Avondmaal des Heeren

Strict Baptists hanteren het gesloten (Stricte) Avondmaal des Heeren, d.w.z., Avondmaal houden met alleen gemeenteleden die dit geworden waren door het ondergaan van de Doop der gelovigen. Op deze pagina leest u wat bekende Strict Baptists erover schreven, preekten óf hoe zij zelf dit Avondmaal des Heeren hebben ervaren.


‘Het gesloten Avondmaal’ , artikel door J.C. Philpot uit de Gospel Standard 1840 (behorend bij het artikel ‘Waren Christus’ discipelen gedoopt?’).  Overgenomen uit ‘Nagelaten Brokken deel 4’

Voorwoord (bij de heruitgave van beide artikelen)

Naar ik heb begrepen, is het de wens van velen dat er een herdruk verschijnt in een geschiktere vorm van de brieven die ik, inmiddels ongeveer twee jaar geleden, aan de ‘Gospel Standard’ schreef over het onderwerp ‘Het gesloten avondmaal’, en in antwoord op de vraag: ‘Waren Christus’ discipelen gedoopt?’
Met het inwilligen van dit verzoek wens ik geen ander belang te dienen dan dat van de waarheid. Die kan nooit te wijd verspreid worden, of men haar ontvangen wil of niet; God zal in beide gevallen verheerlijkt worden – wanneer men naar haar luistert en wanneer men haar naast zich neerlegt.
Ik beschouw de leer van het gesloten avondmaal niet als van fundamenteel belang, noch van die aard dat zij op één lijn gesteld zou moeten worden met de Goddelijke waarheden van de bevindelijke kennis waarin de Heilige Geest allen leidt, die deel uitmaken van het levende volk van God. Maar al is een leer niet van wezenlijk belang, dan betekent dat nog niet dat zij onbelangrijk is. De Heere Zelf heeft dit met zulke treffende woorden bevestigd toen Hij zei: ‘Zo wie dan één van deze minste geboden zal ontbonden en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen’ (Matth.5:19). Een gehoorzaam kind zegt niet: ‘Welk van de geboden van mijn hemelse Vader zou ik mogen overtreden?’, maar: ‘Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde’ (Ps.119:80); ‘HEERE, Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal; och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren!’ (Ps.119:4,5)
Ik zou mijn lezers willen vragen om tijdens het lezen van de brief over het gesloten avondmaal, alleen de aandacht te richten op wat ik naar voren heb gebracht vanuit de Schrift. Als het gesloten avondmaal overeenkomstig het bevel van Christus en de praktijk der apostelen is, zijn geen tegenargumenten, afgeleid uit andere bronnen, geoorloofd. Want wanneer wij argumenten gaan verheffen boven het getuigenis van God in Zijn Woord, dan verwerpen wij de Goddelijke openbaring, dan ontkennen we dat de Schrift een volmaakt richtsnoer voor leer en leven is, dan keren we het onderwijs van de Heilige Geest de nek toe, en we openen de deur om allerlei dwaling binnen te halen. Als de doop der gelovigen een inzetting Gods is, dan staat die onder Zijn gezag. Die mag niet afgezwakt worden als onnodig, en nog minder minachtend worden verworpen. Ook kan een kind van God zich niet veilig verschuilen achter de namen van grote en goede mensen die zich aan deze inzetting niet onderworpen hebben. Hoe hoog zij ook geacht mogen worden vanwege hun werken, zij zijn onze Heere niet; zij stierven niet voor onze zonden, noch stonden zij op uit de dood om ons vrij te spreken. Zij waren slechts mensen, feilbare mensen, in vele dingen zondigende, ofschoon geliefden van God en gezegend in hun werk. Als het principe en de praktijk van de door de apostelen gestichte kerken, niet die van het gesloten avondmaal was, laat dat dan onmiddellijk afgeschaft worden. Maar als, zoals ik vast en zeker geloof en zoals ik denk te hebben bewezen op de volgende bladzijden, de door de Heilige Geest gestichte kerken meteen na de Pinksterdag, gemeenten met een gesloten avondmaal waren, dan zijn zij die dit bevel verwerpen, schuldig aan ongehoorzaamheid. Ik ga bij deze vraag geheel uit van het Schriftuurlijk gebod en de Schriftuurlijke praktijk. Laat de praktijk van het gesloten avondmaal staan of vallen door het onfeilbare Woord van God.
In het laatste gedeelte van mijn eerste brief heb ik een aantal praktische gevolgen genoemd die het open avondmaal teweeg kan brengen. Sommigen hebben dit mijn ‘vleselijke conclusies’ genoemd. Ik denk dat zij mijn bedoeling verkeerd begrepen hebben. Mijn doel was: ten eerste, het omverwerpen van een veelvoorkomend argument voor het houden van een ‘open avondmaal’, namelijk dat het de onderlinge christelijke gemeenschap zou bevorderen. En ten tweede, het laten zien dat het daarentegen de verdeeldheid juist bevordert door tegenstrijdige beginselen voortdurend met elkaar te confronteren.
Ik ben weinig bekend met gemengde Baptistengemeenten, daar het een bekend gegeven is dat zij zeer zelden kerken der waarheid zijn en ik kan daarom niet zeggen dat ik ooit persoonlijk getuige ben geweest van zulke voorbeelden als ik naar voren heb gebracht. Maar als de gevolgen zoals ik die verwacht niet voortdurend plaatsvinden, dan is dat doordat er een wederzijds compromis van principes is; en doordat er van de kant van de Baptisten een offer der waarheid op het altaar van bedrieglijke verdraagzaamheid, of, zoals in veel gevallen gevreesd moet worden, op het altaar van wereldse redmiddelen gebracht wordt. De voorganger van een gemengde Baptistengemeente kan de inzetting van de volwassendoop niet lang handhaven. Als kerklidmaatschap verworven kan worden zonder de volwassendoop zal het lidmaatschap niet vaak aan de doop onderworpen worden. Zodat voorganger en gemeente ten slotte stilzwijgend besluiten het maar helemaal achterwege te laten. En in deze neergaande lijn van aanvankelijk schaarse betrachting en dan een totaal negeren van de doop der gelovigen zal men uiteindelijk deze plechtige inzetting van de gezegende Heiland openlijk ontkennen.
Het is goed bij de Schriftuurlijke praktijk te blijven, opdat het begin van de dwaling niet is het ‘begin des krakeels gelijk een die het water opening geeft’ (Spr.17:14). Zij die de dam afbreken, zouden niet alleen het badwater droog kunnen leggen, maar ze zouden meegesleurd kunnen worden door de stroom naar het land der ongehoorzaamheid.
Ik weet uit pijnlijke ervaring dat er een diepgewortelde vijandschap in de vleselijke geest is tegen de ordinanties van des Heeren huis. Alleen al het zien van de gedekte tafel voor het avondmaal des Heeren heeft mij soms vervuld met de vreselijkste opstand. Daarom weet ik wat de wortel van de tegenstanders van de doop der gelovigen is; en ik geloof dat de vijandschap ertegen, hoewel kunstig bedekt met voorwendsels van geestelijkheid, diep in het boze hart des mensen ligt. Wij hebben geen ander bewijs hiervoor nodig dan de minachtende woorden als ‘waterhonden’, en dergelijke, waarmee ik mijn bladzijden niet wil bevlekken, die de Baptisten opgeplakt werden. Maar ik zou willen dat zij die deze Goddelijke inzetting op die manier beledigen, bedenken dat dezelfde woorden van toepassing zijn op de gezegende Heiland toen Hij ondergedompeld werd in de Jordaan; en dat zij met hun minachtende zinspeling op ‘het water’ verachten dat wat het teken was van het lijden van Jezus, toen al de golven en baren van Gods toorn over Zijn hoofd gingen. Als zij niet kunnen zien, of ziende zich niet kunnen onderwerpen aan deze inzetting, laat hen ervoor oppassen minachtend hierover te spreken, opdat hun wrevel niet valt op de Heere des levens en der heerlijkheid. ‘Zo dan die dit verwerpt, die verwerpt geen mens, maar God.’

