T Clowes

Thomas Clowes (1788-1867)
onderdeel van de serie Vrienden rondom JC Philpot en overgenomen uit De Saambinder en het Brievenboek van Philpot

Thomas Clowes was een vriend van de wereld. Maar toen de Heere in zijn leven was gekomen, werd hij een vriend en een metgezel van allen die Zijn Naam ootmoedig vreesden. Zijn grootste vriend werd Joseph Charles Philpot.

Thomas Clowes, geboren in 1788, had in zijn jonge jaren de wereld lief. Bruut spotte hij met al wat heilig was. Toen zijn zuster eens uit de kerk thuis kwam, na aan de bediening van het Heilig Avondmaal te hebben deelgenomen, bespotte hij haar: hoe ze toch zo dwaas kon zijn om op zondag in de kerk te gaan zitten. Waarop zijn zuster hem ernstig vermaande. Het waren haar eenvoudige woorden die als een middel in Gods hand werden gebruikt om ervoor te zorgen dat de wereld voor Thomas alle glans verloor. Vaak durfde hij niet meer te gaan slapen, uit vrees te zullen ontwaken in de buitenste duisternis. Hij had het eeuwige oordeel verdiend, maar werd als een vuurbrand uit het vuur gerukt.

In het boek “Der pelgrims metgezel” (over leven en werk van Philpot) besteedt J.A. Saarberg de nodige ruimte aan Thomas Clowes. Clowes sloot zich aan bij een kerk van de Strict baptists waar hij ook werd gedoopt.
Vaak kerkte Clowes in Wallingford, in de buurt van Oxford. Daar vervulden John Warburton en William Gadsby nog wel eens een preekbeurt en ze logeerden dan bij de familie Clowes.
Een van de preken van Warburton in Wallingford wilde de Heere gebruiken om Clowes uit de banden te bevrijden. De preek ging over Psalm 50:15: ‘En roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren’.  Saarberg schrijft dan: ‘De Goddelijke gunst was groot over hem, de schuld bedekt, en hij mocht de lof des Heeren vertellen. Gedurende een jaar mocht hij in het lieflijk licht van Gods aanschijn wandelen’. Over diezelfde dienst schrijft Mr. J.R. Broome (in “John Warburton, dienaar van een Verbonds-God”): ‘Die preek was voor Clowes het middel tot verlossing van zijn ziel. De vergeving van zonden werd aan zijn ziel verzegeld en zijn hart werd vervuld van de liefde Gods’.

Clowes woonde later in Londen waar Philpot hem meerdere malen opzocht als hij preken moest in de Eden Street Chapel of in de Gower Street Chapel. Er vielen banden tussen hen. In één van zijn brieven schrijft Philpot:  ‘Er is een grote christelijke vereniging tussen ons en er is een innige vriendschap ontstaan’. Clowes kon altijd maar moeilijk afscheid nemen als zijn vriend weer verder moest. Hij was dan vaak tot tranen toe bewogen.
Ook in Londen logeerde John Warburton nogal eens bij de familie Clowes. Voorafgaand aan zijn komst schreef Warburton dan: ‘Ik schrijf u dit briefje om u te zeggen dat ik DV de eerste vier zondagen van april in Londen hoop te zijn. Is er ruimte in het huis en in het hart van de heer en mevrouw Clowes, om de arme, oude, onwaardige worm nog eens bij hen te ontvangen? Ligt er iets in de weg, in huis of in hart, wees zo vriendelijk het mij zo spoedig mogelijk te doen weten. Het zou mij een genoegen zijn te vernemen dat er in huis en hart ruimte is, maar is het anders, ik zal het niet als een belediging opvatten, want vanwege mijn diepe onwaardigheid kan ik mij alleen maar verwonderen dat God nog enkele juwelen heeft die mij in huis willen ontvangen’.

Ook Thomas Clowes ondervond dat het leven der genade meest een leven is van op en neer. Er was eens een grote duisternis over zijn ziel gekomen. ‘Hij vreesde zeer dat hij de wereld weer toe zou vallen en dat de duivel het toch zou winnen. Had hij zich niet in alles bedrogen? Zijn mond werd gesloten en menigmaal was hij de wanhoop nabij. Toch liet hij nimmer na de Schrift te lezen en de prediking bij te wonen waar hij maar kon. Dat duurde geruime tijd’.

