uit een goede consciëntie en uit een ongeveinsd geloof.’ Uit de woorden die onmiddellijk daarop volgen, kunnen we afleiden dat twistgesprekken over de wet heel gevaarlijk zijn, als we afwijken van deze liefde en de vruchten daarvan, en ons wenden ‘tot ijdelspreking’ (1 Tim. 1:5,6). In bijna alle eeuwen heeft de ervaring geleerd dat niets méér twisten in Gods kerk heeft veroorzaakt dan geschillen over de wet. In uw geval heeft het blijkbaar het pijnlijke gevolg gehad dat er enige verwijdering is ontstaan tussen u en de vrienden in Engeland die u hoogacht, zo niet in het hart dan wel in opvatting.

Met grote tegenzin ga ik de discussie aan die zo is ontstaan. U hebt mij echter gevraagd om duidelijke antwoorden te geven op bepaalde vragen, omdat ik dezelfde opvattingen heb als de Engelse predikanten in ons kerkverband, in de hoop meer duidelijkheid te krijgen over de overeenkomsten en verschillen tussen u en hen. Daarom zal ik proberen te antwoorden, zo duidelijk als ik kan en zo kort als bestaanbaar is met een goede uitleg.

1. U vraagt mij eerst: ‘Gelooft u dat Jehovah vanwege Zijn oneindig heerlijke volmaaktheden de hoogste liefde van al Zijn redelijke schepselen waardig, ja, oneindig waardig is, voorafgaand aan de overweging dat er enige weldaad van Hem verkregen zou kunnen worden?’

Mijn antwoord is dat ik uit de Schrift (waarop ons geloof moet rusten wil dit het geloof van de uitverkorenen zijn, en niet op onze eigen redeneringen) niet kan opmaken dat God Zichzelf aan enige van of al Zijn redelijke schepselen voorstelt als hun hoogste liefde oneindig waardig, voorafgaand aan enige weldaden die hun geschonken zijn door Hem. Godgeleerden hebben zich uit de Schrift bepaalde voorstellingen gevormd van de natuur van God (waartoe ze gekomen zijn door een of ander proces van hun redenerende verstand), die een heel ander beeld schetsen dan de Schriftgedeelten waaruit zij ze afgeleid hebben. Zo maken zij Gods openbaring van Zichzelf in de Schrift los van Zijn verbondshoedanigheid en veronderstellen dat Zijn volmaaktheden geloofd en bemind kunnen worden door Zijn redelijke schepselen, onafhankelijk en losstaand van de openbaring van Zijn genade, zoals die geopenbaard wordt, hetzij in Zijn Woord, hetzij in het hart. Maar dit is een veronderstelling waarvoor geen grond is in het Woord der waarheid. De verwarring (zo wil ik het wel noemen) die zo gezaaid is, heeft hun hele verstand verduisterd en verhindert hen om helder over het onderwerp na te denken.

U zult antwoorden dat God zegt: ‘Gij zult den Heere, uw God, liefhebben.’ Maar bij dit punt van de discussie, en in feite voortdurend, moeten we duidelijk onderscheid maken tussen wat God was voor – en daarom wat God zei tegen – Zijn oude verbondsvolk Israël in vroeger tijd, en wat God is en wat Hij zegt tegen de mensen in het algemeen, als schepselen van Zijn hand. Dit verschil is zo groot dat er nieuwe verwarring zal ontstaan als dit onderscheid niet wordt gemaakt. De beste en enige manier om te leren wat God is en hoe Hij Zichzelf voorstelt aan Zijn redelijke schepselen, losstaand van Zijn verbondsbetrekking tot Zijn volk in Christus en losstaand van wat Hij was voor Zijn volk Israël in vroeger tijd, is het raadplegen van het Woord der waarheid. We moeten onderzoeken hoe Zijn geïnspireerde apostelen spraken over en tot de heidenen in hun dagen. Die mogen we immers met recht beschouwen als representatief voor de ‘redelijke schepselen’ uit uw vraag. Als u aandachtig Handelingen 14:15-17, 17:22-31 en Romeinen 1:17-23, 2:6-16 leest, zult u de betrekking zien waarin God tot de heidenen staat, als onderscheiden van de betrekking waarin Hij staat tot Zijn bondsvolk, de Joden. In mijn ogen wordt in geen van die passages gesproken over God als ‘een Voorwerp van de hoogste liefde van Zijn redelijke schepselen’. Er wordt gesproken over Zijn ‘eeuwige kracht en Goddelijkheid’; over Zijn scheppende hand, dat ‘wij in Hem leven, en ons bewegen, en zijn’; over Zijn algemene voorzienigheid, die ‘het leven, en den adem, en alle dingen geeft’; dat Hij ‘Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goeddoende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende’; dat Hij een God van recht is, Die ‘den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen’; en dat Hij vanwege al deze blijken van Zijn bestaan en macht geëerd en aanbeden moet worden als hun Schepper en Weldoener.

Ik zie dat deze grote waarheden aan Gods redelijke schepselen worden voorgesteld en voorgehouden. Ik lees echter niet dat de heidenen worden opgeroepen om Hem te beminnen vanwege Zijn heerlijke volmaaktheden, en dit voorafgaand aan de overweging dat daar enige weldaad van verkregen zou kunnen worden. Integendeel, een van de zonden waarvan de heidenen worden beschuldigd, is dat ze niet hebben ‘gedankt’ voor de ontvangen weldaden (Rom. 1:21). Maar er wordt niet zo’n abstracte leer of bovennatuurlijk begrip naar voren gebracht als dat ze God moesten liefhebben op grond van een denkbeeldige voorstelling. Een voorstelling die ze zich in hun gedachten moesten vormen van een rein en heilig Wezen dat als zodanig hun liefde verdient. Als dat zo was, zouden mensen terecht veroordeeld worden omdat ze God niet liefhebben. Dan zouden we in de Schrift ook die reden voor hun veroordeling vinden. De apostel noemt dit echter niet als grond van hun veroordeling, maar wel hun afgoderij en hun gruwelijke goddeloosheid. Ik geloof ook dat er geen enkel Schriftgedeelte gevonden kan worden waar het gebrek aan liefde tot God, voordat er enige weldaden door Hem geschonken zijn, wordt genoemd als een reden voor de veroordeling van mensen. Als een dergelijke passage niet te vinden is, lijkt dat afdoende bewijs dat God Zijn redelijke schepselen niet heeft opgeroepen om Hem lief te hebben, zoals u veronderstelt. Want de regel is: ‘ubi non lex, ibi non poena’ (dat is, waar geen wet is, is ook geen straf). Maar dan is ook het tegendeel waar: ubi non poena, ibi non lex (waar geen straf is, is ook geen wet).

Het is waar dat de wet zegt: ‘Gij zult den HEERE uw God liefhebben.’ Maar tegen wie zegt God dat? Tegen Zijn eigen volk Israël. Deze tekst wordt immers voorafgegaan door de volgende woorden: ‘Hoor, Israël, de HEERE onze God is een enig HEERE’ (Deut. 6:4). Als u de woorden in hun verband leest, zult u zien dat God niet álle mensen oproept om Hem lief te hebben, en dat voorafgaand aan enige geschonken weldaad. Hij gebiedt echter Israël om de Heere zijn God (zijn God in het verbond) lief te hebben. Daarna noemt God één voor één alle zegeningen die Hij hun had gegeven en die Hij nog zou geven door hen in het beloofde land te brengen. We verwarren echter het hele leerstuk van Wet en Evangelie wanneer we een gebod als ‘Gij zult den HEERE liefhebben’, losmaken van alle bijbehorende beloften en van de bijzondere betrekking ervan op de kinderen Israëls als Gods bondsvolk. Wij, heidenen, staan niet in dezelfde zin onder de wet als de kinderen Israëls. De wet werd nooit op dezelfde wijze tot een verbond met ons gemaakt als wel met hen. Want de wet werd hun geopenbaard in verbinding met de ceremoniële wet, waaronder de heidenen nooit gestaan hebben. Weliswaar liggen wij als overtreders onder de veroordeling van de wet, als uitgebreid en verwijd door helderder licht, bijvoorbeeld zoals zij in de Bergrede is opengelegd. Maar wij staan niet op dezelfde wijze onder de wet als de kinderen Israëls. Daarom gelden de geboden die hun gegeven zijn in verbinding met bijzondere beloften, niet voor ons als heidenen. Wij delen immers niet in die bijzondere beloften.

Velen hebben geen oog voor deze belangrijke, fundamentele waarheid. Dat is de oorzaak van bijna alle verwarring die we op dit punt doorgaans aantreffen in de belijdenisgeschriften en geloofsbelijdenissen en catechismussen van kerken, en in de geschriften van goede mensen in de dagen van de puriteinen.

U vraagt of God Zichzelf voorstelt om door Zijn redelijke schepselen bemind te worden voorafgaand aan enige weldaden die van Hem verkregen worden? Ik antwoord, als we de Schrift als onze leidsman nemen: ‘Nee!’ Ik heb niets te maken met de beredeneerde conclusies van uw door de Schrift verlichte verstand. Ik moet niet bouwen op wat goede mensen hebben gedacht, beredeneerd of gezegd, maar op de Schrift der waarheid. De Schrift maakt geen bovennatuurlijke onderscheidingen tussen wat God is in Zichzelf en wat Hij is voor Zijn schepselen. Hij stelt dat zij God bepaalde plichten verschuldigd zijn, omdat Hij hun Schepper en Weldoener is. Maar begrijp mij niet verkeerd. Ik ben er vast van overtuigd dat God geëerbiedigd, aanbeden en gevreesd moet worden door Zijn redelijke schepselen; en dat alle mensen, naar de mate waarin ze licht ontvangen hebben, tegenover Hem verantwoordelijk zijn voor hun daden. Hoe kan Hij anders de wereld rechtvaardig oordelen? De Rechter van de ganse aarde moet recht doen. Een rechter straft echter geen misdadigers omdat ze hem niet liefhebben vanwege zijn oprechtheid, maar om hun dadelijke overtredingen. Zo zal God, als de Rechter van de ganse aarde, de mensen niet straffen omdat ze Hem vanwege Zijn oneindige volmaaktheden niet liefhebben, maar om hun zonden en ongerechtigheden. U ziet dus dat ik vasthoud aan de morele verantwoordelijkheid van de mens tegenover God als Zijn rechtvaardige Rechter, hoewel ik niet geloof dat hij verplicht is God lief te hebben vanwege Zijn onbevattelijke volmaaktheden. De val heeft het verstand van de mens immers zo volkomen verduisterd dat hij geen enkele kennis meer heeft van die volmaaktheden. Buiten Christus is God een verterend Vuur voor allen die tegen Hem gezondigd hebben. Zijn heiligheid en gerechtigheid zijn in slagorde opgesteld tegen de zonde. Als een heilig en rechtvaardig God kan Hij daarom geen voorwerp van liefde zijn voor Zijn zondige schepselen. De mens is weliswaar een redelijk schepsel, maar de mens is ook een zondig schepsel. De Schrift handelt niet met hem op grond van louter zijn verstand, volgens de theorie der godgeleerden, maar op grond van zijn aangeboren en dadelijke zonde.

2. U vraagt mij ten tweede: ‘Gelooft u dat de natuur van die oneindig heerlijke volmaaktheden op geen enkele wijze veranderd of beïnvloed is (d.w.z. zoals zij in zichzelf of in hun eigen natuur zijn) door de hogere betrekking waarin de uitverkorenen staan tot God als hun Vader in Christus Jezus, of gelooft u het tegendeel?’

Ik antwoord dat ik niet helemaal begrijp wat deze vraag te maken heeft met het onderwerp dat we nu behandelen. Ik ben er echter vast van overtuigd dat de oneindig heerlijke volmaaktheden van God noodzakelijkerwijs onveranderd en onveranderlijk zijn, omdat ze om zo te zeggen een volledig deel zijn van het eigen Wezen van Jehovah Zelf. Voordat u echter een dergelijke vraag stelt, denk ik dat u zich in uw gedachten duidelijk moet kunnen voorstellen wat die heerlijke volmaaktheden zijn, los van hun openbaring in de Persoon en het werk van Christus en de openbaring die ervan gegeven wordt in het Evangelie. Als ik me niet vergis, zult u merken dat u hierin helemaal op het verkeerde spoor zit, ja, u mogelijk op verboden terrein waagt. Ik geloof dat wij niet de vrijheid hebben om ons in onze eigen gedachten bepaalde voorstellingen te vormen van de natuur van God, los van de openbaring die Hij van Zichzelf gegeven heeft in het Woord der waarheid. Evenmin kunnen wij Hem zo zien zonder Hem ook te zien als de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. We weten dat Hij heilig, billijk en rechtvaardig is, want dat heeft Hij van Zichzelf gezegd. We weten ook dat Hij vol barmhartigheid, liefde en genade is voor hen die geloven in Zijn lieve Zoon, want dat heeft Hij van Zichzelf verklaard. Maar we moeten in onze eigen gedachten geen abstracte voorstellingen maken van wat God is of wat we denken dat Hij moet zijn, losstaand van de duidelijke openbaring die Hij van Zichzelf heeft gegeven als de God en Vader van de Heere Jezus Christus. Al Zijn heerlijke volmaaktheden schitteren in de Zoon van Zijn liefde en ze worden als het ware allemaal aangewend ten gunste van Zijn uitverkorenen, die in Christus bemind zijn van voor de grondlegging der wereld. Als we onszelf echter bezighouden met speculaties over de vraag wat de heerlijke volmaaktheden van God zijn buiten Christus en het verbond der genade om, en hoe die te maken hebben met de niet-uitverkorenen, betreden we in mijn ogen een terrein waar we jammerlijk kunnen uitglijden en vallen.

