J Parry

Joseph Parry (1801-1872)

onderdeel van de serie Vrienden rondom JC Philpot en overgenomen uit De Saambinder

Het is herfst 1835. In een klein Engels dorp, Allington, staat een groot boerenhuis, ‘Manor Farm’. In de deftige kamer van de farm zitten twee mannen bij de haard, een predikant en een ouderling. De predikant is afgezet in de Engelse Staatskerk, de ouderling begeert dat deze dienstknecht tot de kudde van Allington zal overkomen. De predikant is Joseph Charles Philpot, de ouderling is Joseph Parry, door Philpot vaak ‘mijn boezemvriend’ genoemd.

Joseph Parry was geen predikant. Hij was boer, maar ook een vriend en een metgezel van allen die in de negentiende eeuw in Engeland Gods Naam vreesden. En zo was hij ook een metgezel van hen die toen wel genoemd werden: ‘de verachte fakkels’.

Parry was ambtsdrager over de kleine gemeente van het dorpje Allington. Zo draagt deze boer in het gezelschap van de vrienden van Philpot zijn naam met ere.

Joseph Parry werd op 23 februari 1801 geboren in Allington, een dorpje midden in de graafschap Wiltshire. Meer dan een gehucht met een handvol huizen was het toen niet, en wie nu naar Allington zoekt, vindt een paar kilometer ten noordoosten van de stad Devizes nog steeds niet meer dan een stil boerendorp, schuilgaand onder iepen en vruchtbomen. Een stille plek aan het industriekanaal Kennet and Avon Canal. Het dorp werd door Philpot beschouwd als ‘een gezegende buurtschap waar velen een ernstige begeerte vertonen om het Woord te horen’. Boer Parry leidde hier een stil leven, want behoefte aan de drukte van de wereld had de man niet. Hij had last genoeg van zichzelf: ‘Ik word in mijzelf menigmaal niet meer vreze Gods gewaar dan in een paard’.

Met zijn zes jaar oudere vrouw Ann Parry en hun vier kinderen bewoonden ze de ‘Manor Farm’, een groot boerenhuis met een riante achtertuin, grenzend aan het Kennet and Avon Canal. Parry’s ‘Manor Farm’ staat er nu (2012) nog steeds en draagt zelfs nog dezelfde naam.

Joseph Parry behoorde aanvankelijk tot de independenten, maar door de invloed van William Tiptaft, predikant in Sutton Courtney, sloot hij zich aan bij de Particular Baptists. De landbouwer was een mild mens. J.A. Saarberg schrijft in zijn biografie van Philpot ‘Der pelgrims metgezel’ over Parry: ‘Hij was begenadigd met een groot onderscheidingsvermogen in geestelijke zaken, zowel ten aanzien van personen als wat de leer der waarheid betreft. Het werk des Heeren in zijn hart zou nog door veel beproevingen gaan, maar daardoor ook te helderder schitteren’. In een van zijn brieven beschrijft Philpot Joseph Parry als ‘een goed en begenadigd man, ja de voornaamste steun voor de gemeente van God in dit dorp’.

Ouderling Parry miste echter iemand die de kleine, vacante baptistengemeente in zijn dorp kon leiden, een man Gods die de verdwaalde schapen in Wiltshire terecht zou kunnen brengen. Het was zijn oprechte begeerte dat een van Gods geroepen dienaren in het vacante Allington de levende bediening van het Woord ter hand zou nemen.

Deze boer is voor Philpot onder meer het middel geweest waardoor deze vrijmoedigheid ontving om de Engelse staatskerk te verlaten. Philpot legde in 1835 zijn ambt in de staatskerk neer, zegde zijn lidmaatschap van het Worcester College in Oxford op en vertrok naar Allington.

Parry was zeer verheugd over Philpots uittreding. De boer had in dezen met zijn vriend meegeleden, had zijn zorgen meegedragen. Philpot schrijft daarover: ‘Enige tijd voor mijn afscheiding was er, geheel buiten mijn weten om, een opmerkelijke geest des gebeds onder veel leden en de ouderlingen van de kapel te Allington. William Tiptaft had mijn geliefde vriend aldaar op de hoogte gesteld van de werkzaamheden van mijn gemoed, en daar was een bidden tot de Heere dat ik Engelands kerk toch mocht verlaten en tot hen gezonden mocht worden ter prediking onder hen. Joseph Parry heeft mij later vaak verteld hoe schielijk en onverwacht de geest des gebeds hem aangreep. Want hij had mij nog nooit gezien en slechts bij gerucht van mij gehoord’.