Een Bijbelhoofdstuk, gelezen aan tafel, greep hem ernstig aan. Het was Handelingen 7:9:  ‘En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem’. Het bracht hem zo in de benauwdheid dat hij naar een andere kamer vluchtte, voor God op de knieën viel, en smeekte of Hij hem in zijn nood wilde gedenken. ‘Om uitkomst voor zijn ziel durfde hij niet te vragen. Deze was hij niet meer waardig. Maar de Heere daalde in zijn hart af met de woorden: ‘Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden’ (Matth. 6:33). De Heere schonk uitkomst in alle nood zijner ziel’.

Toen Thomas Clowes 78 jaar oud werd hij ernstig ziek. In september 1866 bezocht Philpot hem, het werd het laatste bezoek. Daarna schreef Clowes aan Philpot nog een brief waarin hij schrijven mocht dat de dood voor hem zijn prikkel had verloren. Philpot richtte vervolgens ook nog een laatste brief aan zijn vriend. Hij schreef onder meer: ‘God heeft in vorige tijden vaak uw ziel gezegend, ondersteund en getroost, en hoewel gij door de kracht des ongeloofs soms wel eens twijfelde aan alles wat Hij voor u en in u deed, al uw twijfelingen en vrezen kunnen de wezenlijkheid van Zijn werk niet ongedaan maken. Ik was blij te vernemen dat gij gevoelt dat uw voeten op de Rotsteen staan. De Heere geve u genade en sterkte om daar steeds meer op te worden geworteld en gefundeerd, en niet bewogen te worden door de aanvallen van satan en eigen vlees. (..) Wij zijn ellendige zondaren in een ellendige wereld. Alles om ons heen, in ons en buiten ons, is een puinhoop, een ruïne. De zonde, de verschrikkelijke zonde, heeft lichaam en ziel ten enenmale bevlekt, en deze bederft en bezoedelt nu alles wat van deze aarde is. En te midden van deze puinhoop gevoelen wij dagelijks dat er maar één lichtstraal is, die onze voeten kan leiden door deze verwarde doolhof van zonde en smart. En dit licht straalt uit van de Zoon van God, zoals Hij eens gekruisigd is, maar nu is opgestaan uit de doden, opgevaren in de hoogte, om daar te verschijnen voor Gods aangezicht voor ons. Ik zou u gaarne nog eens bezoeken, maar er valt niet aan te denken, want ik ben zelf zeer zwak’.

In dit ondermaanse hebben beide vrienden elkaar niet meer teruggezien. Twee uur voor zijn sterven (op 17 februari 1867) sloeg Thomas Clowes zijn brekende ogen ten hemel en riep uit: ‘Onuitsprekelijke vreugde, vol van heerlijkheid’. Daarop sloeg hij de handen ineen en zei: ‘Ik ben geheel verbaasd. Wat een wonder. Dat ik nu heengaan moge. Mijn zonden, mijn zonden zijn mij vergeven, geheel uitgedelgd voor altijd, om nooit meer in herinnering te worden gebracht. Rots der eeuwen’.

Philpot was gevraagd de begrafenis te leiden, maar zijn zwakke gezondheid liet dat niet toe. In The Gospel Standard (kerkblad van de Strict baptist-gemeenten) wijdde hij een In Memoriam aan zijn vriend.

Aan de weduwe Clowes schreef Philpot nog een brief. ‘De lieve man, hij was zo bevreesd voor vermetelheid, ijdel vertrouwen en huichelarij, dat hij bijna voortdurend zijn eigen staat en toestand wantrouwde. Ik heb nooit aan hem getwijfeld, ofschoon hij zichzelf steeds wantrouwde. Nimmer ontmoette ik iemand met een tederder geest, of die minder roem in zichzelf had dan hij. Zijn heengaan is ook voor mij een groot verlies. Zo lang ik leef zal ik met achting en liefde hem gedenken’.