3. Ten derde vraagt u mij: ‘Wordt de uitverkoren, verloste, wedergeboren en door God levend gemaakte ziel bovenal gedreven door liefde tot God om wat Hij is in Zichzelf, door liefde tot Hem op grond van Zijn oneindig heerlijke volmaaktheden, Zijn oneindige liefelijkheid, zoetheid, schoonheid en uitnemendheid? Of wordt zo’n ziel enkel gedreven door een liefde die in eerste instantie ontstaat uit de wetenschap van haar eigen verkiezing en die vervolgens altijd gevoed wordt uit dezelfde bron?’

Ik antwoord dat we de liefde die de uitverkorenen voor God, hun hemelse Vader hebben, niet kunnen en moeten scheiden van wat Hij voor hen is in Christus en wat Hij is in Zichzelf. In de hersenen van mensen worden spitsvondige en bovennatuurlijke onderscheidingen uitgesponnen, die naar mijn mening een belangrijk deel vormen van de Schotse theologie aan de universiteit. De Schrift noemt deze onderscheidingen echter niet, laat staan dat ze erover uitweidt.

Laten we ons eenvoudig aan de Schrift houden, want welke voorafgaande bovennatuurlijke definities en onderscheidingen geeft de Schrift ons, eerst van wat God in Zichzelf is, en vervolgens van wat Hij in Christus is? Wordt er ergens een dergelijk verschil gemaakt tussen Gods volmaaktheden en Zijn Zelfopenbaring in de Persoon van Zijn lieve Zoon, zoals we aantreffen in uw drie vragen? Wat weten we van God buiten Zijn openbaring van Zichzelf in de Schrift en de openbaring van Zijn liefde aan de ziel? Zou het niet veel beter zijn om naar de openbaring van Zijn liefde aan ons te zoeken en ons niet het hoofd te breken over zulke verschillen? Als het de Heere behaagt om Zichzelf zo te openbaren, doet Hij dat altijd in Christus. Als de Heilige Geest de Zoon van God openbaart, geeft Hij ons niet eerst een onderscheiden zicht op God in Zichzelf, als een Voorwerp van onze hoogste liefde en daarna op God in Christus. Maar Hij geeft een arme misdadiger die zichzelf veroordeelt, een openbaring van vergevende liefde. Evenals de staf van Aäron neemt deze openbaring alle verschillen weg, en laat de zondaar niets anders over om te weten en niets anders om te bewonderen dan de overvloedige genade van God voor hem in Christus Jezus.

Daarom denk ik niet dat de wedergeboren ziel bovenal gedreven wordt door liefde tot God om wat Hij is in Zichzelf. Schuld en angst verbergen al deze volmaaktheden immers voor haar ogen. Ook kan zij zich geen voorstelling van God vormen waarom zij Hem zou moeten liefhebben, wanneer zij ligt onder een gevoelig besef van Zijn toorn. Het is zoals de apostel zegt: ‘Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft’ (1 Joh. 4:19). Het Evangelie stelt ons God nooit voor als een Voorwerp van liefde buiten Christus, of om wat Hij is in Zichzelf, maar houdt ons Zijn liefde voor in het zenden, geven en niet sparen van Zijn eigen Zoon.

In uw brief staan nog meer punten waarover ik graag wat opmerkingen zou maken, als ik de tijd daarvoor had. Ik kan echter niet afsluiten zonder een poging te doen om uit te leggen hoe wij staan tegenover die goede en begenadigde auteurs die u noemt, en te verklaren waarom wij hen hoogachten omwille van hun werk en het toch niet met hen eens zijn op het punt van de wet. Wij volgen hen slechts in zoverre als wij geloven dat zij Christus volgden. Maar waar zij van Hem verschillen, scheiden onze wegen. Zo handelen wij, en u ongetwijfeld ook in andere gevallen. U hebt hoge achting voor Luther en leest met genoegen wat hij gezegd heeft over de rechtvaardigmaking. Maar daarom volgt u hem nog niet in het leerstuk van de consubstantiatie. Zo heb ik veel achting en bewondering voor de godzalige schrijver Rutherford, en lees hem bijna dagelijks. Dat is echter geen reden om met hem te geloven dat de Schotse kerk hetzelfde is als Christus’ gemeente. Eveneens heb ik veel bewondering voor de werken van de beide Erskines. Maar dat is geen reden waarom ik hen zou volgen in hun opvattingen over de kerkelijke tucht of de wijze waarop zij de twee sacramenten bedienen. John Bunyan pleitte voor ‘Open Communion’ (open gemeenschap), terwijl ik de ‘Strict Communion’ (besloten gemeenschap) geloof en in praktijk breng.[1] Desondanks heb ik veel bewondering voor ‘De christenreis’ en andere geschriften van zijn hand. Dr. Hawker en dr. Berridge leefden en stierven als predikant in de Anglicaanse kerk, die ik heb verlaten. Toch heb ik veel liefde en achting voor beide predikanten en een hoge waardering voor hun geschriften. Zo hebben wij ook bewondering en hoogachting voor de auteurs die u hebt genoemd, maar dat is geen reden om hen op elk punt als voor ons gezaghebbend te beschouwen. Wij geloven dat ze een vaag en duister zicht hadden op de vraag of de wet ook van toepassing is op een gelovige en daarom scheiden op dat punt onze wegen. Wij geloven dat ze mannen Gods waren, maar op dat specifieke punt niet begunstigd waren met het licht van het Evangelie.

Voor zover mijn tijd en verplichtingen dat hebben toegelaten, heb ik geprobeerd om zo duidelijk en openhartig mogelijk te antwoorden op uw brief. Ik kan echter niet verwachten dat u mijn zienswijze zult delen, omdat ik weet dat goede mensen vaak heel verschillende opvattingen gehad hebben over zulke punten. Het is genade als we geleid worden in alle waarheid door de Heilige Geest, Die alleen de kostelijke zaken uit Christus kan nemen en aan ons hart openbaren.

Ontvang mijn vriendelijke en oprechte wensen voor uw tijdelijk en geestelijk welzijn. Geloof mij, geachte heer, ik ben zeer oprecht de uwe, omwille van de waarheid, J.C.P. – Stamford, juni 1860

 

Tweede brief; Geachte heer,

Hoewel ik met u wil meevoelen, kan ik niet begrijpen waarom u zo graag van mij wilt horen hoe ik denk over dit veelbesproken onderwerp: ‘Of de wet wel of niet de leefregel voor de gelovige is.’ Evenmin kan ik begrijpen hoe de uitleg van mijn opvattingen uw handelwijze enigszins kan beïnvloeden. Sinds ik voor mijzelf enige kennis heb van de dingen Gods, heb ik de opvattingen van een mens nooit meer tot richtsnoer gemaakt voor mijn optreden in de kerk of in de wereld en voor mijn verwachtingen voor tijd of eeuwigheid. U hebt mij echter niet verteld welke invloed de uiteenzetting van mijn opvattingen waarschijnlijk zal hebben op uw handelwijze. Mogelijk hebt u ook goede redenen voor de besluiteloosheid waarin u nu verkeert. Daarom zal ik nu niet verder op dat onderwerp ingaan, maar direct ter zake komen.

Niets is zo verwarrend, en komt toch zoveel voor, als het ontbreken van een duidelijk inzicht in het twistpunt en wel van het begin af aan. Hoe kunnen twee mensen die vanuit twee verschillende oogpunten naar hetzelfde voorwerp kijken, het ooit eens worden over de kenmerken daarvan? Het lijkt er echter op dat dit nu juist het geval is met ons. U kijkt naar de wet vanuit een algemeen oogpunt, ik vanuit een bijzonder oogpunt. In uw ogen geldt de wet voor alle mensen, in mijn ogen alleen voor de gelovigen. Hoe kunnen we het dan eens zijn in onze conclusies over de natuur en het voorwerp van de wet? Sta mij echter toe te zeggen dat u, naast dit oorspronkelijke verschil, ook steeds van positie verandert. Eerst meent u dat de wet voor alle mensen geldt, dan dat ze voor de gelovigen is. Vervolgens verwart u deze twee gezichtspunten, alsof ze op hetzelfde neerkomen. Daarna benadrukt u sterk de ‘morele verplichting’. U doet voorkomen alsof alles in één klap tenietgedaan wordt als we loochenen dat de wet een leefregel is voor de gelovige. U stemt volkomen toe dat de uitverkorenen in een andere betrekking tot God staan dan de andere mensen. Toch gelooft u tegelijkertijd dat de wet voor beiden op precies dezelfde wijze geldt. Zelf zie ik niet in dat onze kwestie iets te maken heeft met die van de ‘morele verplichting’ die op volkomen andere gronden rust. Naar mijn mening brengen we hiermee een element ter sprake dat niet ter zake doet en tot algehele verwarring leidt. Wij hebben het niet over de verplichting van alle mensen om God lief te hebben – die heb ik in mijn laatste brief behandeld – of zelfs om Hem te gehoorzamen, maar over de vraag wat de leefregel is voor de gelovigen. Wij belijden dat deze twee groepen mensen in een verschillende betrekking tot God staan. Daarom moeten we niet overdenken wat de wet voor de mensen in het algemeen zou kunnen betekenen, maar wat zij betekent voor de gelovigen in de Heere Jezus Christus.

Alleen Gods openbaring kan licht werpen op dit onderwerp, van begin tot eind. Bij de overdenking daarvan moeten we ons niet laten leiden door bovennatuurlijke voorstellingen die wij ons van God kunnen vormen in onze gedachten, zonder het uitdrukkelijke getuigenis van de geïnspireerde Schrift. Daarom moeten we dicht bij het Woord der waarheid blijven. We kunnen alleen begrijpen in welke bijzondere betrekking de gelovigen tot God staan door een persoonlijk getuigenis in onze eigen consciëntie dat we zelf een gelovige zijn. Daarom moeten we bij de bespreking van dit punt ook verwijzen naar de christelijke bevinding. Ik moet zeggen dat ik bij het lezen van uw brieven bijzonder getroffen werd door de afwezigheid van deze twee zaken. Ik wil niet zeggen dat het dan bijna onmogelijk lijkt om een antwoord te geven op uw vraag, maar het is wel praktisch onmogelijk om tot overeenstemming te komen in onze opvattingen, omdat we verschillende zaken bespreken en vanuit verschillende oogpunten naar de hele kwestie kijken. Uw betoog was heel uitvoerig en erg goed doordacht, maar u hebt nauwelijks verwezen naar de Schrift of naar uw eigen bevinding van wet of Evangelie. Ik denk echter dat deze vraag niet beantwoord kan worden zonder het getuigenis van God in het Woord en het onderwijs van God in onze eigen ziel. Als we op deze twee dingen geen acht slaan, hoe kunnen we dan hopen dat we een onderwerp begrijpen dat we in ons verstand alleen kunnen verstaan door het Woord der waarheid, en in ons hart alleen door de kracht daarvan te kennen?

In één van uw brieven uit u de wens dat ik alleen mijn mening zou geven over dit punt: ‘Waarom, in mijn ogen, de wet niet de leefregel van de gelovige is.’ Ik zal mijzelf daarom hoofdzakelijk tot dit onderwerp beperken. Dat zal ik doen door mijn gedachten voor te stellen aan de hand van deze drie punten:

I. Waarom de wet niet de leefregel van de gelovige is.

II. Wat zijn leefregel wel is.

III. Weerlegging van het verwijt dat onze opvattingen leiden tot antinomianisme in leer en leven.

I. Waarom de wet niet de leefregel van de gelovige is. Ik moet aantonen dat de wet niet de leefregel van de gelovige is. Maar omdat ik alles zo duidelijk mogelijk wil maken, zal ik eerst een definitie geven van de betekenis van mijn begrippen.

  1. Onder ‘een gelovige’ versta ik iemand die door het geloof in Christus is verlost van de vloek en dienstbaarheid van de wet en die bevindelijk iets kent van het leven, het licht, de vrijheid en de liefde van het heerlijke Evangelie van de genade van God.
  2. Onder ‘de wet’ versta ik vooral, maar niet uitsluitend de wet van Mozes.
  3. Onder ‘de leefregel’ versta ik een uitwendige of inwendige leidraad waarnaar een gelovige zijn wandel en levenswijze richt voor God, de Kerk en de wereld.