15 juni 1842 J.C.P.

Het gesloten avondmaal

Aan de redacteurs van de ‘Gospel Standard’, Geachte heren,
Hoewel ik afkerig ben van twistpunten voel ik mij toch geroepen aan dit onderwerp niet stilzwijgend voorbij te gaan. Dit omdat uw correspondent H.J. in uw aprilnummer een beroep op mij doet, vanuit de Schrift te bewijzen op grond van welk gezag de Strict Baptists de doop der gelovigen tot een deur der kerk maken, en omdat u die brief hebt geplaatst opdat ik op de vraag in zou gaan. De omstandigheden dwongen mij tot de bevestiging dat ik de auteur was van de ‘Toespraak’, waarin het beginsel van het gesloten avondmaal wordt erkend. Ik zou het onderwerp graag hebben zien opgepakt door bekwamere schrijvers en meer ervaren christenen dan ik zelf ben; maar daar ik vrees dat deze niet in uw periodiek naar voren komen voor dat doel, haast ik mij, zonder verdere inleiding, de praktijk waartegen bezwaar wordt gemaakt te verdedigen.
Omdat H.J. mij vraagt om een bewijs vanuit de Schrift, en omdat alleen dát hen die God vrezen kan bevredigen, zal ik pogen mij daartoe hoofdzakelijk te beperken, hoewel ik tussen haakjes constateer dat de tegenstanders van het gesloten avondmaal maar zelden verwijzen naar het Woord der waarheid om hun argumenten te staven, maar grotendeels naar veranderde omstandigheden van de kerk sinds de tijd van de apostelen, en vage ideeën over christelijke liefde en gemeenschap.
Ik neem aan dat H.J. instemt met de volgende twee punten die in nauwe relatie staan met de praktijk van het gesloten avondmaal:

1) Dat de doop der gelovigen door onderdompeling in het water een ordinantie van Christus is.
2) Dat de uitvoering van des Heeren avondmaal beperkt moet zijn tot de Kerk die tot dat doel samenkomt als één lichaam.