Lieren, J. van ‘t Hul


 

Aanvulling, overgenomen uit het brievenboek van J.C. Philpot:

Brief 84 van J.C. Philpot aan Dhr. Godwin
London, 16 Augustus 1855
In Gowerstraat was de eerste kansel die ik in Londen be­klom toen ik negentien jaren geleden daar predikte voor de heer Fowler, op 8 Aug. 1836. De kapel bevalt mij bijzon­der, en ik weet waarlijk niet waarvoor de Heere het meest te danken. Of voor de kapel en dat Hij er mij doorhielp, òf dat Hij het Mijnheer en Mevrouw Clowes in het hart gaf ons zo liefde­rijk te onthalen. Hun woning schijnt bijzonder dienstig voor mijn gezondheid, zodat ik mag zeggen, over het geheel geno­men ik in geen jaren zo goed mijn arbeid in London kon verrichten.

Brief 180- J.C. Philpot aan dhr. Grace
Allington, 3 Augustus 1863
Mijn waarde Vriend!
Laatstleden Vrijdagavond kwam ik hier in welstand aan, na eene maand in London doorgebragt te hebben, waar ik met veel genoegen en ik geloof met zegen mogt vertoeven. Ik logeerde bij mijne lieve vrienden, den Heer en Mevr. Clowes, die ik hoog­schat naarmate ik ze leer kennen.

Brief 222 – J.C. Philpot aan den heer Parry
Croydon 26 Juni 1866
Ik hoop bij mijn lieve vrienden de heer en Mevr. Clowes te logeren. Ik stel mij voor mijn goede oude vriend elk jaar meer verouderd te zien. Maar wij moeten verwachten dat ande­ren, zowel als wijzelf, de druk van gevorderden leeftijd en verzwakking zullen bemerken.

Brief 223 – J.C. Philpot aan mej. Peake
Croydon, 21 Juni 1866
Mijne waarde Vriendin!Wanneer gij dezen ontvangt, zal ik, zo de Heere wil, in London zijn, ten huize van mijn oude en trouwe vrienden de heer en mejuf. Clowes, onder hoop en verwachting de volgende zondag in Gowerstraat te prediken.

 Brief 229 – J.C. Philpot aan den heer Clowes
Croydon, 17 Dec. 1866
Mijn waarde Vriend!
Het trof mij door mijne lieve vrouw te vernemen dat uw gezondheidstoestand niet vooruitgaat, en dat gij uzelf geen beterschap voorstelt. Ik weet bij ervaring, met welk een gewicht lichamelijk lijden drukt, niet alleen op onzen sterfelijkn tabernakel, maar ook op onze ziel, en hoe nederdrukkene het is voor gemoed en geest. Ik kan derhalve met u in deze pijnlijke beproeving meevoelen, en juist te meer, dewijl ik er thans zelf in deel. Maar alles wat wij kunnen zeggen is: ‘Het is van de Heere en Hij moet en zal met ons handelen zoals het goed is in Zijn ogen.’ Gij hebt jarenlang een goede mate van gezondheid en krachten genoten, en schoon meestentijds niet vrij van maagaandoeningen, nochtans zijt gij gespaard tot een goede ouderdom. Gij kunt niet verwachten, nu die gezondheid en krachten te genieten, die gij had in vroegere jaren, en het zal uw wijsheid en genade zijn te buigen onder de wil Gods, en u met lijdzaamheid te onderwerpen aan de slagen Zijner kastijdende roede. Hij heeft in vorige tijden zo vaak uw ziel gezegend, ondersteund en getroost, en hoewel gij door de kracht des ongeloofs soms twijfelen mocht aan alles wat Hij voor en in u deed, nochtans kunnen al uw twijfelingen en vrezen de wezenlijkheid van Zijn werk niet ongedaan maken, noch de uitnemende rijkdommen Zijner overvloedige genade vernietigen. Met blijdschap verstond ik uit een schrijven van de heer G., dat gij uw voet op den Rotssteen voelde staan. Moge de Heere u genade en sterkte geven, om daar steeds meer gewor­teld en gefundeerd te worden, en niet bewogen van uw stand­plaats door de aanvallen van de satan en het vlees. Trou­wens, ik weet bij pijnlijke ervaring dat wij alleen deze strijd kunnen meestrijden, wanneer het, de Heere behaagt ons geloof te geven en te versterken. Wij denken als van zelf aan onze zonden, afwijkingen, onbestaanbaarheden, zwakheden, de weinige vrucht, die wij droegen of nog voortbrengen, en de geringe ken­merken, die er bij ons zijn van de genade Gods, overeenkomstig de waarheid. Het ongeloof is een vreselijke vijand voor onzer zielen vrede, en de satan weet van elke gelegenheid gebruik te maken, om te werken op onze natuurlijke gewaarwordingen, om ons in slavernij en verwarring te brengen. Lichamelijke zwak­heden helpen hem ook evenzeer, dewijl wij geen gemoeds- of lichaamskracht schijnen te hebben, om hem te wederstaan. In zulk een tijd van nood, is er slechts een weg open om hulp en onder­steuning te erlangen: met onze zwakheid en zonde neer te vallen voor de Heere, en van Hem te begeren, dat Hij zich onze zaak aantrekt, dat het zuchten van den gevangene mag op­klimmen tot Hem, en dat Hij de gegrepene ten dode, mag redden.