Het is zeer noodzakelijk om goed in gedachten te houden dat we uitsluitend over een gelovige spreken. Bij de bespreking van dit punt is het niet van belang wat de wet voor anderen betekent. De enige vraag die wij stellen is: ‘Wat heeft de wet te maken met een gelovige in Christus Jezus? Wordt er door de geopenbaarde wil van God van hem vereist om de wet voor zijn leidende leefregel te nemen?’

Mijn antwoord is: ‘Nee.’ Daarvoor heb ik verschillende redenen. God geeft ons niet de vrijheid om naar willekeur een gedeelte van de wet te aanvaarden en het andere deel achter ons te laten. De wet moet helemaal aanvaard of helemaal achter ons gelaten worden, want zó heeft God haar geopenbaard. Nergens in Gods Woord kan ik vinden dat de eisen van de wet gematigd of gehalveerd worden, zodat wij aan haar gestorven kunnen zijn als verbond, en toch voor haar levend kunnen zijn als regel, volgens de opvattingen van veel godgeleerden die over dit onderwerp geschreven hebben. Het wezenlijke en onderscheidende kenmerk van de wet is dat het een verbond der werken is, dat een volledige en volkomen gehoorzaamheid eist en een ontzaglijke vloek verbindt aan de minste overtreding van haar geboden. Indien ik dus als gelovige de wet aanvaard als mijn leefregel, aanvaard ik die wet mét haar vloek. Ik plaats mijzelf onder haar juk, want door de wet als mijn leidraad te aanvaarden (als ik dat niet doe, kan ze mijn leefregel niet zijn), aanvaard ik de wet met al haar voorwaarden en onderwerp ik mij aan al haar straffen. Het is onmogelijk om een verbond los te maken van de eisen en voorwaarden van dat verbond. Als ik bijvoorbeeld een huis of boerderij pacht, aanvaard ik de overeenkomst met al haar voorwaarden. Als ik een huis pacht, moet ik ervoor zorgen dat het bewoonbaar blijft. Als ik een boerderij pacht, moet ik die beheren in overeenstemming met bepaalde regels die in het pachtcontract zijn opgenomen. Laten we dit laatste beeld nader beschouwen, omdat het dit punt beter illustreert. Mijn pachtovereenkomst wordt mijn regel voor het bewerken van de grond. Als ik van deze regels afwijk, verbreek ik de overeenkomst. Omgekeerd, als ik toestem om het land te bewerken volgens bepaalde regels, ben ik door mijn aanvaarding van die regels als bindende bepalingen voor mijn manier van landbewerking verplicht om die overeenkomst na te komen. Ik heb niet de vrijheid om het ene gedeelte te aanvaarden en het andere te negeren. Want als ik de regels kan aanvaarden terwijl ik de overeenkomst afwijs, kan ik net zo goed de overeenkomst aanvaarden terwijl ik de regels afwijs. Dan kan ik voordeel genieten van de pachtovereenkomst terwijl ik de boerderij ruïneer. De pachtovereenkomst en de regels daarvan vormen één akte, zijn geschreven op hetzelfde papier, verzegeld met hetzelfde zegel en ondertekend met dezelfde handtekening.

Evenmin kan ik de wet verwerpen als mijn verbond en haar toch tot mijn leefregel maken. Want het verbond en de regels daarvan vormen noodzakelijkerwijs één en dezelfde akte. Deze onverbrekelijke schakel tussen een verbond en de regels daarvan wordt duidelijk getoond in Galaten 5:1-6, waar de apostel betuigt aan ‘een iegelijk mens die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen’. De besnijdenis was een van haar regels en door het gehoorzamen van die regel bracht de besnedene zichzelf feitelijk onder de vloek van de wet. Want hij werd een schuldenaar om de gehele wet te doen, op straffe van die vloek voor zijn ongehoorzaamheid. Zo plaatst ook de gelovige zichzelf onder de vloek van de wet, als hij haar als zijn leefregel aanvaardt. Want als hij haar geboden als zijn regel aanvaardt, is hij verplicht elk gebod te gehoorzamen op straffe van die vloek. Het is dus zinloos om te zeggen dat we de wet aanvaarden als leefregel en niet als verbond, want deze twee zaken zijn beslist niet te scheiden. Wie de gehele wet houdt en in één gebod struikelt, ‘is schuldig geworden aan alle’ (Jak. 2:10). Wie één voorschrift van de wet aanvaardt als zijn regel, evenals de Galaten het voorschrift van de besnijdenis aanvaardden, aanvaardt daardoor feitelijk de hele wet en door de hele wet te aanvaarden, stelt hij zich onder de vloek die staat op de overtreding van de geboden. Mensen spreken heel gemakkelijk over de wet als leefregel, terwijl ze nauwelijks denken aan de consequenties, onder andere dat de geschreven voorschriften en niet alleen de geest van de wet de regel moeten zijn. Deze voorschriften behoren alleen bij de wet als verbond, want ze zijn daarvan nooit losgemaakt door de Wetgever en wat God heeft samengevoegd, kan geen mens scheiden.

De brief aan de Galaten is vooral bedoeld om het verband tussen de voorschriften (zoals de besnijdenis) en het verbond aan te tonen. De Galaten zagen op de wet en niet op het Evangelie. Zij waren begonnen met de Geest en probeerden te voleindigen met het vlees. Als u begunstigd werd om deze gezegende brief met verlichte ogen te lezen, zou onze pennenstrijd daardoor onmiddellijk worden beslist ten gunste van het Evangelie, als onze leidende regel voor een christelijke wandel, in onderscheid van de wet, die nooit aan gelovigen in Christus werd gegeven als de regel voor hun dagelijkse handel en wandel. Let er eens op hoe Paulus de mensen berispt die zo te werk willen gaan. Hij noemt hen ‘uitzinnige Galaten’. Hij vraagt: ‘Wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid’, dat is het Evangelie, ‘niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen tevoren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?’ (Gal. 3:1). Hij beroept zich op hun eigen bevinding en vraagt hen: ‘Dit alleen wil ik van u leren: Hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?’ (Gal. 3:2). Hier maakt hij onderscheid tussen ‘de werken der wet’ en ‘de prediking des geloofs’. Dus een verschil tussen de werken die gedaan worden in gehoorzaamheid aan de wet als een leidende regel, en de in het hart gevoelde kracht van God, die gepaard gaat met het gepredikte Evangelie, wanneer dat in het geloof gehoord wordt. Vervolgens vraagt hij de Galaten door welke van de twee zij het onderwijs en getuigenis van de gezegende Geest ontvangen hebben. Merk ook op hoe hij hen gebiedt: ‘Wandelt door den Geest’ (Gal. 5:16). Nu, ‘wandelen’ is leven en handelen, en de regel die hij geeft voor dit leven en handelen is niet de wet, maar de Geest. Hij vertelt hen hoe gezegend deze Goddelijke leiding en besturing is. ‘Indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet’ (Gal. 5:16-18). Dat wil zeggen, zij waren niet onder de wet, hetzij als verbond of als regel. Zij waren vrij van de vloek van de wet als een veroordelend verbond, en van de geboden van de wet als een bitter juk, dat zij noch hun vaderen konden dragen (Hand. 15:10). Deze verlossing van de wet ontsloeg hen echter niet van een hogere en volmaaktere regel van gehoorzaamheid. Om hen dat te laten zien, gebiedt Paulus hen: ‘Vervult de wet van Christus’, die ‘liefde’ is. Zij is een vrucht van de Geest en wordt niet voortgebracht door de wet, die toorn werkt en tot dienstbaarheid baart (Rom. 4:15; Gal. 4:24).

Ik kan het echter niet nalaten om aan deze argumenten uit de brief aan de Galaten deze ene opmerking toe te voegen dat we voor een afdoend antwoord op de hele kwestie genoeg hebben aan deze brief, als we tenminste bereid zijn om de leerstellingen en tradities van mensen los te laten en te blijven bij het geïnspireerde Woord der waarheid. Daarin is namelijk de regel gegeven waarnaar gelovigen moeten wandelen, namelijk ‘een nieuw schepsel’ of een nieuwe schepping. ‘Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods’ (Gal. 6:15,16). Ik wil u alleen maar vragen of ons hier de wet of het werk van de Geest in het hart wordt voorgehouden als de regel voor de wandel van een gelovige. Zovelen als er naar deze regel wandelen, worden door de apostel niet bestraft of afgesneden als antinomianen in leer of leven. Maar hij bidt of ‘vrede en barmhartigheid’ als hun gelukzalige en blijvende deel op hen zullen rusten, omdat ze behoren tot het ware ‘Israël Gods’.

1. De eerste reden waarom ik de wet verwerp als leefregel voor de gelovige, is dus dat ik een verbond niet kan scheiden van de regels van dat verbond. Als ik de regels aanvaard, aanvaard ik ook het verbond. Dit is niet onbelangrijk, want als ik dat doe, breng ik mijzelf feitelijk onder de vloek van de wet. Als ik gezegend ben met enige mate van rust en vrede in het geloof, verlaat ik het Evangelie van de genade van God, dat zowel genoegzaam is om mij te leiden als om mij te redden, en keer ik mij weer tot de zwakke en arme eerste beginselen, die mijn ziel niet kunnen verlossen, heiligen of zalig maken.

2. De tweede reden waarom ik de wet verzaak als leefregel voor de gelovige, is haar inklevende onvolmaaktheid. Strikt genomen is zij een verbond der werken. Ze kent geen barmhartigheid, openbaart geen genade en deelt de gezegende Geest niet mede (Gal. 3:2). Als ik een gelovige ben in Christus, en Zijn genade en waarheid in mijn hart ontvangen heb, waarom moet ik dan als mijn leefregel datgene aanvaarden wat noch in het Woord noch in mijn consciëntie van Jezus getuigt? Wil ik als een gelovige wandelen, dan moet het zijn in een leven van geloof in de Zoon van God (Gal. 2:20). Is de wet hierin mijn regel? Zo ja, waar zijn die regels te vinden? ‘De wet is niet uit het geloof’ (Gal. 3:12). Hoe kan de wet dan regels geven voor een leven van geloof? Een regel die het hele leven van een gelovige zal beïnvloeden en leiden, moet heel duidelijk en alomvattend zijn. Deze regel moet het begin, het midden en het einde van het leven van een christen omvatten en voor alle omstandigheden gelden. Heel zijn wandel voor God, de kerk en de wereld moet daarnaar gericht kunnen worden. Maar waar vinden we een dergelijke regel in de wet van Mozes?

Ik merk dus dat uw regel in alle opzichten tekortschiet. Als ik met God wil wandelen, biedt deze regel mij geen hulp of onderwijs, want hij zwijgt over Christus en de zaligheid door genade. Alles wat deze regel zegt, is: ‘De mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven’ (Gal. 3:12). Welke hulp biedt de wet mij, als ik met de Kerk wil wandelen zoals het een gelovige betaamt? Ik kan alleen als gelovige wandelen door de wet der liefde, zoals die geopenbaard is in Christus en aan mijn hart bekend is gemaakt door de kracht van God. Als ik wil wandelen in de inzettingen van Gods huis, moet ik die dan in de wet geopenbaard vinden? Moet ik dan de wet als mijn regel nemen voor mijn wandel in het huis van God? De wet die niet eens het bestaan van de nieuwtestamentische kerk erkent en die ons geen andere inzetting dan de besnijdenis voorhoudt? Paulus schrijft aan Timotheüs een aantal aanwijzingen hoe hij moet verkeren in het huis Gods, hetwelk is de gemeente des levenden Gods (1 Tim. 3:15). Naar deze regels moest Timotheüs wandelen. Maar zijn zij nu wet of Evangelie, Mozes of Christus, de werken of het geloof? Naar welke regel moet ik als lid wandelen? U zult zonder twijfel zeggen: ‘Naar de wet zoals vervat in de tien geboden’. U moet immers zelf erkennen dat een regel, om enig nut of zelfs maar enig gezag te hebben, in woorden uitgedrukt moet zijn en geen vage conclusie van ons redenerende verstand. Maar waar wordt in deze tien geboden gezinspeeld op de bediening van het Evangelie? Hoe kan de wet dan mijn wandel als een dienaar van Jezus Christus besturen? Als ik mij dan afwend van deze ontoereikende, onvolmaakte regel, het Evangelie als mijn regel aanvaard en de stem van Christus en Zijn apostelen gehoorzaam, moet ik dan een antinomiaan genoemd worden? Moet ik dan beschouwd worden als iemand met gevaarlijke opvattingen die verwoestend zijn voor alle moraal, enzovoorts? Ik weet zeker dat het een grote smet werpt op de voorschriften en het voorbeeld van onze gezegende Heere en de bevelen van Zijn apostelen in het Nieuwe Testament, als we terugkeren naar de wet, terwijl we voor onze ogen zulk een zuiver, heilig en dierbaar Evangelie hebben. Als ik voor de wereld wil wandelen zoals het mijn belijdenis betaamt, moet ik mijn leven dan vormgeven naar de tien geboden of naar de voorschriften van het Evangelie?

