J Warburton

John Warburton (1776-1857)

onderdeel van de serie Vrienden rondom JC Philpot en overgenomen uit De Saambinder

Ze waren eerst wat bang voor elkaar, de geleerde Joseph Charles Philpot en de eenvoudige linnenwever John Warburton. Philpot was een echte wetenschapper uit Oxford, Warburton was, naar eigen zeggen, ‘een ongeletterde oude worm’. Maar beiden hadden dezelfde roeping: ‘de voetstappen der schapen opsporen, de stenen des aanstoots uit de weg doen, de gebaande weg aanwijzen, de banier voor het volk opheffen, blinden leiden door een weg die zij niet geweten hebben, de duisternis voor hun aangezicht tot licht maken en het kromme tot recht’. Dat maakte nu net hun vriendschap uit.

Een van de eerste keren dat Philpot Warburton hoorde preken was in het jaar 1833. Warburton zou voorgaan in het dorpje Abingdon. Philpot schrijft dan: ‘Ik ging naar Abingdon, mijn gemis gevoelend en derhalve met meer vrees dan hoop, om een dienstknecht van God te beluisteren, die uitnemend met genade bedeeld was, en ik verwachtte eerder een afwijzing dan een toeknik, beide vanuit de preekstoel en vanuit het gezelschap’.

Het viel mee. Warburton was even benauwd om een Oxford-student te ontmoeten als dat de Oxford-student benauwd was om hem te ontmoeten. Philpot: ‘Maar hoeveel meer reden had ik om bevreesd te zijn dan hij, en hoeveel meer ook blonken zijn genadegaven uit tegenover mijn geleerdheid’. Die ontmoeting in Abingdon was het begin van een jarenlange vriendschap ‘die sindsdien tussen ons ongeschonden heeft bestaan’. Philpot beschouwde zijn vriend Warburton als ‘de grootste prediker sinds William Huntington’.

John Warburton werd in oktober 1776 geboren in Stand, in de buurt van Manchester. Over zijn moeder schrijft hij: ‘Mijn moeder was, geloof ik, een vat tot de heerlijkheid bereid van voor de grondlegging der wereld. God bracht dit aan het licht, toen ik omstreeks acht jaar oud was, op een wijze die mij vaak met verbazing heeft vervuld’.

In zijn jonge jaren leefde hij onder de indrukken van Gods majesteit, maar toen hij zestien jaar was, werd hij door ‘losse kameraden meegetrokken tot allerlei soorten van goddeloosheid’. Tijdens een kerkdienst in Bolton sprak de Heere echter helder en met kracht: ‘Tot hiertoe en niet verder’. ‘Al mijn zonden en ongerechtigheden van kindsbeen af staarden mij in het aangezicht en ik beefde als een blad. (..) Zodra de predikant geëindigd had kroop ik uit de kerk, alsof ik iets gestolen had. Te beschaamd om iemand te durven aanzien, haastte ik mij door de stad en met moeite bedwong ik mij op de straat, om niet te brullen als een beer. Ik dacht dat iedereen mij aanstaarde en mij nawees’. Door diepe overtuigingen heen bracht de Heere hem tot de kennis van de vergeving van zijn zonden, door de gerechtigheid van Christus. Als predikant diende Warburton twee gemeenten, Rochedale en Trowbridge.

In maart 1835 verliet Philpot de Anglicaanse kerk en voegde zich bij de Strict Baptists. Hij erkende de Engelse staatskerk niet langer als een christelijke kerk en zag de daar bediende doop dus niet langer als een Goddelijke inzetting. Philpot moest, meende hij, opnieuw gedoopt worden. Hij zag wel vele bezwaren. ‘Maar wanneer ik Jezus aan de andere zijde van het water zou zien staan, dan zou ik het zeker wagen er doorheen te gaan’.

Philpot vroeg aan zijn vriend Warburton of deze hem in de Bethel Chapel te Allington (de kerk van Joseph Parry) wilde dopen. Warburton moest die dag, 13 september 1835, ook direct maar preken, schrijft Philpot, ‘want ik kan mij niet indenken dat zulks die dag voor mij nog mogelijk is’. In een brief schrijft John Warburton daarover: ‘Ik kwam in Allington en heb daar verleden week de heer Philpot gedoopt. Ik geloof dat de Heere in het midden was. Hoe meer ik hem leer kennen, hoe meer ik me met hem verenigd voel’.