Doch ik hoop, dat mijn waarde vriend een genadig antwoord zal ontvangen hebben van Hem, die volkomen kan zalig maken al degenen, die door Hem tot God gaan, want dit alleen kan ons een zekeren troost en blijvende verlichting aanbrengen. Reeds jaren geleden hebt gij uw eigen zondigheid, zwakheid en hulpeloosheid leren kennen, en zijt menigmaal in verootmoe­diging voor de Heere vernederd geworden in uw ziel, als die in zichzelf hoop noch hulp had. Maar ook zijn er tijden en gelegenheden geweest, waarop gij aan uw ziel mocht ervaren de goedertierenheid en barmhartigheid des Heeren, waardoor gij mocht geloven in Zijn Naam, hopen op Zijn barmhartigheid, en in liefde en toegenegenheid Hem mocht aankleven. Nu, deze din­gen zijn als zovele proeven en voorsmaken van Zijn onveran­derlijke en getrouwe liefde, en ik hoop, dat het u gegeven wor­dt vast te houden wat de Heere u genadiglijk heeft gegeven, en het niet te verdenken ter wille van satan en ongeloof. Wij zijn ellendige zondaren in een ellendige wereld. Alles wat ons om­ringt in en buiten ons, is een wrak en puinhoop. De zonde, de ontzaglijke vreselijke zonde, heeft lichaam en ziel ten enemale bevlekt, en bederft en bezoedelt alles wat van deze aarde is. Te midden van al deze puinhopen en verderf, dat wij da­gelijks gevoelen, is er maar een lichtstraal, die onze voeten kan leiden door deze verwarde doolhof van zonde en smart, en dit licht straalt uit van de Zone Gods, als de eens Gekruisigde, maar nu Opgestane van den dood, en Opgevarene in de hoogte, om daar te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons. Hij heeft de dood verslonden en dengene, die het geweld des doods had, dat is de duivel, die ons zo menigwerf in slavernij voerde door de vreze des doods.

Het verheugde mij, door mijne lieve vrouw te vernemen, dat de vreze des doods bij u geweken was. Het is de laatste vij­and, en wanneer zijn angel is weggenomen, dan hebben wij ge­zegepraald. De prikkel nu des doods is de zonde; maar als die zonde is vergeven en weggenomen, dan is de prikkel ook weg­genomen en het sterven niets anders, dan in Jezus te ontslapen. Ik geloof, dat de Heere Zijn volk gewillig en bereid maakt om te sterven, alvorens Hij hen tot zich neemt, want zij gevoelen, dat er geen andere ontkoming is aan moeite en droefheid.

Ik zou u gaarne eens bezoeken, doch daar valt thans niet aan te denken, want ik gevoel mij lang niet wel. Ik heb me­delijden met uwe lieve vrouw en zoon, wier beider liefde jegens u openbaar is en die uw herstelling zo vuriglijk begeren. Ik wil de aandoeningen van u en uwe waarde vrouw niet opwekken. Ont­vangt beiden de verzekering mijner broederlijke liefde, en geloof mij te zijn, uw zeer verbondene in de Heere. J. C. P.