Ik zal hierover niet verder redeneren, want dan kan ik eindeloos doorgaan. Ik verwerp de wet dus als mijn regel, omdat ze onvolmaakt is. Ik heb een betere en meer volmaakte regel en daarom heb ik de wet niet nodig. Als een menselijke wet gebrekkig of onvolmaakt is en in plaats daarvan een betere en meer volledige wet gegeven wordt, wat bij elke vergadering van het parlement wel gebeurt, wordt de eerste wet feitelijk, zo niet formeel, ingetrokken en de tweede wordt de regel voor de rechterlijke macht. Als er nog een beroep wordt gedaan op de eerste wet, en iemand daarop zegt: ‘Ik weiger mij gebonden te voelen aan een ingetrokken wet en eis dat er in mijn zaak op grond van de nieuwe wet vonnis gewezen wordt’, moet hij dan beschouwd worden als een wetteloze burger, die alle wetten met voeten treedt? Wij geven de wet de eer die haar toekomt. De wet had heerlijkheid, zoals de apostel argumenteert (2 Kor. 3), als de bediening des doods en der verdoemenis. Deze heerlijkheid is echter ‘tenietgedaan’. Waarom zouden we dan nog op de wet zien als onze leidende regel? De bediening des Geestes, des levens en der rechtvaardigheid is ‘veel meer overvloedig in heerlijkheid’. Waarom moeten wij dan veroordeeld worden als we de Geest verkiezen boven de letter, het leven boven de dood en de rechtvaardigheid boven de verdoemenis? Een regel moet invloed hebben en leiding geven, anders is het een dode regel. Als u ervoor kiest om u te laten leiden door de dodende letter, die u alleen de verdoemenis en de dood kan toebrengen, en wij als onze regel datgene kiezen wat ons de Geest, de rechtvaardigheid en het leven toebrengt, wie heeft dan de beste regel? Het is zeer te vrezen dat zij die zo wandelen en spreken, nog steeds een deksel op hun hart hebben en niets kennen van wat de apostel bedoelt als hij zegt: ‘De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid. En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest’ (2 Kor. 3:17,18).

3. Ten derde, ik bezit niet alleen deze conclusies vanuit de natuur van de wet zelf, waardoor mijn gedachten beïnvloed worden om de wet als regel te verwerpen, maar ik bezit ook het uitdrukkelijke getuigenis van God, dat mij hiertoe het recht geeft. Ik lees bijvoorbeeld: ‘Ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou’ (Gal. 2:19). ‘[Ik ben] der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat [ik zou] worden eens Anderen, namelijk Desgenen Die van de doden opgewekt is, opdat [ik] Gode vruchten dragen [zou]’ (Rom. 7:4). Als gelovige in Christus is de wet dood voor mij en ben ik dood voor de wet. Want als zodanig ben ik ‘vrijgemaakt van de wet, overmits [ik] dien gestorven [ben], onder welken [ik] gehouden [was]; alzo dat [ik dien] in nieuwigheid des Geestes, en niet in de oudheid der letter’ (Rom. 7:6). De apostel heeft zo’n heldere en mooie uitleg gegeven van dit onderwerp, dat ik het beste de opbouw van zijn betoog in Romeinen 7:1-4 kan volgen. Hij veronderstelt dat een gelovige in Christus is als een vrouw die is hertrouwd na de dood van haar eerste man. Hij zegt dat zij ‘aan den levenden man verbonden is door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans’ (Rom. 7:2). Vanzelfsprekend is de eerste man de wet, en de tweede man is Christus.

Als we nu deze beeldspraak van de apostel overnemen, mogen we dan niet terecht vragen: ‘Naar welke regel moet deze vrouw handelen, nadat ze hertrouwd is, naar de reglementen van de eerste of die van de tweede man?’ Misschien is de eerste man wel zeer hardvochtig geweest. Mogelijk heeft hij haar met een ijzeren roede geregeerd en heeft hij haar altijd onderdrukt en schrik aangejaagd. Nu is hij gestorven. Zijn al zijn regels en reglementen dan niet mét hem gestorven? Is zijn vrouw dan niet volkomen van zijn heerschappij verlost? Als hij dood is voor haar, is zij evenzeer dood voor hem. Hij heeft geen enkel gezag meer over haar. Wat zouden we denken van een vrouw die niet probeert om haar nieuwe man te behagen, maar telkens weer wijst op de regels en reglementen die haar door haar vorige man waren opgelegd, vooral als haar vorige man een wrede tiran was en haar tweede man een zeer toegenegen en liefhebbende echtgenoot is? Is de regel der liefde, als de regel van het tweede huwelijk, niet in elk opzicht voortreffelijker dan de regel van het gebod, die de regel was van het eerste huwelijk? Afgezien van het verschillende karakter van deze twee regels is het eerste huwelijk helemaal voorbij, omdat de gelovige dood is voor de wet en de wet dood voor hem. Net zoals de vrouw dus geen overspeelster is, ook al trouwt zij met een andere man, zo kan ook de gelovige die der wet gedood is door het lichaam van Christus, niet beschuldigd worden van overtreding van de wet, als hij haar niet langer als regel aanvaardt vanwege zijn vereniging met de Heere Jezus en zijn liefde tot Hem. Want dit tweede huwelijk is niet onvruchtbaar zoals het eerste, maar brengt Gode vrucht voort. Ik zou graag willen dat u dit gedeelte van Romeinen 7 zou lezen in het licht van de Geest. Dan zou u zien hoe volkomen dood de gelovige is voor de wet, als verbond én als regel, uit kracht van zijn vereniging met Hem Die opgewekt is uit de doden.

Hierover kan veel meer gezegd worden, maar ik schrijf een brief en geen boek. Daarom zal ik verdergaan met mijn tweede punt.

II. Wat is de leefregel van de gelovige? Is hij zonder regel? Zonder wet? Een wetteloze stumper, die omdat hij de wet van Mozes als zijn regel verwerpt, geen leidraad heeft om zijn voeten naar te richten? Ik antwoord: dat verhoede God! Want ik onderschrijf met hart en ziel de woorden van de apostel: ‘Gode nochtans zijnde niet zonder wet, maar voor Christus onder wet’ (1 Kor. 9:21). Niet ‘onder de wet’, zoals in onze vertaling; in de oorspronkelijke versie staat namelijk geen lidwoord en dat wordt er ook niet bedoeld. De gelovige heeft dus een leidende regel die we kort het Evangelie kunnen noemen. Maar deze regel kunnen we splitsen in twee belangrijke delen.

  1. Het Evangelie zoals dat door Gods vinger in het hart geschreven is.
  2. Het Evangelie zoals dat door de gezegende Geest geschreven is in het Woord der waarheid.

Dit zijn niet twee afzonderlijke regels, maar ze zijn gelijkwaardig. Beide delen vullen elkaar aan en bevestigen elkaar. Ik zal ze nu allebei afzonderlijk bespreken.

1. Het Evangelie als een innerlijke openbaring van genade en waarheid, zoals het gemaakt wordt de kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft. Een van de vier beloften van het nieuwe verbond was (vergelijk Jeremia 31:31-34 met Hebreeën 8:8-12): ‘Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven.’ God schrijft de wet in hun hart. Ik hoef u niet te vertellen dat zij daardoor onderscheiden wordt van de wet van Mozes, die op stenen tafelen geschreven was (2 Kor. 3:3-7). Doordat deze wet geschreven wordt, ‘niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten’ (2 Kor. 3:3), wordt zij een inwendige regel, terwijl de wet van Mozes slechts een uitwendige regel was. Ik denk dat Romeinen 8:2 verwijst naar deze inwendige regel. Daar lezen we de volgende woorden: ‘Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.’ Onder ‘de wet des Geestes des levens’ versta ik de leidende regel die de Geest van God, Die het leven meedeelt, is in het hart van een gelovige. Een regel wordt in de Schrift immers vaak een wet genoemd, zoals in Leviticus 14:2,54 en Ezechiël 43:12. (Het woord ‘wet’ betekent in het Hebreeuws letterlijk ‘onderwijs’.) Het is dus de verlossende, heiligende en leidende invloed van de Geest van God in zijn ziel, die als een wet of regel de gelovige verlost ‘van de wet der zonde en des doods’. Onder laatstgenoemde wet versta ik niet zozeer de wet van Mozes, als wel de kracht en overmacht van onze verdorven natuur.

Als dit een correcte uitleg is van de tekst, hebben we een leidende, inwendige regel, die onderscheiden is van de wet van Mozes, een levende regel in het hart, wat die wet nooit was of kon zijn, omdat ze de Geest niet meedeelde (Gal. 3:2-5). Maar deze inwendige regel heeft als ‘de wet des Geestes des levens’ macht om alle kinderen Gods te leiden, want in hetzelfde hoofdstuk zegt de apostel: ‘Zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods’ (Rom. 8:14). Deze leiding die eigen is aan Gods kinderen en die een blijk is van hun kindschap, verlost hen van de wet, want ‘indien [wij] door den Geest geleid [worden], zo [zijn wij] niet onder de wet’ (Gal. 5:18), hetzij als verbond of als regel. We hebben immers een beter verbond en een betere regel. Een regel dient toch vooral om leiding te geven? Maar wie kan leiden zoals de levende Leidsman? Hoe kan een dode wet een levende ziel leiding geven? Het beste bewijs dat we kinderen Gods zijn, is dat we worden geleid door de Geest; en deze innerlijke leiding wordt onze leidende regel.

Kunt u een betere regel verlangen? Geven we geen blijk van minachting van de leiding van de gezegende Geest, als we tegenover Zijn leidende regel een dode wet plaatsen, en hen antinomianen noemen die een levende Leidsman verkiezen boven een dode letter? Deze levende Leidsman is die Heilige en gezegende Geest Die ‘in al de waarheid’ leidt (Joh. 16:13). Als Hij in al de waarheid leidt, is Zijn leiding dan geen regel, ja, een betrouwbare regel, waarmee Hij ons hart en onze voeten leidt en bestuurt? De grootste zegen van het genadewerk in het hart is dat de leiding en besturing van de gezegende Geest een levende regel vormen bij elke stap op de weg. Want Hij maakt de ziel niet alleen geestelijk levend, maar onderhoudt het leven dat Hij schonk en voleindigt het tot op de dag van Jezus Christus (Filipp. 1:6). Dit leven is eeuwig. De gezegende Heere zei bij de bron van Samaria immers dat het water dat Hij een gelovige zou geven, in hem zou worden tot een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven (Joh. 4:14). Deze bron die ontspringt in de ziel van een gelovige is dus een leidende regel, want omdat ze de vreze Gods werkt en onderhoudt, is ze ‘een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods’ (Spr. 14:27).

2. Deze inwendige regel zou in enthousiasme echter verkeerd gebruikt kunnen worden en Gods kinderen zouden allerlei waanvoorstellingen kunnen houden voor het onderwijs van de Heilige Geest. Daarom heeft de God aller genade Zijn volk een uitwendige regel gegeven in de voorschriften van het Evangelie, zoals die verklaard zijn door de mond van de Heere en Zijn apostelen, maar vooral ook zijn verzameld in de zendbrieven als een blijvende regel voor het levende huisgezin van God. Deze voorschriften zijn helemaal niet in strijd met de regel waarover ik zojuist heb gesproken. Integendeel, ze zijn er geheel en al mee in overeenstemming. Want in feite is het één en dezelfde regel. Het enige verschil is dat de gezegende Geest de ene regel in het geschreven Woord heeft geopenbaard en de andere door de toepassing van dat Woord aan de ziel tot een levende regel in het hart maakt.

Er is geen enkel aspect van onze handel en wandel voor God en mensen dat ons niet is geopenbaard en ingescherpt in de voorschriften van het Evangelie. Want wij hebben geen gedetailleerde aanwijzingen, maar wat wij hebben, overtreft al zulke nodeloos gedetailleerde voorschriften in hoge mate. Wij hebben zeer gezegende principes waaraan kracht wordt bijgezet met allerlei genadige en heilige beweegredenen. Zij vormen, wanneer ze op de rechte wijze beschouwd en geloofd worden, een zeer volmaakte regel voor een inwendige en uitwendige gelijkvormigheid aan de geopenbaarde wil van God en voor een heilige handel en wandel in onze gezinnen, in de Kerk en in de wereld. Hier hoef ik verder niet op in te gaan, omdat ik er niet aan twijfel dat u helemaal met mij overeenstemt dat de voorschriften van het Evangelie volmaakt zijn.

Ik zou willen zeggen dat de gelovige een regel heeft om naar te wandelen die voor hem voldoende, ja, meer dan voldoende is om hem te leiden bij elke stap die hij zet. Van binnen maakt de Geest hem levend, onderwijst hem en leidt hem om zijn consciëntie teder te maken in de vreze Gods. De wet der liefde is in zijn hart geschreven door de vinger van God. Daarnaast heeft hij de voorschriften van het Evangelie als een volledige en volkomen regel voor de christelijke gehoorzaamheid. Wat heeft hij dan nog meer nodig om hem te volmaken in alle goed woord en werk? Kan de wet één van deze dingen voor hem doen? Kan zij hem bij aanvang het leven geven, wanneer zij een dodende letter is? Kan zij het leven onderhouden, als het niet eens in haar macht ligt om dat bij aanvang te schenken? Is de wet zelfs als een zedelijke regel niet hoogst onvolkomen en gebrekkig, als ze naast de volledige, volmaakte en volkomen voorschriften van het Evangelie wordt gelegd?