Deze twee punten te bewijzen vanuit de Schrift zou te veel ruimte in beslag nemen en is onnodig omdat het eerste is aanvaard door alle Baptisten en het tweede door alle Independenten. 1
Het punt nu, waarover de verdeeldheid is, en dat ik moet bewijzen is dit: ‘Is de doop der gelovigen de enige toegang tot de gemeente?’ Wanneer dit bewezen is, volgt daaruit als vanzelf dat geen andere dan alleen gedoopte personen mogen deelnemen aan des Heeren avondmaal, aangezien toegegeven is dat aan die tweede inzetting alleen de Kerk deel kan nemen.
Om dit punt te bewijzen moeten we ons wenden tot de inzetting en de praktijk der Schrift. De eerste inzetting nu, die ik naar voren zal brengen is de welbekende opdracht, door de Heere Jezus gegeven aan Zijn discipelen na Zijn opstanding (Matth.28:19): ‘Gaat dan henen, onderwijst (‘maakt discipelen van…’, kanttekeningen) al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.’
1. De eerste stap is hier ‘onderwijzen’ of discipelen maken uit alle volken;
2. het dopen van de aldus gemaakte discipelen is de tweede;
3. en het leren in acht nemen van alle voorschriften en inzettingen van het Evangelie de derde.

‘Doet dat tot Mijn gedachtenis’ (Luk.22:19), is een van de geboden die de discipelen geleerd wordt te onderhouden. Hoe durft iemand die God vreest dan deze Goddelijke opdracht te overtreden door de eerste en de derde stap samen te voegen in ongeheiligde gemeenschap, en de tweede stap opzij te zetten? De Independent, die het besprenkelen van baby’s dopen noemt, verandert op eigen houtje de stappen van deze Goddelijke opdracht, aangezien hij zijn (zogenaamde) doop vooraf laat gaan aan het discipelschap en niet erop laat volgen. En de open avondmaalsbaptist, die aanvankelijk de Goddelijke volgorde van eerst het discipelschap en daarna de doop gehoorzaamt, vernietigt wat hij aldus heeft opgebouwd, wanneer hij zich aansluit bij of voorgaat in een gemeente die avondmaal houdt met gedoopte en ongedoopte mensen. Hij maakt zichzelf een overtreder door de eerste en derde stap bijeen te brengen, terwijl de Heere die door de tweede heeft gescheiden. Alleen de Strict Baptist volgt het voorschrift van de Heere op door het houden en uitvoeren van ten eerste: het discipelschap, ten tweede: de doop, en ten derde: het avondmaal.

Tot zover het Bijbels voorschrift, en dan nu de Bijbelse praktijk. Wat was de praktijk van de apostelen aan wie dit Goddelijk ambt gegeven werd? Zij toonden die voor het eerst op de dag van het Pinksterfeest, toen zij niet alleen het Woord des Heeren hadden om hen te leiden, maar ook de gezegende uitstorting van de Heilige Geest om in hen te werken de wil en het doen van Zijn welbehagen. Wij zien Petrus handelen overeenkomstig dezelfde volgorde van de opdracht van zijn Heere. Eerst preekt hij het Woord (Hand.2:14). De Heilige Geest zegent zijn prediking, en maakt discipelen door de toehoorders in het hart te treffen, zodat zij uitroepen: ‘Wat zullen wij doen, mannen broeders?’ (v.37) Petrus negeert niet, zoals de open avondmaalsbaptisten, de regel van zijn Meester door te zeggen: ‘Kom tot des Heeren tafel’; maar hij zegt: ‘Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt’, enz. Nauwkeurig neemt hij de tweede stap in acht en doopt of laat hen dopen. Zij schuwden het kruis niet, maar ‘die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt’; en nu komt de derde stap; ‘en er werden op dien dag tot hen toegedaan (dat is ‘toegedaan tot de Kerk’, v.41,42) omtrent drieduizend zielen. En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap (dat is: de gemeenschap der Kerk), en in de breking des broods (dat is: des Heeren avondmaal), en in de gebeden’ (dat is: zij kwamen samen om God aan te roepen). Nu dan, kan iemand ontkennen dat deze eerste Evangelische Kerk te Jeruzalem gesticht was op Strict Baptist-beginselen? Zijn wij niet nagevolgd de drie successievelijke stappen, neergelegd door Christus Zelf; eerst het discipelschap, dan de doop, en dan de gemeenschap? Laat ons nu zien of we een zelfde volgorde in de tweede Evangelische Kerk, namelijk die van Samaria, kunnen constateren (Hand.8).