 

Brief 235 – J.C. Philpot aan mej. Clowes
Croydon, 26 Jan. 1867
Mijne waarde Vriendin!
Van harte wens ik deel te nemen aan uw tegenwoordige die­pe beproeving en zware verdrukking, en ik zou u gaarne willen troosten, of althans enige hoop inspreken onder de last uwer droefheid. Doch ik weet maar al te goed, dat niemand dan de Heere zelf u kan ondersteunen of vertroosten. En o, dat de Heere een vriendelijk en genadig woord met kracht mocht spre­ken tot de ziel van uw lijdende man, en dat hij gezegend werd met een gevoelig besef van des Heeren liefde aan zijn ziel. Wij twijfelen er niet aan, of zijn zaak is recht voor de eeuwig­heid. Wij weten het, en hij kan het niet ontkennen, dat de Heere hem in vroeger tijd veel genade bewezen heeft, en Zijn liefde en genade aan zijn ziel geopenbaard. Maar hij heeft be­hoefte, om wederom Zijn gezegende stem te horen en de ver­zekering te gevoelen van Zijn vergevende liefde, door de toe­passing van Zijn verzoenend bloed aan het geweten. O, dat het de Heere behage, hem een toeknik Zijner liefde te geven, in zijn ziel te dalen en te zeggen: ‘Ik ben uw heil,’ al zijn banden verscheurend, en met kracht Zijn vrede aan zijn hart te openbaren. Doch ook zonder dit, heeft de Heere alrede de vreze des doods genadiglijk van hem weggenomen; en zo zou het Zijn genadige Majesteit kunnen behagen, hem niet te geven zijn en onze begeerte voor hem. De Schrift meldt maar wei­nig van de stervensbevindingen van Gods heiligen; en somtijds zien wij te veel op hetgeen, wat de Heere niet in het bijzonder beloofde, – dat is, een grote openbaring Zijner liefde en barm­hartigheid. Hij heeft beloofd, in al hunne krankheden hun le­ger te spreiden, hen niet te begeven noch te verlaten, en dat Hij hen lief zou hebben tot het einde. En dit alles zal Hij in en door onze lieve vriend vervullen.
Het verheugt mij, dat gij Dr. Corfe raadpleegt. Gij zult on­dervinden, dat hij een medelijdend christen is, en zijn kunst mag zijn ongemak al niet kunnen wegnemen, toch zal zij het veel kunnen verzachten. Ik zou wensen, dat gij iemand hadt, die u kon bijstaan, want ik vrees dat het ver boven uw krach­ten gaat, en om zijnentwil zoudt gij graag uzelf eraan op­offeren. Graag zou ik eens overkomen, doch het is mij thans niet mogelijk van huis te gaan. Doe hem mijn hartelijke broedergroet. Ik wens voor hem te bidden, dat de Heere zich aan hem openbare. Wij verenigen ons in liefde, met toegenegen herinnering aan de heer L. Ik gevoel zowel voor hem als voor u, uw zeer verbondene, J. C. P.

 