Maar de vraag zou gesteld kunnen worden: Verwerpen wij dan de twee grote geboden van de wet: ‘Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven’? Nee. Integendeel, het Evangelie is als uitwendige en inwendige regel de vervulling van beide geboden, want ‘zo is dan de liefde de vervulling der wet’ (Rom. 13:10). Deze gezegende regel van het Evangelie schuift de wet dus niet terzijde als het gaat om haar vervulling. Maar de twee grote geboden van de wet worden om zo te zeggen daarin opgenomen, verheerlijkt en in harmonie gebracht door er een gehoorzaamheid van het hart aan te bewijzen, die de wet niet kon geven. Want de gelovige dient ‘in nieuwigheid des Geestes en niet in de oudheid der letter’ (Rom. 7:6). Hij is een vrijgelatene van Christus (Joh. 8:32; 2 Kor. 3:17) en geen dienstknecht van Mozes (Gal. 4:3-7). Dit is een gewillige gehoorzaamheid (Ps. 110:3, Rom 1:5 en 6:17) en geen wettische opdracht. Dit verklaart ook wat de apostel bedoelt in Romeinen 7:22: ‘Want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mens.’ Want door de kracht en invloed van de gezegende Geest heeft de nieuwe mens een vermaak in de wet van God, niet alleen vanwege haar heiligheid, maar ook omdat ze hem datgene inscherpt te doen wat het vernieuwde hart vervult met innerlijk vermaak: liefde tot God en Zijn volk.

Maar ik zal niet langer stilstaan bij dit punt, waarover een heel boek geschreven zou kunnen worden. Dit is immers de volle reikwijdte van het Evangelie, dat alle aangename vrucht voortbrengt. Maar ik zal nu verdergaan met mijn derde punt.

III. Zij die het Evangelie tot een leefregel maken, zuiveren van de aanklacht dat ze antinomianen zijn in leer of leven.

Ik houd mij hier aan mijn uitleg van het woord antinomianisme.[2] Want als ik de gangbare betekenis van het woord wil overnemen, zal die ruimer zijn dan uw uitleg van de term, omdat antinomianisme gewoonlijk gezien wordt als een ander woord voor losbandigheid. Daarom zal ik aantonen dat ik geen antinomiaan ben in beginsel of praktijk, niet in de betekenis die ik aan de term geef, noch in enige andere betekenis, waaronder ook die van u.

Ik beschouw antinomianisme dus als een leerstelling of persoon die tegen de wet is en zal proberen te tonen dat ik niet tegen enigerlei wet ben.

Voor zover ik het Woord der waarheid versta, wordt daarin over vijf onderscheiden wetten gesproken.

  1. De nationale wet.
  2. De wet van de consciëntie.
  3. De wet van Mozes.
  4. De voorschriften van het Nieuwe Testament.
  5. De wet des Geestes des levens in Christus Jezus.

Mogelijk wordt er ook over andere wetten gesproken in het Woord der waarheid, maar deze zijn grotendeels begrepen in de vijf wetten die ik heb genoemd. Ik verklaar daarom dat ik noch in beginsel noch in de praktijk tegen een van deze verschillende wetten ben.

1. ‘De nationale wet’. Ik ben echt een trouw onderdaan van de koningin als grondwettelijke vorstin van dit rijk en bewijs alle verschuldigde gehoorzaamheid aan elke wet die ons door de wetgevende macht wordt opgelegd en aan al het wettig ingestelde gezag. Ik geloof dat ik kan zeggen dat ik mij onderwerp aan de hogere machten, omdat ze door God zijn verordineerd, en dat niet alleen om der straffe, maar ook om der consciëntie wil. De apostel handelt over de natuur en de bindende verplichting van deze wet, de wet van het land, in Romeinen 13:1-7. Ik kan hartelijke gehoorzaamheid bewijzen aan alles wat hij ons daar inscherpt. Als we in beginsel anders denken of in de praktijk anders handelen, zijn we in één betekenis van het woord antinomiaans. In de dagen van Judas en Petrus waren er veel van zulke antinomianen; zij worden beschreven als mensen die ‘de heerschappij verachten; die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren’ (2 Petr. 2:10). Ik neem afstand van al deze vormen van antinomianisme in leer en leven, omdat het strijdig is met de voorschriften van het Evangelie.

2. In de tweede plaats is er ook ‘de wet van de consciëntie’, waarover de apostel spreekt in Romeinen 2:14,15. Dit is de ongeschreven wet die geldt voor hen die geen onmiddellijke openbaring van God ontvangen hebben, evenals de heidenen vroeger. Omdat ik begunstigd ben met een openbaring van Gods wil in Zijn Woord, heb ik deze wet niet nodig, want zij wordt vervangen door de openbaring die God van Zichzelf gegeven heeft in de Schriften der waarheid. Ik heb al gesproken over de twee geboden die zijn opgenomen in het Evangelie en daardoor gereguleerd worden. Op dezelfde manier wordt de wet van de natuurlijke consciëntie opgenomen in een geestelijke consciëntie, dat wordt levend gemaakt, verlicht en bestuurd door het Woord der waarheid. In die zin ben ik dus evenmin een antinomiaan in leer of leven, want ik verlang altijd ‘de verborgenheid des geloofs in een reine consciëntie’ te bewaren (1 Tim. 3:9), omdat ik weet dat ik schipbreuk van het geloof kan lijden, als ik een goede consciëntie verstoot (1 Tim. 1:19).

3. Daarnaast is er ‘de wet van Mozes’, waartegen wij bijzonder vijandig zouden zijn en waaraan wij volgens u de naam antinomiaans ontlenen. Ik ben niet tegen deze wet, hoewel ik haar niet beschouw als leefregel voor een gelovige, want de wet heeft heel belangrijke toepassingen, en daarom kan ik niet tegen de wet zijn, zolang ze tot die toepassingen wordt beperkt. De apostel zegt nadrukkelijk: ‘Doch wij weten dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt’ (1 Tim. 1:8). We zien dus dat de wet goed is als iemand die wettelijk gebruikt, en dat ze niet terzijde geschoven of veracht moet worden. Ik zal nu kort laten zien hoe de wet gebruikt moet worden. Let intussen ook op de woorden van de apostel: ‘En hij dit weet, dat den rechtvaardige de wet niet is gezet’ (1 Tim. 1:9). Hoe kan de wet dan gemaakt worden tot een leefregel voor de gelovige die, zoals u zult erkennen, een rechtvaardige is? Hij is rechtvaardig in Christus en daarom kan de wet hem niet verdoemen. Hij wordt geleid door de Geest en daarom kan de wet niet over hem heersen. Hij is in Christus Jezus en daarom is er geen verdoemenis voor hem (Rom. 8:1). Hij wordt geleid door de Geest en daarom heeft hij een betere Gids.

Toch heeft de wet toepassingen, ja, belangrijke toepassingen.

a. De wet wordt in de handen van de Geest gebruikt om te overtuigen van zonde en om allen te veroordelen die daaronder gevonden worden. Zo wordt de wet ‘wettelijk gebruikt’, dat is, volledig in overeenstemming met haar oorspronkelijke openbaring. Want ‘zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld’ (Gal. 3:19), ‘opdat de zonde bovenmate werd zondigende door het gebod’ (Rom. 7:13). Het gevolg hiervan is schuld en veroordeling. Dit is het argument van de apostel: ‘Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde’ (Rom. 3:19,20). Hoe kan ik dan tegen de wet zijn? Door de wet is immers de kennis der zonde. Het voelen van de zonde is het allereerste begin van de levende godzaligheid. Daardoor leren wij de toorn van God, die wij als zondaren verdienen, zien en gevoelen. Als er geen gezonde overtuiging van zonde is, is er geen ware kennis van de zaligheid. Het is dus nodig om bevindelijk de geestelijkheid van de wet te kennen, opdat onze mond gestopt worde en we schuldig voor God neervallen. Als de wet dit heeft gedaan, heeft ze haar taak volbracht en kan ze niets meer doen. In die zin zijn we ‘onder de wet in bewaring gesteld’ en besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. Zo is de wet onze tuchtmeester en op haar school leren we veel pijnlijke en toch zeer noodzakelijke lessen (Gal. 3:23,24). Maar nadat het geloof gekomen is, gewerkt door het Evangelie dat met kracht komt (Rom. 1:16,17), zijn we niet langer onder de tuchtmeester. We worden kinderen van God door het geloof in Christus Jezus, en nu we aldus in Christus gedoopt zijn, doen we Christus aan (Gal. 3:25-27).

b. De wet wordt ook ‘wettelijk gebruikt’, als haar verschrikkingen en bedreigingen gericht worden tegen ‘den onrechtvaardigen en den halsstarrigen’, voor wie zij gezet of gemaakt is (1 Tim. 1:9). Zij zijn onder de wet, beide als verbond en als regel. Daarom zijn zij gebonden aan haar voorwaarden, onderhevig aan haar eisen, onderworpen aan haar heerschappij en blootgesteld aan haar vloek.

c. De wet wordt ‘wettelijk gebruikt’ als ze de leefregel wordt genoemd voor alle wettische belijders, alle kinderen van de dienstmaagd, die uit de wil des vleses en de wil des mans, maar niet uit God geboren zijn (Joh. 1:13; Gal. 4:22-30). Al deze mensen dragen het juk der dienstbaarheid om hun nek. Zij weten niets van de vrijheid van het Evangelie, en daarom bespotten en vervolgen zij Gods kinderen die vrij zijn, zoals Ismaël Izak bespotte (Gen. 21:9; Gal. 4:29). Ze noemen hen ‘antinomianen, dwepers, gevaarlijke en afschuwelijke mensen, voorstanders van losbandigheid’, enzovoorts. Als wij deze lasteraars voor hun eigen rechtbank brengen, zoals Paulus doet met de Joden (Rom. 2:17-29), en aan hun eigen regel toetsen, dan gebruiken wij de wet wettelijk. Zo kunnen we zeggen tegen allen die de wet tot een leefregel maken: ‘Zie, gij wordt een [belijder] genaamd, en rust op de wet, en roemt op God, en gij weet Zijn wil, en beproeft de dingen die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet; en gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen die in duisternis zijn, een onderrichter der onwijzen en een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet. Die dan een ander leert, leert gij uzelven niet?’ (Rom. 2:17-21). Als u de wet tot een leefregel maakt, moet u daarnaar handelen. Heb uw naaste lief als uzelf en vervolg hem niet met valse beschuldigingen, opdat u niet onder dat vonnis valt: ‘Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit’ (Ps. 50:20). We gebruiken de wet dus wettelijk, als we de voorstanders van de wet toetsen aan hun eigen regel en hen zo uit hun eigen mond oordelen, zoals de heer met de luie dienstknecht deed (Luk. 19:22). Ik ben dus niet tegen de wet, zolang zij ‘wettelijk gebruikt’ wordt. Daarom kan ik in deze zin geen antinomiaan genoemd worden, hetzij in principe of praktijk.

Bovendien heb ik al aangetoond dat ‘liefde’- de grote vrucht van het Evangelie – ‘de vervulling der wet’ is en dat ‘het einde des gebods (dat is, de wet) is liefde uit een rein hart en uit een goede consciëntie en uit een ongeveinsd geloof’. Helaas moet ik hieraan toevoegen dat velen zijn ‘afgeweken’ van deze reine liefde, deze ‘goede consciëntie’ (goed omdat het gereinigd is) en dit ‘ongeveinsd geloof’, wat de wet nooit gaf of kon geven, en ‘hebben zich gewend tot ijdelspreking; willende leraars der wet zijn, niet verstaande noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen’ (1 Tim. 1:5-7). Ik ben er niet zeker van dat zij niet onder deze bestraffing vallen, die leren en preken dat we verlost zijn van de wet als verbond, maar eraan gebonden als leefregel. Ik zou hen willen vragen of zij een betere regel weten waarnaar een christen kan wandelen, dan liefde, reinheid, een goede consciëntie en een ongeveinsd geloof, en of dit evangelische vruchten of wettische plichten zijn.

Daarom moet ik niet als antinomiaan beschouwd worden, hetzij volgens uw definitie van de term of de mijne. Want ik leef naar de geest van de wet door te leven naar het Evangelie en ik geef acht op al haar specifieke aanwijzingen, volgens de uitleg van de apostel (Rom. 13:8-10). Nadat hij de geboden één voor één opgenoemd heeft, vat hij ze alle samen in de verklaring dat ‘de liefde de vervulling is’ van alle geboden. Als ik dan mijn naaste liefheb door de liefde van God die in het hart uitgestort is, hoe kan dan van mij gezegd worden dat ik een vijand van de wet ben, hetzij wat betreft haar geest of haar voorschriften? De belangrijkste zegen van het Evangelie bestaat deels hieruit dat het ieder voorschrift dat de wet ons heeft gegeven, omvat en bekrachtigt met de hoogste beweegredenen. Daarom kan er niet van mij gezegd worden dat ik tegen de wet ben, als ik wandel naar het Evangelie, dat niet alleen alle voorschriften van de wet omvat, maar ook de kracht geeft om ze te volbrengen. Kunt u één ding noemen dat door de zedelijke wet wordt bevolen en waar ik tegen ben? Dan mag u mij een antinomiaan noemen, hetzij in beginsel of praktijk, maar anders niet.