Omdat de Kerk van Jeruzalem door vervolgingen verspreid is, gaat Filippus, een diaken der gemeente naar de stad Samaria, en daar predikt hij hun Christus (Hand. 8:5). De Heilige Geest zegent het woord, en plant geloof in het hart van sommigen van hen. ‘Zij geloofden Filippus die het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en van den Naam van Jezus Christus verkondigde.’ Hier hebben we dan evenals tevoren de eerste stap, namelijk het discipelschap. En nu volgt stap twee: ‘zij werden gedoopt, beide mannen en vrouwen’ (Hand.8:12). Omdat Filippus een diaken was en geen apostel, had hij niet de bevoegdheid een gemeente te stichten; en daarom: ‘Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het Woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes. Nu blijkt dat deze apostelen toen zij afkwamen, hen tot een gemeente gesticht hadden, want wij lezen dat zij ‘baden voor hen, en legden hen de handen op dat zij den Heilige Geest ontvangen mochten’, dat is: in Zijn wonderbare gaven, niet in Zijn levendmakende werking, want die hadden zij alreeds ervaren. Dat deze afdaling van de Heilige Geest iets zichtbaars was (wat Zijn vernieuwende werking niet is) (Joh.3:8;Luk.17:20,21), wordt duidelijk door Simon de tovenaar: ‘ziende dat door de oplegging van de handen der apostelen de Heilige Geest gegeven werd’; en hij bood hen geld aan opdat hij hetzelfde zou mogen doen, ongetwijfeld hopende geld te verdienen door deel te krijgen aan de kracht om ziekten te genezen en in vreemde talen te spreken.
Nu dan, uit 1 Kor.12 en 14 is duidelijk dat deze wonderlijke gaven beperkt waren tot de Kerk. ‘En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen’, enz. (1 Kor.12:28). Zie ook 1 Kor.14:4,5,12,18,19,23,25,28,33. Het is, daarom, duidelijk dat de Samaritaanse gelovigen tot een gemeente gevormd waren voordat de apostelen hen de handen oplegden zodat zij de Heilige Geest ontvangen zouden. Dus ook in het geval van de tweede gemeente was de Goddelijke volgorde, door Christus opgedragen, in acht genomen: eerst het discipelschap; ten tweede de doop; ten derde de gemeenschap.

Bij de stichting van de eerste heidengemeente in het huis van Cornelius werd dezelfde volgorde in acht genomen. Petrus predikte het woord (Hand.10:34); de Heilige Geest viel op hen die aanwezig waren, in dit geval in Zijn wonderlijke werking voorafgaande aan de doop, om aan degenen die uit de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus gekomen waren, te laten zien dat ‘ook op de heidenen de gave des Heiligen Geestes uitgestort werd.’ Hier is dan opnieuw de eerste stap het discipelschap, en nu volgt onmiddellijk de tweede, de doop. ‘Toen antwoordde Petrus: Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij? En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren’ (Hand.10:46-48). En dan volgt de derde stap, de gemeenschap. Want we lezen dat toen Petrus naar Jeruzalem terugkeerde ‘zij die uit de besnijdenis waren met hem twistten, zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten’; dat is, en hebt met hen des Heeren avondmaal gehouden.

De praktijk van het individu was dezelfde als de praktijk der gemeente. Paulus was eerst een discipel gemaakt, ‘niet door de mens, maar door Jezus Christus Zelf’, Die aan hem verscheen op zijn reis naar Damaskus. Hier was de eerste stap, het discipelschap. Toen werd hij gedoopt (Hand.9:18). Dit is stap twee. ‘En Paulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren.’ Aangezien zij het brood braken, in sommige gevallen iedere dag (Hand.2:46), in andere gevallen iedere zondag (Hand.20:7) is het duidelijk dat Paulus, na de doop, deelnam aan des Heeren avondmaal met de gemeente. Dit is stap drie, namelijk de gemeenschap.

Nog een ander voorbeeld: de apostel wordt door de Geest naar Korinthe geleid, waar hij het Woord predikt aan de heidenen (Hand.18:6). ‘En Crispus en velen van de Korinthiërs, hem horende, geloofden’; hier is de eerste stap: discipelschap. ‘en werden gedoopt’; hier is de tweede: de doop. Paulus sticht hen tot een gemeente, want in zijn eerste brief spreekt hij hen als volgt aan: ‘Aan de gemeente Gods, die te Korinthe is.’ (1 Kor.1:2); en geeft hen speciale aanwijzingen over des Heeren avondmaal dat zij onwaardiglijk hielden (1 Kor.11:20-24). Hier is stap drie: de gemeenschap. Misschien antwoordt iemand: ‘Maar Paulus zegt: Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen, en dus negeerde Paulus de doop nu en dan, of zag die door de vingers en liet personen tot de gemeente toe zonder dat zij gedoopt waren.’ Ik geloof niet dat Paulus zoiets gedaan heeft. Iedere ambtsdrager in de gemeente kon dopen, maar niet allen konden prediken in betoning des Geestes en der kracht. Daarom liet Paulus dat aan anderen over die daartoe bekwaam waren en hield zichzelf hoofdzakelijk bezig met de prediking des Woords, wat zij niet konden doen. Maar als de zaaier zijn aandacht alleen bij de zaadmand houdt, en het eggen overlaat aan de jongen die hem op de voet volgt, is dat dan een reden om het bezaaide land in het geheel niet te eggen? De zaaier kan zeggen: ‘Mijn meester zond mij om het koren te zaaien en niet om het veld te eggen, want een ieder kan eggen, maar er is een vaardige hand nodig om te zaaien’, betekent dat dan dat het zaad niet ingedekt hoeft te worden omdat de bekwamere werkman iets beters te doen heeft?
Iemand anders merkt misschien op: Paulus dankte God dat hij niemand anders gedoopt heeft dan Crispus en Gajus; hij achtte de doop dus niet erg hoog. Maar waarom dankte hij God? Om geen andere reden dan deze: ‘Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijn naam gedoopt heb.‘ Hij verafschuwde die geest van verdeeldheid die hen deed zeggen: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos, en ik van Céfas’, en was daarom zo verheugd dat door slechts weinigen gedoopt te hebben, hij niet het hoofd kon zijn van een omvangrijke groep die zou zeggen: ‘Ik ben van Paulus, want hij heeft mij gedoopt.’2
Maar dat zij allen wel gedoopt waren blijkt uit deze vraag: ‘Of zijt gij in Paulus’ naam gedoopt?’ (1 Kor.1:13) En zo doopt ook Petrus niet zelf Cornelius en zijn vrienden, maar ‘beval, dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren’ (Hand.10:48).
In zijn eerste brief aan de Korinthiërs, beschrijft Paulus hun de kenmerkende eigenschap van de gemeente in de woestijn. Hij zegt dat ‘onze vaders allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; en allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; en allen denzelfden geestelijke drank gedronken hebben’ (1 Kor.10:2-4). Hier zegt hij duidelijk dat de doorgang door de Rode Zee de doop symboliseerde, en dat het manna en het water uit de steenrots het avondmaal symboliseerden. Het woord ‘gedoopt’ bewijst het eerste, en zijn woorden (vers 16,17): ‘De drinkbeker der dankzegging, die wij dankzeggende zegenen’, enz. bewijst het laatste. Welnu, aan welke zijde van de Rode Zee werd het manna gegeten, vóórdat zij erdoor waren gegaan of erna? Zij waren gedoopt in de Rode Zee voordat zij het geestelijke manna aten, en de geestelijke drank dronken.