Brief 238 – J.C. Philpot aan mej. Clowes
Croydon 25 Febr. 1867
Mijne lieve verdrukte en beroofde vriendin! Ik zou u reeds eerder geschreven hebben, om mijne hartelijke en toegenegene deelneming te betuigen onder uwe smartelijke beroving, doch ik oordeelde het beter een weinig uit te stellen, totdat de eerste overstelping van droefheid een weinig bedaard was. Wanneer de droefheid nieuw en derhalve het meest druk­kend is, is er in den regel geen plaats in het hart voor het woord van een vriend; en niemand dan de Heere Zelfe kan de benauwden geest troosten of ondersteunen. Wetende hoezeer gij verbonden waart en als leefdet in en met onzen lieve afgestor­ven vriend, zo ben ik overtuigd, dat uw smart zeer groot moet zijn. Doch ik hoop, dat de Heere u niet alleen mag troosten in uw bedroefd hart, maar u ook onderwerping en zwijgen leert aan Zijn heiligen wil.
Het kwam mij zeer gezegend voor, wanneer gij mocht inden­ken hoe vele barmhartigheden gemengd zijn met uw verlies. Hij werd u jarenlang gespaard, bereikte een gezegenden ouderdom, onder het volle genot van al zijn vermogens naar lichaam en geest. Was dit voor u beiden niet een barmhartigheid? Ook brak de Heere langzaam zijn aardse tabernakel af, en be­reidde uw gemoed langzamerhand voor op zijne eindelijke wegneming. Was dit niet een barmhartigheid? Hoe veel te treffen­der zou de slag voor u geweest zijn, als hij onverwacht ge­storven ware! Hoe verenigd waart gij, beide in natuurlijke en geestelijke liefde; en welk een liefhebbend, teder en toegenegen man hebt gij altijd aan hem gehad. Ik weet, dat de herinne­ring daaraan uw smart en droefheid vermeerdert, want uwe ge­dachten gaan voornamelijk over hetgeen gij in hem verloren hebt. Doch is het niet een grote genade, dat gij met voldoe­ning kunt terugzien op de jaren van uw huwelijksleven, zonder enige smartelijke herinnering? Ook mocht gij hem tot aan zij­n dood met tederheid en liefde verzorgen, en alles voor hem doen wat zijn krankheid en zwakheden vorderden. Was dit ook geen barmhartigheid, dat u genoegzame kracht en gezondheid geschonken werd om dat alles te doen?
Maar de uitnemenste aller barmhartigheden is, dat gij zulk een goede getuigenis hebt, dat hij gegaan is tot zijn eeuwige rust. Het behaagde de Heere, naar Zijn eigen wijs voornemen, hem maanden lang in een nederige plaats te houden. Die lieve, waar­dige man, Hij was zo bevreesd voor vermetelheid, ijdel vertrou­wen en huichelarij, dat hij schier zijn eigen staat en toestand mistrouwde. In vroeger dagen gezegend zijnde met een klare openbaring van des Heeren liefde aan zijn ziel, kon hij niet rusten noch voldaan zijn zonder vernieuwde openbaringen. Ik heb nooit aan hem getwijfeld, schoon hij zichzelf wantrouw­de; want niet slechts zijne voorledene bevindingen, maar zijn leven, gedrag, tederheid van geweten, goddelijke vrees, ware verootmoediging des gemoeds, afzondering van de wereld, en chris­telijke geest openbaarden duidelijk zijn bezit van de genade Gods. In al mijne uitgebreide samenspreking en verkeer met hem, heb ik nooit anders dan de grootste vriendelijkheid en toegenegenheid van hem ontvangen. Nimmer ontmoette ik iemand met een meer tederen geest, of die minder roem had in zichzelf, of op enigerlei wijze zichzelf op de voorgrond trachtte te stellen. Ik gevoel zeer zijn verlies, en zal zolang ik leef altijd met ach­ting en liefde aan hem denken.
Het spijt mij zeer, dat mijn gezondheid mij niet toelaat om over te komen en hem te zien, en naar uw wens en begeer­te zijn overschot de laatste eer mee aan te doen. Het verheug­de mij te vernemen, dat de Heere licht aan zijn ziel gaf alvorens hij heenging, ofschoon het mij op generlei wijs zou ge­schokt hebben ten aanzien zijner eeuwige gelukzaligheid, wan­neer dit niet geschied ware.
En nu, mijne waarde vriendin! ik hoop dat gij u niet al te zeer aan uwe grote smart zult overgeven. Gij kunt hem daarmee niet terugroepen, en ook onderstel ik, dat gij in uw oprecht ge­moed dat ook niet zoudt willen. Onderwerping en zwijgen aan Gods wil zal een begeerlijke zaak voor u zijn; en wanneer gij mocht zeggen: ‘Uw wil geschiede,’ dat zal u grote verlichting aanbrengen. Moge des Heeren licht liefelijk over uwe ziel schij­nen, en Hij zelf uw hart een woord der vertroosting toespreken. Ik wens de Heere te bidden, dat Hij u geve onderwerping aan Zijn heilige wil, uw hart vertroostte en geloof en lijdzaamheid lere beoefenen. Zo het u mogelijk is mij enige regels te schrijven, opdat ik wete hoe het met u is, en bijzonder om iets te horen van de laatste dagen van mijn lieve afgestorven vriend, dat zou mij zeer aangenaam zijn.
Wees zoo goed mijn hartelijke groet te doen aan den heer L.; ik heb zoowel met hem als met u medegevoel. Hij heeft waarlijk een zeer teder en liefhebbend vader verloren. Mijn vrouw betuigt mede haar deelname en hartelijk groet. Uw zeer toegenegen, J. C. P.