Voor verschillende van Warburtons boeken schreef Philpot een voorwoord. Hij schrijft bij voorbeeld: ‘Wij hebben veel predikers, vele goede en begenadigde predikers, maar nimmer zagen we een man die tederder met zielen omging en meer verbroken voor de Heere was dan hij’. Ook voor het meeste bekende boek van Warburton ‘Weldadigheden van een Verbonds-God’ verzorgde Philpot het voorwoord. Daarin zegt hij: ‘Hoe eenvoudig en toch hoe zoet beschrijft hij de leidingen, onderwijzingen, leringen, vertroostingen, kastijdingen, berispingen, ondersteuningen en zegeningen, ontvangen uit de hand van zijn genadige Vader en Vriend. Gelijk wij lezen van het op en neer, bezwijken en opstaan, zuchten en zingen, kermen en juichen, vlieden en voortgaan, vechten en overwinnen van deze waarde man Gods, zo ook volgen wij hem van het eerste ogenblik af dat God de Heilige Geest zijn ziel verkwikte, door heel zijn beproefd en geoefend leven, totdat hij in goede ouderdom dit tranendal verliet, met de liefde Gods in zijn hart, de lach des vredes op zijn aangezicht, en de openbaring van een ontsluitende heerlijkheid aan zijn scheidende ziel’.

Philpot heeft meerdere malen gepreekt in de kerken van John Warburton, eerst in Hope Chapel te Rochedale, later in de Zion Chapel te Trowbridge. Andersom nam Warburton ook graag een beurtje waar in de North Street Chapel in Stamford, de kerk van Philpot. Dan hadden ze ook weer eens gelegenheid om samen van hart tot hart te spreken over de gangen van Gods Kerk. Over een van Warburtons preken in Stamford schrijft Philpot: ‘Nooit zal ik vergeten de krachtige predikatie die hij die morgen deed. Daar zijn er nog die getuigenis kunnen afleggen van de kracht en de zalving waarmee hij sprak. (..) Nooit heb ik een leraar ontmoet wiens gebed op de predikstoel, of wiens gesprek buiten de predikstoel zo overtuigend was. Er was zulk een eenvoudige, zulk een eerbiedige en toch kinderlijke toenadering tot God. De zegen die de kerk van God daaruit ontvangen heeft, zal nooit ten volle bekend worden, totdat de dag daar zij waarop de verborgenheden van alle harten zullen geopenbaard worden’.

Warburton werd eind 1856 ernstig ziek. Hij zou er niet meer van genezen. Zijn zoon John Warburton jr. heeft verschillende dingen over het ziek- en sterfbed van zijn vader opgeschreven. Enkele citaten eruit: ‘Op zekere morgen, toen ik bij hem was, was hij bezig in zichzelf te praten. Eindelijk riep hij met tranen uit: ‘Deze oude Warburton, die een stank geweest is in de neusgaten van honderden, doch nooit in de neusgaten van mijn God, gaat naar zijn gezegend huis, naar zijn lieve God en Zaligmaker, en dat voor eeuwig.’ ‘Is dit de oude Warburton, de bedelaar? Wat! Loof de Heere! Alle bedelaars in de stad behoorden straks mijn lijkbaar te volgen, want ik ben ervan overtuigd dat ik de grootste van die allen ben’. ‘O, wat zal er een uitroep en een gejubel zijn als old John de hemel binnengaat, één die de hel wel duizendmaal verdiend heeft, de grootste schuldenaar aan genade en de ellendigste zondaar die er ooit was’.

Philpot schreef in The Gospel Standard een In Memoriam. Hij schrijft onder meer: ‘Wij zouden niet kunnen zeggen wat John Warburton zou zijn geworden wanneer iemand met zulke gaven in zijn jonge jaren een goede opleiding had gehad. Of misschien kunnen wij het wel met zekerheid zeggen: het zou hem bedorven hebben. Dan hadden we misschien de bekwame advocaat Warburton gehad, of een groot professor in de godgeleerdheid. Maar wij zouden niet de prediker Warburton gehad hebben, de door God Zelf onderwezen bevindelijke prediker’.

Op een andere plaats schrijft Philpot over zijn ontslapen vriend: ‘Al meer en meer bemerkte hij in zichzelf wat hij moest verfoeien en waarvan hij walgen moest, en meer en meer zag hij in de Heere Jezus wat hij bewonderen en beminnen mocht. Hij heeft zijn pad afgelegd, hij heeft de goede strijd gestreden, en zijn loop met blijdschap geëindigd. Hij heeft ons achtergelaten, nog zuchtend en lijdend in de wildernis, echter opziende tot dezelfde God en hopend op dezelfde rijke, soevereine en overvloedige genade’.

Lieren, J. van ’t Hul