Welk recht heeft iemand dan om deze volgorde, bevolen door de Heere, zonder enige uitzondering in praktijk gebracht door de apostelen, en gesymboliseerd door de gemeente in de woestijn, omver te werpen? Wij hebben minstens een voorschrift of voorbeeld voor het tegenovergestelde nodig als wij deze Goddelijke volgorde durven te wijzigen. Kan de lakse Baptist het een of het ander aanwijzen? Als hij geen Schriftuurlijk voorschrift naar voren kan brengen, noch Schriftuurlijk voorbeeld van het deelnemen aan des Heeren avondmaal door ongedoopte personen, wat hebben we dan aan vage argumenten over middelen en mildheid? Het beste middel om de apostolische praktijk op te volgen, en de beste mildheid is het houden van Christus’ geboden. Het is een armzalige manier van liefde betonen aan Zijn volk door hen aan te moedigen in ongehoorzaamheid en te verwerpen wat Hij heeft bevolen. ‘Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden.‘ De apostel zegt tegen de Thessalonische broeders: ‘staat vast en houdt de inzettingen die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief (2 Thess.2:15). De Strict Baptist staat vast en houdt de inzettingen, de lakse Baptist wijkt af en verlaat ze. Wie handelt er meer Schriftuurlijk?
‘Maar’, zegt H.J., ‘Christus is de Deur.’ Dat is Hij, geloofd zij God. Maar Hij is een Deur op verschillende manieren. In Zijn bloed en in Zijn gerechtigheid is Hij de Deur der zaligheid; in Zijn hemels onderwijs is Hij de Deur der wedergeboorte; en in Zijn ordinanties is Hij de Deur van de gemeenschap der heiligen. Hij kan niet apart gezet worden in een van deze. Dan zou iemand bijvoorbeeld kunnen zeggen: ‘Christus is de Deur der zaligheid in Zijn bloed en gerechtigheid; daarom kunnen we Hem aan de kant zetten als de Deur der wedergeboorte.’ Een ander zou kunnen zeggen: ‘Christus is de Deur der wedergeboorte en daarom kunnen we Hem aan de kant zetten als de Deur der gemeenschap der heiligen.’ Het eerste is de fatale dwaling van de dogmatische antinomiaan; het tweede de fout van de open avondmaalsbaptist. Als Christus de doop als deur tot des Heeren avondmaal heeft gemaakt, wat ik van harte geloof, durven wij Zijn opdracht in deze zaak dan te verwerpen? Mogen wij de deur afbreken en slechts een kleine versperring laten waar sommigen overheen kunnen klimmen en anderen onderdoor zullen kruipen, en zeggen: ‘Christus is de Deur?’