 

Brief 239 – J.C. Philpot aan mej. Peake
Croydon 6 Maart 1867
Gij weet misschien, dat mijn lieve vriend Clowes zijn eeuwi­ge rust is ingegaan. Zijne ganse laatste ziekte door was hij zeer beproefd, en zonk zo laag in zichzelf met vreze, dat hij verloren zou gaan; maar omstreeks een paar uren voor zij­n dood brak de Heere zeer heerlijk door in zijn ziel. Ik hoop u de brief van Mej. Clowes te laten lezen. Zij is waarlijk eene treurende weduwe, want ik geloof niet ooit een vrouw te hebben ontmoet, wier gedachten zo onophoudelijk over haar man gaan. Hij was inderdaad een teder en liefhebbend ouder, en, gelijk een christen, gezegend met een goede bevinding, met grote tederheid des gewetens, en vele omstandigheden des le­vens. Wij gevoelden ons zeer tot elkander getrokken, en aangezien ik hem ruim dertig jaren gekend heb, en sinds 1855 elke zo­mer bij hem kwam, heb ik hem natuurlijk veelzins leren ken­nen. Hij was een man met een zeer teder gevoel, en wij namen nooit afscheid van elkander, zonder dat hij tranen stortte van ware toegenegenheid. Ik zal hem zeer missen wanneer ik weder naar London zal gaan, om (D. V.) mijn verplichting in Gowerstraat kapel te vervullen. Uw toegenegene in de waarheid, J. C. P.

 

Brief 265 – J.C. Philpot aan mej. Clowes
Croydon 23 Nov. 1868
Mijne waarde Vriendin!
Ik heb mijzelf vaak beschuldigd wegens mijn niet schrijven aan u, en ik vrees, dat gij het niet alleen hebt toegeschre­ven aan onachtzaamheid, maar aan ondankbaarheid mijnerzijds, en een armlijke erkentelijkheid voor de grote vriendelijkheid en gastvrijheid, die ik van u genoten heb. Doch ik geloof, lie­ve vriendin! dat gij weet hoe zeer mijn tijd door veelvuldige bezigheden bezet is, en dat mijn stilzwijgen niet voortkomt uit ondank of gebrek aan toegenegenheid; daarom neem ik de eerste gelegenheid waar, u enige regels te zenden.
Ten aanzien van uzelf, lieve vriendin! gij vond te Y. din­gen, die u deels tot dankbaarheid, deels pijnlijk voor uw gemoed waren. Met blijdschap hoorde gij de aangename nagedachtenis van uw afgestorven broeder; en toch riep het u vele dingen voor de aandacht aangaande de geliefde, die gij verloren hebt. Het was zijn geboorteland, en ik heb altijd opgemerkt, dat de Norfolksen een eigenaardige liefde hebben voor hun moeder­land. Zo was het met uw waarde man, die schoon lange tijd daarvan verwijderd, nog altijd veel op had met zijn geboor­teplaats. Wanneer gij u op het havenhoofd bevond, en uw oog gaan liet over de wijde zee onder de inademing ener gezonde lucht, hoe zeer verlangde gij dan hun weder aan uwe zijde te hebben, en in uw oog wordt een stille traan gezien en aan uw borst ontglipt een zucht bij de herinnering aan het verleden, en het gevoel, dat gij hem in dit leven nooit weer zult aanschou­wen. Maar gij hebt ervaren, dat de droefheid dezer wereld de dood werkt. Een hart, ledig van gevoel en toegenegenheid heeft een afkeer en wansmaak in alles, maar bij niemand meer dan bij een weduwe, die met haar man alles op deze aarde ver­loren heeft. Doch deze aardse smart is merendeels zo ver­mengd met zelfmedelijden, opstand, gemelijkheid, ondankbaarheid, schepselvergoding en hardheid des harten jegens God, dat het dikwerf, zo niet zonde zelf dan toch een oorzaak voor de zonde is. En ik wilde u vragen, of gij, na een vlaag van smart en voorbijgaande droefheid, of ook als de Heere u onder die ze­gende en ondersteunde, niet ondervonden hebt, dat duisterheid des gemoeds, hardheid des harten en ongeloof kennelijk de overhand had? Dit bedoelt de Apostel als hij ons zegt, dat de droefheid dezer wereld de dood werkt, in tegenstelling met de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid voort­brengt. Onderstel niet, dat ik met dit te schrijven, onvriendelijk ben. Ik ken en heb gevoel voor uw verlaten staat; maar daarom juist zoek ik u te vrijwaren, dat gij door u over te geven aan uw smarten die zoudt verzwaren, en dagelijks u meer ver­laten te gevoelen. Ik hoop, dat de Heere u tot zich zal trekken, en dit lijden zal gebruiken om u te spenen aan alle aardse ge­luk, om uw hart meer op Hem te bepalen. Wanneer het u gegeven werd goed te zien, gij zoudt er zeer dankbaar voor zijn, en zoudt ervaren, dat er zelfs een zegen was in uw beroving.
Ten aanzien van mijzelf mag ik zeggen, dat het iets beter wordt; schoon mijn herstel langzaam gaat. Thans houd ik meest het huis, en vrees dat ik de ganse winter een opgeslotene zal zijn.
Mijne lieve vrouw en dochters verenigen zich met mijn har­telijke groet. Uw zeer toegenegen J. C. P.