Op 11 oktober 1833 schrijft Philpot aan Parry: ‘Geliefde vriend, ik ben de God der gebeden dankbaar dat Hij een geest der gebeden in uw hart heeft uitgestort voor een zondaar met zulk een hard hart als ik ben’. En op 1 februari 1834: ‘Ik denk dat wanneer gij wist welk een duister, dodig, onwetend, levenloos en verdorven schepsel ik ben, uw verlangen om mij te zien en te horen wel zou verminderen. Ik betwijfel vaak of ik wel ooit oprecht ontdekt ben geworden. Want ik vind zoveel duisternis, verdorvenheid en ongelovigheid in mijzelf. En ook ten opzichte van de bediening gevoel ik mij hoe langer hoe meer onbekwaam’.

Toen Philpot uiteindelijk naar Allington vertrok, was dit voor hemzelf ‘één van de opmerkelijkste gebedsverhoringen die ooit vernomen zijn’. In een brief aan Parry schrijft hij: ‘Ik kom tot u als een vriend, hetzij voor enige dagen, of voor enige zondagen, naardat wij en de gemeente bij elkaar passen. Wanneer het niet blijkt te gaan, zal ik gaarne na de eerste zondag weer vertrekken. Wanneer men mij met genoegen en profijt zou kunnen horen, heb ik er geen bezwaar tegen drie of vier weken te blijven. Maar het is mijn wens dat men goed begrijpt dat ik kom om u als persoonlijk vriend te ontmoeten, dat ik slechts preek als een vriend die bij u verblijft, gelijk een reiziger die inkeert om te vernachten. Verwacht maar weinig van mij, dan zult ge ook minder teleurgesteld worden, want ik ben maar een armoedig schepsel, naar ziel en lichaam’.

Philpot bleef veel langer in Allington dan hij had gedacht. Samen met Parry wandelde hij vele malen langs het kanaal, waar hij eens vreesde dat heel zijn geloof en zijn godsdienst op de bodem van het kanaal waren weggezonken. Langs de oevers van dit kanaal maakte Philpot in diepe overtuiging menig zware gang en hij zuchtte daarbij zo diep dat hij meende daarmee al het water in beroering te brengen.

In een brief aan zijn zuster Fanny schrijft Philpot desondanks: ‘Ik ben zeer op mijn gemak bij de heer Parry. Hij begeert vurig dat ik hier zal blijven, want ze zijn zonder leraar. Maar ik weet nog niet wat te doen’.

De Strict Baptist Chapel van Allington was een klein en sober gebouwtje, gelegen aan een van de vele boerenweggetjes van Allington. Het kerkje had Parry laten bouwen op zijn eigen kosten. Allingtons Chapel is er nog steeds. Boven de ingang staat: ”Bethel Chapel, 1829”. Het kerkje is nog wel in gebruik, maar het zijn nog maar een paar ouderen die hier zondags over de drempel stappen. Op een bord bij de ingang staat: Diensten op zondag 10.30 uur en 2.30 uur; gebedsdienst elke eerste maandag van de maand. Op een ander bord: ‘Bezoekers welkom. Vrouwen worden verzocht, voordat zij deze plaats van gebed betreden, hun hoofd te bedekken, 1 Kor. 11’. Binnen staat nog steeds dezelfde kansel. Hier heeft geklonken een rijk en getrouw evangelie. Hier preekten William Tiptaft, John Warburton, Joseph Charles Philpot en vele anderen van Gods knechten.

Het is een bijzonder klein gebouwtje, deze chapel. Een typisch schuurtje van de Strict Baptists. Rechttoe, rechtaan. Tegenover de kansel hangt een galerij. De linkerzijwand kon worden verwijderd om meer kerkgangers plaats te kunnen geven. Dat was in de dagen van Parry nogal eens nodig. Preekte Philpot hier, dan zaten er gerust 250 mensen onder zijn gehoor. De vouwwand is nu al jaren niet meer van zijn plaats geweest.

Aan een van de wanden hangen gedenktegels, een voor Philpot, en een voor Joseph Parry: ‘Ter gedachtenis aan Joseph Parry, geb. 1801, overleden 1872, en zijn vrouw Ann; Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid, Hebr. 13:8’.

In de tuin rondom de kerk begroef men toen de doden. Even rechts van de voordeur ligt het graf van Joseph Parry. In hetzelfde graf werden Parry’s vrouw, hun dochter Ann en een zuster van Parry begraven. Een meter verderop liggen Parry’s ouders.

In één van de laatste brieven die Philpot vanuit Stamford schreef aan zijn vriend in Allington zei hij: ‘Gaarne wil ik uw bezwijkende ziel aanmoedigen om de wacht te houden aan de poort der genade, totdat het licht daagt. Duizenden zijn gered uit diepe wateren, waarin gij nu zijt, en waarom gij dan niet? Ach, waarom gij niet? Is er dan enige beperking aan de macht en de liefde des Heeren? O, dat Hij snellijk kome’.

Lieren, J. van ‘t Hul