Er zijn twee oorzaken die de geest beïnvloeden om gemeenschap te wensen zonder de doop, namelijk: onwetendheid of koppigheid. Of men ziet het doel der doop niet in, of men wil zich er niet aan onderwerpen. Nu, wat de eerste reden betreft, als men het doel der doop niet kan inzien, laat men dan wachten totdat men het inziet; ‘en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren.’ De sociniaan kan komen en zeggen: ‘Ik zie de Godheid van Christus niet in, noch de persoonlijkheid van de Heilige Geest’; en de arminiaan kan zeggen: ‘Ik zie de uitverkiezing niet in, noch de uiteindelijke volharding.’ Ons antwoord moet dan terecht zijn: ‘Uw onwetendheid is de drempel.’ Nu, hoewel ik zeker niet bedoel de godvrezende Independent te vergelijken met een sociniaan of een arminiaan, toch voel ik mij waar het de gemeente betreft volledig gerechtvaardigd als ik tegen hem zeg: ‘Uw onwetendheid van een serieuze en duidelijk geopenbaarde ordinantie is de drempel voor gemeenschap met de kerk.’
Neem de andere genoemde oorzaak; koppigheid en onwilligheid om het kruis op te nemen. Ik weet uit ervaring dat de doop een erg zwaar kruis is, ik kan eerlijk zeggen dat ik het een zwaardere beproeving vond om gedoopt te worden dan de staatskerk te verlaten. Ik werd verzocht in ziel en lichaam; in het eerste vanwege de vrees dat ik een huichelaar was, in het tweede omdat ik geloofde een longontsteking of een pleuritis op te zullen lopen en daaraan te zullen sterven. Ik weet zeker dat ik dit kruis zou hebben ontlopen indien ik gedurfd had. Mag de Baptist dan anderen toestaan dit kruis, dat hij op zich genomen heeft en zo zwaar vond, met de voeten te treden, omdat zij liever de gemeente ingesmokkeld worden, dan door een openlijk getuigenis van hun geloof in Christus in de gemeente te komen?
En in welk een situatie wordt de lakse Baptist geplaatst! Veronderstel dat de helft van zijn gemeente Baptisten zijn en de andere helft Independenten. De laatsten willen hun kinderen laten besprenkelen. Moet de betreffende predikant dat doen, en zo zijn eigen doop verloochenen en ontkennen? Hij zal daarom weigeren wat van hem wordt gevraagd. Maar hij heeft de besprenkeling al als doop erkend door Independenten toe te staan aan te zitten aan de tafel. Ik neem tenminste aan dat niemand ooit zijn beleefdheid zo ver liet gaan dat hij mensen die noch besprenkeld, noch gedoopt waren toestond aan het avondmaal. Wijlen Robert Hall, de grote voorstander van het open avondmaal, trok hier een streep en liet geen mensen toe die noch gedoopt, noch besprenkeld waren. Maar we zullen ervan uitgaan dat een persoon, het kind van de Baptistenouders, naar voren komt op grond van goede bevinding en toegang vraagt tot deze gemengde gemeente. Moet zo iemand gedoopt worden, of besprenkeld, of aanzitten zonder een van deze? Als hij gedoopt is, dan geeft hij aanstoot aan de Independent-leden; indien besprenkeld, dan geeft hij aanstoot aan de Baptist-leden; en indien geen van beide, hij geeft aanstoot aan beide. Hoe moet de predikant dan naar tevredenheid handelen? Als hij hem doopt dan verklaart hij de besprenkeling als onjuist, als hij hem besprenkelt dan verklaart hij de doop door onderdompeling als onjuist, als hij geen van beide doet verklaart hij die beide als onjuist. Nogmaals, deze bontgemengde dominee van een bontgemengd lichaam heeft zichzelf voorgoed het zwijgen opgelegd voor het prediken of strijden voor de doop, want als hij dat doet zullen zijn Independent-ouderlingen hun wenkbrauwen fronsen. Of als hij de moed heeft zich daar doorheen te breken, en de doop door onderdompeling voor te staan vanaf de kansel, dan veroordeelt hij daarmee alle leden die voor de besprenkeling zijn; en wanneer hij de ordinantie van de doop door onderdompeling als Goddelijke inzetting uiteengezet heeft, zal zijn Independent-voorlezer, gekwetst door zijn dominee, misschien een couplet van Watts uitkiezen dat naar zijn eigen zin is, en een wijs erbij zoeken die de laatste regel drie keer laat herhalen, dat de Independenten uit volle borst zullen meezingen, terwijl de Baptisten zwijgen, en de dominee erbij staat als het toonbeeld van vernedering;

‘Door milde wegen laat Jezus
Zijns Vaders verbond en liefde zien.
Hij verzegelt aan de heiligen Zijn heerlijke genade
En verhindert de jonge kinderen niet.’