 

Brief 269 – J.C. Philpot aan mej. Clowes
Croydon 16 Febr. 1869
Mijne waarde vriendin!
Ik gevoelde begeerte om u enige letters te zenden met betuiging van mijn deelname bij het terugkeren van de treurige dag, op welke gij beroofd werd van de wellust uwer ogen; en schoon ik niet wens op te wekken die droefheid, welke de dood werkt, evenwel gevoel ik behoefte voor en met u te delen onder de last van uw smartelijk verlies. Hoe snel ging de tijd voorbij sinds die donkere en zwaarmoedige dag; en ik vertrouw dat het de scherpte der droefheid verzachte, schoon de enige ware balsem gevonden wordt in die zoete vertroostin­gen, welke de ziel kunnen opbeuren onder het zwaarste leed. Mij dunkt, gij zult nu meer duidelijk zien en met meer blijvende dank gevoelen, de onuitsprekelijke genade, dat uw waarde man zulk een liefelijke getuigenis heeft achtergelaten van zijn deelge­nootschap in het dierbaar bloed en de gerechtigheid van onze genadige Heere. Het is een gedurige vertroosting, wanneer gij het door geloof verstaan mag, en het is het beste middel tegen alle murmurering en opstand onder moeilijke bedelingen.
Groot en veel zijn uw goedertierenheden, wanneer gij ze maar duidelijk mocht zien en bekennen. Hoe vele arme wedu­wen hebben diepe uitwendige beproevingen, waarvan gij ver­schoond zijt. Hoe vele anderen zijn lijdende in lichaam of ge­moed, en hoe vele Godzalige vrouwen missen het duidelijk bewijs, dat hun mannen in den Heere ontsliepen. Ook zijt gij niet zonder liefelijke getuigenissen en genadige bezoekingen des Heeren aan uw ziel; – alle, welke dingen zijn, of behoren te zijn, stof van dank en troost. Uw zeer toegenegen J. C. P.

 

Brief 277 – J.C. Philpot aan mev. P. en mej. M.
London, 24 Juni 1869
Ik kwam Zaterdag door genade, in goede welstand bij mijn vriendin Mej. Clowes aan, en ik geloof dat ik op de reis geen kou gevat heb. Zij ontving mij recht hartelijk in alle toegene­genheid; en dewijl wij ons zeer verenigd gevoelen, zowel door langdurige vriendschap als geestelijke gemeenschap, en haar huis mij alle mogelijke gemakken aanbiedt, zo gevoel ik mij hier in alle opzichten thuis. Het enige waaraan ik behoefte heb is ver­meerdering van gezondheid en krachten, en bovenal meer van de gevoelde tegenwoordigheid en kracht des Heeren.