4. Ook ben ik geen antinomiaan omdat ik mij zou verzetten tegen ‘de voorschriften van het Evangelie’ en de praktijk van het leven die de gelovigen daardoor wordt opgelegd. Ik gebruik gewoonlijk het woord antinomiaan om daarmee een geest of wandel aan te duiden die zorgeloos, genotzuchtig, losbandig of zedeloos is en daarom strijdig met de heiligmaking die het Evangelie beveelt, en zonder welke niemand de Heere zien zal. Het kan zijn dat ik droevig faal en tekortschiet in evangelische gehoorzaamheid, en dat is ook inderdaad zo. Maar ik kan beslist geen antinomiaan in principe genoemd worden, als ik de voorschriften van het Evangelie aanvaard als mijn leidende regel.

5. Ook kan ik geen antinomiaan genoemd worden omdat ik tegen ‘de wet des Geestes des levens in Christus Jezus’ zou zijn. Ik heb immers al aangetoond dat deze de inwendige, leidende regel van een gelovige is en volkomen in overeenstemming met het geïnspireerde Woord der waarheid. Ik weet zeker dat ik niet onvruchtbaar zal zijn in alle goed woord en werk, als ik bekwaam gemaakt word om te luisteren naar de onderwijzingen en de waarschuwingen van de gezegende Geest in mijn hart en daardoor geleid word.

Ik zou hier nog veel meer aan kunnen toevoegen. Het is echter tijd om een eind te maken aan deze lange brief. Als u door mijn woorden niet overtuigd bent dat ik geen antinomiaan ben, zal ik u ook niet kunnen overreden door een brief die twee keer zo lang is. Daar ben ik goed van overtuigd. Want hoewel ik mijn betoog langer en ook krachtiger zou kunnen maken, door mij uitvoeriger te beroepen op de Schrift en de bevinding, zou ik toch slechts hetzelfde spoor van de waarheid kunnen volgen.

Ik wens u de genieting van iedere nodige genade; zo ben ik zeer oprecht de uwe, J.C.P. – Stamford, augustus 1860

 

Derde brief; Geachte heer,

U wilt schijnbaar heel graag weten hoe ik over ‘morele verplichting’ denk. Omdat u verkeerd bent geïnformeerd over de aard van mijn gevoelens op dat punt, wil ik u nu zo kort en duidelijk mogelijk mijn opvattingen daarover geven. We verschillen van opvatting over de wet als leefregel voor gelovigen. Zeer waarschijnlijk zullen we dus ook verschillend denken over het onderwerp dat ik nu wil bespreken. Het is echter fijn dat we het over één punt volkomen eens zijn: het principe van de morele verplichting moet helemaal los gezien worden van die verbondsbetrekking waarin de gelovigen voor God staan, als begenadigd in de Geliefde. Waarschijnlijk ziet u echter niet dat u door deze erkenning feitelijk het punt opgeeft waarvoor u zo vurig hebt gestreden, namelijk dat de wet de leefregel van de gelovige is. Want de morele verplichting en de wettische verplichting zijn zo nauw met elkaar verbonden, dat als de morele verplichting los gezien moet worden van de verbondsbetrekking, dat ook geldt voor de wettische verplichting. Als dat zo is, kan de wet terstond geen enkele aanspraak meer maken op hen die door het geloof een bevindelijk aandeel hebben in het verbond der genade. Alle waarheid is harmonieus, hoewel het verband niet altijd duidelijk gezien wordt. Als we eenmaal hebben leren zien en geloven dat er een genadeverbond is en dat God een uitverkoren, eigen volk heeft, tot wie Hij in een andere betrekking staat dan tot andere mensen, dan volgen daaruit alle consequenties waarvoor ik heb gepleit. Te weten, dat genade en niet de werken, het Evangelie en niet de wet, het leidende, regelende principe van Gods volk wordt. Ik zal mij nu richten op de overdenking van de ‘morele verplichting’. Daarbij zal ik proberen aan te tonen wat de natuur, de reikwijdte en de betekenis daarvan is voor alle mensen in het algemeen en voor Gods volk in het bijzonder.

Omdat ik het onderwerp zo duidelijk mogelijk wil behandelen, zal ik eerst een definitie geven van de termen die ik gebruik. Voor nog grotere duidelijkheid en nauwkeurigheid zal ik tegelijkertijd laten zien op welke principes deze morele verplichting naar mijn mening is gebaseerd.

I. Onder ‘verplichting’[3] versta ik, volgens de afleiding van het woord,[4] een bindend voorschrift. Met ‘moreel’ bedoel ik dat deze verplichting niet ‘natuurkundig’ is, zoals de wet waardoor een steen op de grond valt, niet ‘fysiek’, zoals een paard gedwongen wordt om zijn berijder te dragen, en niet louter ‘intellectueel’, zoals het verstand verplicht wordt om wiskundig bewijs te aanvaarden. Maar deze verplichting verbindt ons tot gehoorzaamheid; ze is gegrond op het moreel vermogen dat de mens bezit en dat wij consciëntie of moreel besef noemen.

II. Deze definitie brengt ons bij het principe waarop onze morele verplichting is gegrond. Naar mijn mening is zij gebaseerd op de betrekking waarin de mens als redelijk schepsel staat tot zijn Maker. Bovendien is de mens niet alleen met verstand maar ook met een morele consciëntie begiftigd. Zo is hij in zijn oorspronkelijke schepping bekwaam gemaakt om dat grote en heerlijke Wezen, uit Wiens hand hij voortkwam, te dienen, te gehoorzamen en te aanbidden.

Twee dingen worden van onze eerste vader gezegd in het Woord der waarheid. Ik denk dat we daar aandacht aan moeten besteden, als we ten volle willen begrijpen op welk fundament de morele verplichting rust.

  1. Adam is geschapen naar Gods beeld, waaronder ik versta dat hij in verstandelijk en zedelijk opzicht op zijn Schepper leek. Ik geloof niet dat Adam een geestelijk mens was, dat wil zeggen, dat hij dezelfde geestelijke gaven en genade bezat die nu geschonken worden aan Gods uitverkorenen. Dit zijn immers zegeningen van het nieuwe verbond waarin hij niet deelde, tenminste niet in zijn oorspronkelijke schepping. Hij was echter begiftigd met verstand en rede en bezat een volmaakte reinheid, oprechtheid, onschuld en absolute vrijheid van zonde. In dat opzicht was hij geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God.
  1. Het tweede dat van hem vermeld wordt, is dat hij na zijn schepping een plaats kreeg in de hof van Eden en daar gesteld werd onder de wet, dat is, onder een uitdrukkelijke toelating en uitdrukkelijke verboden: ‘En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten; maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven’ (Gen. 2:16-17). Kijk dan naar onze eerste vader, zoals hij daar voor God stond als ons natuurlijke verbondshoofd. Sla hem gade in het bezit van drie dingen:

a. Hij bezat het grootste, helderste verstand en was niet alleen met denkvermogen begiftigd, maar ook met het vermogen om zijn gedachten tot uitdrukking te brengen. Dat bleek toen hij onmiddellijk alle levende schepselen kende en een naam gaf. Zo kon hij ook zijn Goddelijke Maker bevatten en aanroepen.

b. Hij was bedeeld met een consciëntie, zodat hij God kon dienen en gehoorzamen met zijn verstand en zijn hart.

c. Hij had een uitdrukkelijke verklaring van de wil van zijn Maker ontvangen. Zo was hij onder de wet gesteld en was hem een regel voorgesteld waarnaar zowel zijn verstand als zijn consciëntie konden handelen.

Omdat ik u de brede grondslag wilde laten zien waarop de morele verplichting rust, ben ik stap voor stap teruggegaan tot dit fundament. Want als we op deze fundamentele grondslag geen helder zicht hebben, kunnen we ons geen recht begrip vormen van de aard van deze verplichting of Gods erkenning daarvan.

III. We hebben gelet op onze eerste vader en gezien hoe en waarom hij krachtens zijn oorspronkelijke schepping onder een verplichting was gesteld om God te dienen en te aanbidden. Nu zullen we hem zien na de val, waarin hij dat beeld van God waarnaar hij geschapen was, volkomen heeft verloren en, zoals de Schrift zegt, ‘dood door de misdaden en de zonden’ is geworden. Op dit punt kan in onze gedachten al gauw enige verwarring ontstaan. Want als we Adam zien als gevallen mens, kan gemakkelijk de veronderstelling post vatten dat hij daardoor in een andere betrekking tegenover God is gekomen. Zijn staat was echter wel veranderd, maar níet zijn betrekking. Dit zijn twee volkomen verschillende dingen, die daarom niet verward moeten worden. Hij stond niet langer in zijn natuurlijke onschuld, want daaruit was hij zeer jammerlijk gevallen. Maar hij was nog steeds het schepsel van Gods hand en als zodanig verplicht om gehoorzaamheid te bewijzen. Door de val verkeerde hij niet meer in zijn oorspronkelijke staat en waren al zijn verstandelijke en zedelijke vermogens aangetast. Zo beroofde de val hem van de macht om een zuivere gehoorzaamheid te bewijzen, maar ontsloeg hem niet van de eis. De zonde deed zijn vermogens niet teniet, hoewel zij zijn natuurlijke onschuld volslagen ruïneerde. Hij bezat nog steeds verstand, hoewel het verduisterd was; hij bezat nog steeds een consciëntie, hoewel het aangetast was. Uit het hele rechtsgeding (zoals we dat kunnen noemen) dat in het paradijs plaatsvond na de val, blijkt duidelijk dat God met Adam en zijn vrouw handelde als zedelijke schepselen. Later zegt Hij tegen Kaïn: ‘Is er niet, indien gij wel doet, verhoging? en zo gij niet wel doet, de zonde ligt aan de deur’ (Gen. 4:7). Deze woorden laten net zo duidelijk zien dat God de gehoorzaamheid van de mens eist en zijn ongehoorzaamheid straft, hoewel hij gevallen is. U ziet dus dat de mens wel zijn macht heeft verloren om te gehoorzamen, maar dat God niet Zijn macht heeft verloren om te bevelen.

Ik heb hier een uitgesproken mening over. Niet alleen omdat dit zo duidelijk verklaard is in het Woord der waarheid, maar ook omdat ik zie wat de ontzaglijke gevolgen zouden zijn van een leer die hiermee in strijd is. De overtuiging dat zonde ons zou ontslaan van onze verplichting om te gehoorzamen, zou leiden tot het verschrikkelijke dogma dat een mens minder schuldig is naarmate hij meer zondigt. Indien we dit als uitgangspunt nemen, zou de nationale wet minder geldingskracht hebben voor een misdadiger, naarmate hij meer roofde en moordde. Hoe groter zijn misdaad, hoe meer hij zijn vrijspraak zou kunnen eisen. Misschien lijkt dit een extreem geval. Maar ik heb welbewust dit voorbeeld aangehaald, omdat ik geloof dat een waarheid het best bewezen kan worden door eerst duidelijk te maken op welk fundament ze rust en vervolgens de consequenties te schetsen die moeten voortvloeien uit de ontkenning van deze waarheid. Ik heb uitgebreid stil gestaan bij het oorspronkelijke principe van de morele verplichting. Want ik weet dat algemeen gedacht wordt dat wij wetteloze antinomianen zijn, omdat we niet geloven dat de wet een leefregel voor de gelovige is en dat we alle begrip van goed en kwaad verwarren, mensen ontslaan van elke verplichting tot gehoorzaamheid en de deur openzetten voor de snoodste losbandigheid.[5]