De dominee daalt echter de kansel af, stopt al zijn ergernis zowel als al zijn doopsgezindheid, met zijn hoed en handschoenen onder de stoel, en breekt het brood voor zijn verdeelde gemeente, de Independenten triomferend met hun overwinnende voorlezer, en de Baptisten verbitterd over hun verslagen dominee – een aardig moment van liefde en eenheid waarop zij zo roemden, maar waarvoor een ordinantie werd opgeofferd!
Maar waarom deze koortsachtige bezorgdheid over des Heeren avondmaal? Waarom dit overdreven opkomen voor de ene inzetting, en overdreven wegduwen van de andere? Is de doop minder helder geopenbaard, minder nauwkeurig bevolen, minder duidelijk uitgevoerd in het Nieuwe Testament dan des Heeren avondmaal? Ik geloof van niet, integendeel. En waarom moeten Baptisten dit ‘aangezicht aannemen in de wet’ (Mal.2:9), toestaan in plaats van tegen hen die beweren de doop der gelovigen niet te zien, zeggen: ‘Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend’ (1 Kor.14:38), ‘maar wij hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeenten Gods’ en tegen hen, die het wel zien maar wensen te negeren: ‘En die zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mijns niet waardig?’ (Matth.10:38).
En ten slotte, welk voordeel wordt er bereikt door deze inzetting te negeren? Ik heb verscheidene geliefde en hooggeachte vrienden die met de doop der gelovigen niet willen of kunnen instemmen. Vermindert dit mijn liefde voor hen, of verhindert dit onze omgang? Absoluut niet. Wij praten graag over onze overeenkomsten, niet over onze verschillen; en ik zou de laatste zijn die hun de doop der gelovigen op zou willen dringen. Het is waar dat wij niet samen aan des Heeren avondmaal kunnen zitten, en ik heb meer dan eens de pijn gevoeld toen ik hen zag zitten; terwijl ik het brood brak met anderen, met wie ik veel minder of geen gemeenschap voelde. Maar door de omstandigheden van deze tijd gebeuren zulke dingen nu eenmaal. En er zou al veel opgelost zijn door de deur der gemeente smaller te maken dan nu de praktijk is. Ik behoor niet het kwade te doen, opdat het goede eruit voortkome, of een duidelijk gebod te overtreden, zodat er meer eenheid en gemeenschap zou komen, opdat ik mijzelf niet wijzer acht dan God.
Als ik mijn vriend liefheb en hoogacht zal ik niet wensen hem verkeerd te laten handelen door over de ene ordinantie heen te springen om hem deel te laten nemen aan de andere; en als hij mij liefheeft en hoogacht zal hij niet wensen mij verkeerd te laten handelen door hem toe te laten aan het avondmaal terwijl het tegen mijn consciëntie ingaat.
Ten slotte stel ik deze twee vragen aan iedere voorstander van het open avondmaal:
1) Is er, in het Nieuwe Testament, een voorbeeld van een ongedoopte gemeente die des Heeren avondmaal viert?
2) Mogen wij gemeenschap hebben voor de prijs der ongehoorzaamheid?
Als zij de bevestiging van deze twee vragen hebben bewezen zullen wij bereid zijn te luisteren naar de argumenten die zij gewoonlijk aanvoeren.
Ik voel dat ik deze belangrijke onderwerpen heb behandeld in zwakheid en zo ik verkozen zou hebben de hersenen van een dode man te verwarren, ik zou misschien meer resultaat gehad hebben. Maar ik heb er de voorkeur aan gegeven mijn eigen gedachten en wat ik hiervan geproefd en gesmaakt heb – om Dr. Gills woorden te gebruiken – hierover te laten gaan. Ik moet mij verontschuldigen voor de lengte van deze brief en ben de uwe, Stamford, 11 april 1840 J.C. Philpot

 


 

Philpot beantwoord tussen 1852-1866 vragen in de Gospel Standard die handelen over het Avondmaal des Heeren

Overgenomen uit ‘Afscheiding en Raadgevingen’

 

Februari 1852

  1. Hoe dient het brood aan de tafel des Heeren gebroken te worden?

Geachte heer, enkele vrienden in Exeter zouden graag weten wat de meest Schriftuurlijke manier is om het brood te breken aan de tafel des Heeren, zoals in de vroegchristelijke gemeenten gebruikelijk was. Moet het brood in kleine stukjes gebroken worden voordat de schaal wordt doorgegeven of moet het brood doorgegeven worden en ieder lid er voor zichzelf een klein stukje afbreken?

Hoogachtend, de uwe in het Evangelie van Christus, E.R.F.

E., 31 oktober 1851

Antwoord

Het nieuwe verbond onderscheidt zich van het oude door het ontbreken van ceremoniële voorschriften. De Heere heeft twee ordinanties ingesteld, de Doop en het Avondmaal des Heeren. Hij heeft bevolen dat de ene ordinantie zal worden bediend door onderdompeling in water in de Naam van een Drie-enig God en de andere ordinantie door het gebruik van brood en wijn. Maar verder hebben de Heere en Zijn apostelen geen concrete voorschriften gegeven. We moeten daarom zo goed mogelijk nagaan wat gebruikelijk was bij de apostelen en in de vroegchristelijke gemeenten. In Gods voorzienigheid brachten de ongeregeldheden in de gemeente te Korinthe Paulus tot enkele opmerkingen die, met andere Schriftplaatsen, licht hebben geworpen op de wijze waarop in de vroegchristelijke gemeenten het Avondmaal des Heeren werd bediend. Uit een vergelijking van 1 Korinthe 11:20 met Handelingen 20:7 blijkt dat de discipelen ‘bijeengekomen waren’ als gemeente ‘om brood te breken’. Uit 1 Korinthe 10:16 blijkt ook dat gebed of dankzegging tot God werd opgezonden en dat Zijn zegen over het Avondmaal des Heeren werd gevraagd. Het lijkt erop dat het Avondmaal des Heeren in de tijd van de apostelen meer het karakter van een maaltijd had dan nu. Met andere woorden, er werd meer brood gegeten en wijn gedronken. Maar nu de vraag: Hoe werd het brood gebroken? Brak één van de discipelen het brood of werd dat door ieder persoonlijk gedaan? De algemene regel luidt: ‘Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.’ Deze regel hadden de Korinthiërs overtreden. Ze twistten als het ware om het brood en de wijn. ‘Want in het eten neemt een iegelijk tevoren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de ander is dronken’ (1 Kor. 11:21). Het schijnt mij betamelijker en ordelijker als het brood door één persoon wordt gebroken en daarna wordt uitgedeeld, dan wanneer ieder lid voor zichzelf een stukje afbreekt. Dan ontstaat er minder verwarring en wordt de orde minder verstoord.