IV. We kunnen deze morele verplichting ten volle aanvaarden en toch iets nader onderzoeken wat de reikwijdte ervan is en of daar geen verschil in kan zijn. Mogelijk heb ik op dit punt een andere opvatting dan u. Naar mijn mening is de reikwijdte van de morele verplichting grotendeels afhankelijk van de mate van het licht dat iemand in zijn huidige toestand geniet. Laten we aannemen, en dat moeten we uiteraard doen, dat God de ‘Rechter over allen’ is (Hebr. 12:23) en dat de ‘Rechter der ganse aarde’ recht moet doen (Gen. 18:25). Dan zijn we wel verplicht te geloven dat er omstandigheden zijn die bepalend zijn voor dit vonnis. Dat Hij de Rechter van allen is, betekent dat God als Rechter van het heelal geen despotisch vorst is, maar handelt op grond van bepaalde rechtvaardige en erkende principes. Zo lezen we dat ‘de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken’ (Openb. 20:12). Daniël zag de ‘Oude van dagen’ zitten op Zijn troon en ‘het gericht zette zich, en de boeken werden geopend’ (Dan. 7:9,10). De apostel zegt ons ook dat ‘wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2 Kor. 5:10). Uit deze Schriftplaatsen leiden we af dat er een laatste oordeel van alle mensen zal zijn en dat ze geoordeeld zullen worden uit de boeken, naar hun werken. Dit alles lijkt in te houden dat er een oordeel zal zijn dat afhankelijk is van de omstandigheden en dat de mensen niet als één grote massa verdoemd zullen worden, maar geoordeeld zullen worden naar hun werken. Duidelijk is dat deze werken in de onwedergeboren mensen allemaal kwaad zijn. Maar als ze allemaal even slecht waren, waarom zou het dan nodig zijn dat er daarnaar geoordeeld wordt? Hieruit lijken we dus af te kunnen leiden dat er een meetlat langs hun werken wordt gelegd. Duidelijk is dat alle mensen verplicht zijn om te gehoorzamen. Immers, op welk principe zouden ze geoordeeld kunnen worden, als er geen verplichting tot gehoorzaamheid op hen rustte? Het lijkt mij niet billijk dat deze verplichting in alle gevallen precies hetzelfde zou inhouden. De Heere Zelf brengt immers onderscheid aan tussen de dienstknecht die de wil van zijn heer geweten heeft, en de dienstknecht die hem niet geweten heeft. Beide dienstknechten werden met slagen geslagen, maar de laatste dienstknecht kreeg minder slagen. De Heere heeft ons toen als belangrijkste regel om naar te oordelen voorgehouden dat veel geëist zal worden van hem aan wie veel gegeven is (Luk. 12:48). Als dat zo is, lijkt er een verschil te zijn in verplichting, afhankelijk van de mate van licht die geschonken is. De Heere zegt dat het Sódom en Gomórra verdraaglijker zal zijn in de dag des oordeels dan de stad die de bediening van de apostelen verwierp (Matth. 10:15). Ook verklaart Hij dat deze dag verdraaglijker zal zijn voor Tyrus en Sidon dan voor Chorazin en Bethsáïda en voor het land van Sódom dan voor Kapérnaüm (Matth. 11:21-24). Waarom zou dat zo zijn, als die steden geen groter licht geschonken was door de prediking van de gezegende Heere en Zijn discipelen? Schijnbaar is er verschil in trap en mate van de zonde, afhankelijk van ons overtreden tegen meer of minder licht. Maar wat is zonde anders dan ongehoorzaamheid, en wat is de morele verplichting anders dan een verplichting tot gehoorzaamheid van de mens? Als dit waar is, lijkt de mate van onze verplichting afhankelijk te zijn van de mate van licht. Voorbeelden zijn soms duidelijker dan argumenten.

Beschouw daarom de volgende voorbeelden als bewijs.

  1. Kijk eerst naar ‘de heidenen’. Om te wandelen in het voetspoor van de Schrift, moet u vooral letten op die heidenen van wie de apostel zegt dat ze ‘niet te verontschuldigen zouden zijn’ (Rom. 1:20). Waarom waren ze niet te verontschuldigen? Het was om deze reden dat de ‘onzienlijke dingen’ van God, waardoor bedoeld wordt ‘Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid’, zo duidelijk waren geopenbaard in de wonderen van de schepping, dat ze Hem als God hadden moeten verheerlijken door Hem gehoorzaamheid te bewijzen en Hem te danken voor Zijn weldaden in de voorzienigheid (Hand. 14:17). Zo heeft God Zich niet onbetuigd gelaten, zelfs niet voor de heidense wereld. Naast dit uitwendige licht was er het inwendige licht van de natuurlijke consciëntie, waardoor ze een wet hadden die geschreven was in hun hart (Rom. 2:14,15). Dit was dus hun oordeel, dat zij zondigden tegen het licht dat ze hadden, zowel in- als uitwendig. In plaats dat zij de Schepper eerden en dienden, veranderden zij de waarheid Gods in een leugen. Zij aanbaden de afgoden, ja, bogen zich neer voor gevogelte en viervoetige en kruipende gedierten. God te gehoorzamen en te aanbidden, naar het licht dat zij van Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid bezaten, was dus de reikwijdte van hun verplichting. Want naar de reikwijdte van hun verplichting wordt hun zonde afgemeten. De apostel zegt niets over Gods eis om Hem lief te hebben op grond van Zijn heerlijke volmaaktheden, of over hun plicht om een wet te gehoorzamen waarvan ze nooit gehoord hadden, of over hun geloven in een Evangelie dat hen nooit was verkondigd. Maar hij verklaart hen schuldig omdat ze niet gehoorzaam zijn geweest aan de inwendige wet die wat betreft goed en kwaad geschreven was in hun hart, omdat ze Zijn macht als hun grote Schepper niet erkend hebben en omdat ze Hem niet dankbaar zijn geweest als hun zeer milde Weldoener.
  1. Neem nu het voorbeeld van ‘de Joden’, zoals de apostel dat behandelt in Romeinen 2:17-19. Als nakomeling van Abraham, als iemand die in een uitwendig verbond met God stond en vooral als begunstigd met de Schriften van het Oude Testament, had de Jood een veel grotere mate van licht ontvangen, want hem waren de ‘woorden Gods toebetrouwd’. Hij was ‘onderwezen uit de wet’, wist Gods geopenbaarde wil en beproefde de dingen die daarvan verschilden (Rom. 2:18). Omdat hij een grotere mate van licht had, was zijn morele verplichting ook evenredig toegenomen. Hij was verplicht om Gods wet te gehoorzamen, zoals die door Mozes was gegeven, evenals de heiden verplicht was om de wet van de consciëntie te gehoorzamen. Zijn zonde was dus veel groter dan de zonde van de heiden, evenredig aan zijn grotere mate van licht. Als we dit niet erkennen, lopen we groot gevaar dat we niet alleen een groot deel van Gods waarschuwingen en bedreigingen bij monde van Zijn knechten, de profeten, verkeerd verstaan, maar zelfs ook sommige van Gods meest heldere en duidelijke uitspraken ontkennen. Neem als voorbeeld ter illustratie van dit punt de aanbidding van het gouden kalf. Zou iemand durven zeggen dat de zonde van deze afgodendienaars niet zeer verzwaard werd door de duidelijke openbaring van de wet op de berg Sinaï en vooral door de uitvaardiging van het tweede gebod onder de ontzaglijke sancties die gepaard gingen met de bekendmaking van die vurige bedeling? Rustte op de kinderen Israëls niet een veel zwaardere verplichting om God te dienen en te aanbidden, naar het licht dat hen gegeven was, dan bijvoorbeeld met de Egyptenaars het geval was? Zo niet, waarom was de Heere dan zo vertoornd dat Hij zei tegen Mozes: ‘Laat Mij toe dat Mijn toorn tegen hen ontsteke’? En waarom sprak Mozes dan: ‘Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben’ (Ex. 32:10,31)? Ik wil niet zeggen dat omdat de kinderen Israëls een duidelijker openbaring van de wil van God hadden, zij daardoor een groter vermogen kregen om die te gehoorzamen. Daar gaat het niet om. Het punt is of er verschil is in de zwaarte van de morele verplichting en of die afgemeten wordt naar de grotere mate van licht.
  1. Laten we voor meer duidelijkheid een ander voorbeeld nemen, waarop ik al eerder heb gezinspeeld. Ik bedoel de situatie van ‘de Jood die leefde in de tijd dat de Heere op aarde verscheen’. Toen werd er een grote mate van uitwendig licht gegeven, zodat ‘het volk dat in duisternis zat, een groot licht heeft gezien; en dengenen die zaten in het land en de schaduw des doods, denzelven een licht is opgegaan’ (Matth. 4:16). Op hen rustte een zwaardere eis om te gehoorzamen, want ook in hun geval hing de mate van hun zonde af van de mate van hun verplichting. De zonde van hen die Christus’ wonderen aanschouwden en Christus’ woorden hoorden, en Hem toch verwierpen als de beloofde Messias, werd ongetwijfeld zeer vergroot door de grotere mate van licht waarvoor ze hun ogen sloten. Als de morele verplichting een verplichting is om te gehoorzamen, moet er een zwaardere verplichting gerust hebben op de Jood die zag dat Lazarus werd opgewekt uit de doden, dan op een arme heiden die Christus nooit gezien of gehoord had. Daarom zei de Heere: ‘Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde’ (Joh. 15:24). Eveneens: ‘Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; zo blijft dan uw zonde’ (Joh. 9:41). Iedereen zal toegeven dat de zonde van de Joden werd verzwaard door het licht dat uitblonk in Zijn heerlijke Persoon als de beloofde Messias, wat meer in het bijzonder duidelijk werd door de grootheid van Zijn wonderen, de zuiverheid en duidelijkheid van Zijn leer en de smetteloze heiligheid van Zijn leven. Hoe zou hun zonde groter kunnen worden, tenzij hun verplichting daardoor zwaarder werd? Wat vergrootte deze verplichting anders dan de overvloediger mate van licht? Als God geen recht had op onze gehoorzaamheid, zou het geen zonde zijn als we Hem die ontzegden. Daarom, in lijn met deze redenering, hoe meer recht God heeft op onze dienst, hoe groter onze zonde als wij die weigeren. Zonder een dergelijk uitgangspunt maken wij alle zonden gelijk en alle overtreders even grote zondaren. Dit is een conclusie die niet alleen onverteerbaar is voor het gezonde verstand, maar ook voor het oordeel van ieders consciëntie, en die zeker in strijd is met iedere uitspraak van Gods mond.

 

  1. Laten we nu een vierde voorbeeld overdenken, ‘iemand die in onze dagen leeft en meer in het bijzonder onder de klank van de waarheid van het Evangelie’. Hij heeft een grotere mate van licht, en daarom rust op hem een grotere mate van verplichting. Als dat niet zo zou zijn, hoe kon dan zijn zonde groter worden door de mate van zijn licht en door zijn moedwillig zondigen daartegen? De aanvaarding van het leerstuk van de morele verplichting houdt voor mij dus in dat zij verandert, of beter gezegd toeneemt, naargelang de geschonken mate van licht.

U zult begrijpen dat dit alles geheel onderscheiden is van de verbondsbetrekking en het werk van de Geest van God in het hart. De morele verplichting geldt voor de mens zoals hij oorspronkelijk geschapen is naar Gods gelijkenis, begiftigd met verstandelijke en zedelijke vermogens die hem bekwaam maakten om zijn Maker een volmaakte gehoorzaamheid te bewijzen. Welke verwarring of meningsverschillen er ook mogen bestaan over de eisen die God aan de mens stelt sinds de val, iedereen zal toestemmen dat Adam verplicht was te gehoorzamen naar het licht dat hem geschonken was en de wet waaronder hij gesteld was. Laat ik proberen de verwarring weg te nemen, waardoor het verstand vaak wordt verduisterd en de waarheid van God versluierd. Het komt mij voor dat we tot een van de volgende drie conclusies moeten komen, als we letten op de betrekking waarin de mens tot God staat sinds de val.

a. De mens heeft alle macht om te gehoorzamen verloren, daarom heeft God alle gezag om te bevelen verloren. Deze opvatting zou God onrechtvaardig maken in het straffen van de zondaar omdat hierdoor elke morele verplichting wordt ontkend, van welke aard dan ook.

b. De eis die God heeft gesteld wat betreft de gehoorzaamheid van de mens, is in wezen onveranderlijk. Er kan dus geen verschil in de reikwijdte van de morele verplichting ontstaan uit een meer of minder grote mate van licht. Dat maakt alle zonden gelijk en dan zijn de mensen die Christus gekruisigd hebben, geen grotere zondaren dan de mensen die murmureerden in de woestijn.

c. Hoewel Gods eis even streng blijft, verschilt de reikwijdte van de verplichting in verhouding tot de mate van licht en kennis.

Dit laatste punt is mijn opvatting, hoewel ik weet dat er enige moeilijkheden aan kleven. Omdat dit standpunt echter de middenweg is tussen twee onmiskenbare, hoewel tegenovergestelde dwalingen, denk ik dat dit het best overeenkomt met de stem van de waarheid in het Woord en in onze consciënties. Ik hoef niet ver te gaan om dit te bewijzen. Zondigen tegen licht en kennis is ongetwijfeld erger, en wordt ook erger gevoeld, dan onwetend zondigen. De Heere Zelf maakte onder de wet onderscheid tussen onopzettelijke en opzettelijke zonden. ‘En indien één ziel door afdwaling gezondigd zal hebben, die zal een eenjarige geit ten zondoffer offeren. En de priester zal de verzoening doen over de dwalende ziel, als zij gezondigd heeft door afdwaling voor het aangezicht des HEEREN, doende de verzoening over haar; en het zal haar vergeven worden’ (Num. 15:27,28). Er was een voorziening getroffen voor de zonde van onwetendheid, maar wat zei de Heere over de zonde van aanmatiging? ‘Maar de ziel die iets zal gedaan hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt den HEERE; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk’ (Num. 15:30). Welke spitsvondige redeneringen het gemoed dan ook in verwarring kunnen brengen, de consciëntie die aan de kant van de waarheid staat, als een inwendige getuige voor God, voelt dat de zonde verzwaard wordt als ze is bedreven tegen meer licht en kennis. Dit wordt nooit scherper gezien of pijnlijker gevoeld dan wanneer God door Zijn Heilige Geest het gericht stelt naar het richtsnoer en de gerechtigheid naar het paslood.

V. Om te voorkomen dat mijn bedoeling verkeerd wordt begrepen, wil ik vooral zeggen dat de morele verplichting volledig onderscheiden moet worden van verschillende zaken waarmee ze soms wordt verward.

  1. Deze verplichting veronderstelt of betekent niet dat de gevallen mens enig vermogen heeft om God een Hem aangename gehoorzaamheid te bewijzen. Dit ontkennen we absoluut. De gehele menselijke natuur is door de val zo ernstig aangetast dat hij God niet meer zo kan dienen dat hij door Hem aangenomen wordt. Zo zegt Jozua tegen de kinderen Israëls: ‘Gij zult den HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God’ (Joz. 24:19).
  1. Het leerstuk van de morele verplichting veronderstelt of betekent evenmin dat natuurlijke mensen worden opgeroepen om zaligmakend te geloven in de Heere Jezus Christus. Het levende geloof is geen plicht, maar een genadegave, een vrucht van de gezegende Geest, die uit de diepten van eeuwige liefde en genade naar Gods uitverkorenen vloeit. Daarom wordt het geloof niet als een schuld geëist van hen die daarin geen aandeel hebben. God heeft wel zulk een overvloedig getuigenis aan de waarheid van het Evangelie gegeven, dat de mensen geen verontschuldiging kunnen aanvoeren als ze aan hun overige zonden ook nog ongeloof toevoegen. Hiervoor krijgen zij hun rechtvaardige en verdiende straf. Lijkt dit een harde leer? Denk dan aan het voorbeeld van de Joden die lang geleden leefden. Toen onze gezegende Heere Jezus onder hen verscheen als de beloofde Messias, hebben zij Hem verworpen en gekruisigd. Daarvoor werden zij rechtvaardig gestraft en verworpen, en werd hun stad en tempel onder de voet gelopen. Maar kónden zij geloven? Wat zegt de Heilige Geest door middel van de pen van Johannes? ‘Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft: Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze’ (Joh. 12:39,40). Er zijn dus twee uitersten en beide wil ik graag mijden.

a. Het standpunt van de arminianen: als mensen gestraft worden vanwege ongeloof en ongehoorzaamheid, moeten ze dus het vermogen hebben om te geloven en te gehoorzamen.

b. Het standpunt van de antinomianen: als mensen niet het vermogen hebben om te geloven of te gehoorzamen, geldt dat als een verontschuldiging voor ongeloof en ongehoorzaamheid.

De eerste opvatting maakt de morele verplichting tot een deel van het Evangelie, de tweede ontkent de morele verplichting volledig.

  1. De morele verplichting is in geen geval verbonden met de leefregel waaronder de gelovigen zijn gesteld. Zij staan onder een hogere en edeler verplichting, omdat het een geestelijke en genadige regel is. De apostel zegt: ‘De liefde van Christus dringt ons’ (2 Kor. 5:14). Dit is de zilveren band, het gouden koord, dat hen verbindt tot geloof en gehoorzaamheid. Zij zijn zonen en geen dienstknechten; zij zijn niet onder de wet, maar onder de genade, daarom hebben zij geen morele maar een geestelijke verplichting. Het is hun vermaak om Gods wil te doen vanuit hun hart, om te leven onder de toelachingen van Zijn liefhebbend aangezicht en om als duurgekochten God te verheerlijken in hun lichaam en in hun geest, welke Godes zijn (1 Kor. 6:20). De ogen van hun verstand zijn verlicht van boven, en daarom kunnen zij zien met een nieuwe geest. Zij zijn gezegend met een consciëntie die teder gemaakt is in de vreze Gods en daarom hebben zij een nieuw hart om gevoel te hebben. Zij zijn begunstigd met Gods liefde in zoete genieting en daarom hebben zij nieuwe genegenheden, die gericht zijn op de plaats waar Jezus zit aan de rechterhand van God en hen opheffen van de aarde naar de hemel. De gelovigen in Christus zijn dus niet onder de wet van de natuur en de consciëntie zoals de heidenen en evenmin onder de wet van Mozes zoals de Joden, maar onder de genade van het Evangelie en het onderwijs en de leiding van de gezegende Geest. Daarom geloof ik dat ze niet onder de morele verplichting staan, maar onder een geestelijk voorrecht. Als ze onder de morele verplichting stonden zoals andere mensen, dan zou er geen vergeving zijn voor hun zonden of genezing voor hun afkeringen. Ze zouden nog onder de wet en het recht staan en daarom als overtreders gestraft worden. Maar nu geldt: ‘Indien iemand (dat is, een gelovig mens) gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige; en Hij is een Verzoening voor onze zonden’ (1 Joh. 2:1,2). Als ze dus zondigen (‘want geen mens is er die niet zondigt’), worden ze niet veroordeeld en weggestuurd als dienstknechten, maar gekastijd en bestraft als zonen. Dit is immers de hele inhoud van het verbond der genade (Ps. 89:31-35; Hebr. 12:6-11). Zo worden ze gebracht tot berouw en droefheid naar God over de zonde. Als de gelovige in Jezus dus verlost is van de morele verplichting, is dat niet opdat hij zou zondigen, maar hij is daar op dezelfde wijze van verlost als van de wet als zijn bindende regel, opdat hij niet zou zondigen. In feite is de morele verplichting slechts een andere term voor de wettische verplichting, met dit verschil dat de morele verplichting een bredere betekenis heeft, omdat het zowel de wet van de natuur en van de consciëntie als de wet van Mozes omvat.

In mijn vorige brief heb ik laten zien hoe het Evangelie als een wet van vrijheid en liefde de wet van Mozes heeft vervuld en insluit en zo de leefregel van de gelovige is geworden. Ook heb ik in mijn huidige brief laten zien dat het fundament van de morele verplichting ligt in de schepping van Adam naar Gods beeld. Merk nu op dat de geestelijke verplichting die bindend is voor de gelovigen, op hogere gronden rust dan zelfs de gehoorzaamheid van onze eerste vader. Adam had een natuurlijke kennis van God, gelovigen hebben een geestelijke kennis van Hem (Joh. 17:3). Adam had een natuurlijke consciëntie, gelovigen hebben een geestelijke. Adam was geschapen naar de verstandelijke en zedelijke gelijkenis van God, gelovigen worden vernieuwd in de geest van hun gemoed (Ef. 4:23) en zo herschapen naar het geestelijke beeld van Christus. Want ‘die den Heere aanhangt, is één geest met Hem’ (1 Kor. 6:17). Adam kon Gods beeld waarnaar hij geschapen was, verliezen omdat het slechts een verstandelijke en zedelijke gelijkenis was, en niet een geestelijk beeld. Gelovigen kunnen hun nieuwe schepping naar Gods beeld in gerechtigheid en ware heiligheid niet verliezen, want ze zijn ‘tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn’ (Rom. 8:29). Deze predestinatie verzekert hen dat zij dat beeld nooit zullen verliezen.

Ik weet niet goed of ik mijn opvattingen over de morele verplichting duidelijk heb kunnen maken. Als dat echter zo is, zult u zien dat ze in overeenstemming zijn met het onderwerp van mijn laatste brief. Misschien schokt het uw geest dat ik denk dat de gelovigen verlost zijn van hun morele verplichting. Dat zou terecht zijn als ik daarmee bedoelde dat ze vrij waren om te zondigen. Maar juist het tegendeel is waar. De gelovigen zijn vrijgemaakt opdat zij zullen dienen, dienen in nieuwigheid des geestes en niet in de oudheid der letter. Door van harte gehoorzaam te zijn aan het voorbeeld der leer, de leer van de genade van God, die hun is overgegeven, zijn ze vrijgemaakt van de zonde en dienstknechten der gerechtigheid gemaakt. Dit is ware vrijheid, geen vrijheid om te zondigen, maar vrijheid van de zonde. De gelovigen zijn vrijgemaakt van de schuld der zonde door het bloed der besprenging, van de smet der zonde door het bad der wedergeboorte, van de liefde tot de zonde door de liefde van God die in hun hart uitgestort is, van de macht der zonde door de kracht der genade, van het doen van de zonde door de vreze Gods als een innerlijke fontein des levens. Nu zijn ze Gode dienstbaar gemaakt, ze hebben hun vrucht tot heiligmaking, en aan het einde het eeuwige leven (Rom. 6:17-22). Dit is de godsdienst waarvoor ik strijd en waarvoor ik niet alleen het getuigenis van Gods Woord heb, maar ook het getuigenis van mijn eigen consciëntie.

Ik hoop dat ik mijn opvatting zo duidelijk mogelijk heb uitgelegd. U hebt mij verschillende keren gevraagd om u eerlijke antwoorden te geven. Het lijkt daarom bijna alsof u vermoedt dat ik u oneerlijk zou kunnen antwoorden. Ik hoop dat ik voor Gods aangezicht kan zeggen dat ik mij niet schaam voor enig leerstuk dat ik geloof. Als dat zo was, zou daaruit blijken dat ik het niet ontvangen had uit het Woord der waarheid door het onderwijs van de Heilige Geest. Er is ook geen enkele reden waarom ik mijn gevoelens zou verbergen of geheim houden. Uw mening over mij, of die nu positief is of negatief, kan geen invloed hebben op mijn geest, omdat we nagenoeg vreemdelingen zijn voor elkaar. Ik heb mij veel moeite getroost om uw vragen te beantwoorden, hoewel ik vanaf het begin voorzag dat de discussie tussen ons volslagen vruchteloos zou zijn. Ik werd door uw ernstige aandrang toch bewogen om veel kostelijke tijd te besteden aan de oplossing van uw vragen. Ik kan niet verder op dit onderwerp ingaan, omdat mijn gezondheid en mijn verplichtingen mij niet toelaten om een discussie voort te zetten die voor beide partijen zo weinig goeds lijkt op te leveren. Zou het niet veel beter voor u zijn om uw geest niet te vermoeien met deze leerstellige kwesties maar in plaats daarvan te zoeken naar een zoete ondervinding van Gods genade en kracht in uw eigen ziel? Alleen een zoete en gezegende genieting van Gods genade, barmhartigheid en waarheid in ons eigen hart kan ons ware vrede schenken in onze eigen consciëntie of ons aangenaam maken bij Gods kinderen. Begrijp me echter niet verkeerd alsof ik wilde zeggen dat gezonde leerstukken van weinig belang zijn. Integendeel, ze zijn van het allergrootste gewicht. Maar als deze leerstukken een vaste plaats in onze eigen geest hebben gekregen, dan bemerken we dat het belangrijkste werk hierin bestaat dat we het geloofsleven in de ziel in stand houden, voor God wandelen in het licht van de levenden, onze genegenheden gericht houden op geestelijke zaken, en voor onszelf en anderen openbaar komen als heiligen en dienstknechten van de Heere Jezus Christus.

Ik beveel u aan Zijn genade en wens dat u overvloedig bedeeld wordt met alle nodige genade; zo ben ik zeer oprecht de uwe, omwille van de waarheid, J.C.P. – Stamford, augustus 1860[6]

[1]Strict Communion Baptists vieren het avondmaal alleen met mensen die zijn gedoopt, nadat zij persoonlijk belijdenis gedaan hebben van hun bekering. Open Communion Baptists laten ook niet-baptisten die voor christenen worden gehouden, tot de bediening toe.

[2] We waren het niet helemaal eens over de afleiding of de betekenis van de term ‘antinomianisme’. Omdat deze term is afgeleid van twee Griekse woorden ‘anti’ (tegen) en ‘nomos’ (wet) en er geen lidwoord wordt gebruikt, betekent het naar mijn mening iemand die zich verzet tegen de wet, dat wil zeggen, in het algemeen, tegen wetten van elke soort. Mijn correspondent zag het woord echter in de betekenis van iemand die zich tegen de wet verzet, dat wil zeggen, niet de wet in het algemeen, maar de wet van Mozes in het bijzonder. – J.C.P.

[3] Philpot gebruikt hier het woord ‘obligation’ (vert.).

[4] Het is afgeleid van het Latijnse werkwoord ‘obligo’ (via het Frans is hieruit het woord ‘oblige’ ontstaan), dat ‘opbinden’ betekent, zoals een wijnstok aan een raster of een jonge stier in zijn stal wordt vastgemaakt. – J.C.P.

[5] Rowland Hill zei vaak dat als hij bezoek kreeg van iemand die ontkende dat de wet een leefregel voor de gelovige is, hij hem zeer nauwlettend in de gaten hield, opdat hij er niet met zijn zilveren lepels vandoor zou gaan. – J.C.P.

[6] Het is goed om te vermelden dat deze brief erg veranderd en uitgebreid is, vergeleken met zijn oorspronkelijke vorm. – J.C.P.