Uit Handelingen 20:11 kunnen we afleiden dat Paulus gewoonlijk zelf het brood brak, want we lezen daar: ‘Als hij weder boven gegaan was, en brood gebroken had.’ Het is duidelijk dat hij het brood voor de discipelen brak en zij niet zelf het brood braken. De onuitgesproken suggestie zou zijn dat de apostelen ook zelf de beker zegenden. Paulus spreekt over ‘de beker der dankzegging die wij – apostelen – zegenen’, niet ‘die u zegent’. Duidelijk is ook dat de Heere Jezus Zelf bij de instelling van het Avondmaal des Heeren het brood brak en aan Zijn discipelen gaf – hoewel wij geen moment iemand op de plaats van de Heere Jezus durven stellen. De Heere Jezus reikte hen het brood niet aan om er zelf een stukje af te breken, maar Hij brak het voor hen. Dat is zonder twijfel een Goddelijk voorbeeld dat Hij ons heeft nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden drukken. Als het Zijn heilige wil was geweest dat de discipelen onder elkaar het brood zouden breken, had Hij hen bij de instelling van het Avondmaal des Heeren het brood kunnen aanreiken om dat te breken.

Als we al deze punten overwegen, lijdt het voor ons geen twijfel dat het Schriftuurlijk en beter is om het brood te breken en aan de leden uit te delen dan om ieder voor zich een stukje af te breken. Dat kan beter ‘brood afbreken’ dan ‘brood breken’ genoemd worden.

 

Mei 1852

  1. Schorsing bij onthouding van het Avondmaal?

Mijnheer, ik wil u een tuchtkwestie voorleggen die speelt in een gemeente van de Particular Baptists zonder predikant. Wij hebben een lid dat zich al zes maanden onthouden heeft van het Avondmaal des Heeren, omdat bij hem de gedachte opgekomen is dat hij geen recht heeft tot de tafel. Daarom heeft hij besloten niet aan te zitten tot God hem een bepaald Schriftgedeelte indachtig maakt dat hem verzekert van zijn verkiezing door God. De diakenen beseffen dat het een heel tere zaak is om iemand af te snijden van hun gemeente. Toch schijnt het niet terecht als zijn naam in het ledenboek blijft staan. Verder wil ik nog zeggen dat zijn gedrag in alle andere opzichten het Evangelie van Christus waardig is.

Een van de diakenen.

4 maart 1852

Antwoord

We beschouwen de bovenstaande vraag als een heel moeilijke en gevoelige kwestie. Daarom geven we onze mening hierover met enige schroom.

Er is geen bijzonder gebod of voorbeeld in de Schrift dat ons hierin kan leiden. We moeten handelen naar de algemene bedoeling van het Woord, de geest van het Evangelie en de analogie van het geloof.

We moeten met twee partijen rekening houden: In de eerste plaats het lid en in de tweede plaats de gemeente.

Wat het lid betreft, merken we op dat de consciëntie een heel teer iets is. Daarom moeten we er zeer liefdevol en teder mee omgaan. 1 Korinthe 8 is heel leerzaam op dit punt. Als we een zwakke consciëntie verwonden, zondigen we tegen de broeders en zelfs tegen Christus (1 Kor. 8:12). Welnu, het is mogelijk dat de betreffende broeder door een verzoeking gekweld wordt of nog nooit een helder getuigenis heeft gehad van zijn aandeel in het verlossende bloed. Mogelijk is de eerste misstap geweest dat hij lid van de gemeente is geworden terwijl hij dat getuigenis miste. Gemeenten en predikanten maken soms jammerlijke vergissingen door kandidaten aan te nemen voordat ze een besef hebben van hun aandeel in Christus. Maar wat de reden ook is, zijn consciëntie is nu teerhartig en hij voelt zich ongeschikt om te naderen tot de tafel voordat de Heere licht geeft in zijn ziel. Ondanks deze teerhartigheid van zijn consciëntie op dit punt is zijn leven in overeenstemming met het Evangelie. Onder deze omstandigheden moeten wij bereid zijn om zijn tere gevoelens te respecteren. Neemt de gemeente hem aan als een broeder? Zijn de leden tevreden over hem, hoewel hij dat zelf niet is? Zouden ze zijn teerhartige consciëntie dan niet moeten respecteren? Kerkorde en tucht zijn voortreffelijke zaken, maar ze kunnen te hoog gewaardeerd worden. De letter van de wet moet ondergeschikt zijn aan de geest van de wet. Het nieuwe gebod is liefde. Daarom moet liefde het grote leidende beginsel zijn voor de gemeente en de individuele gelovigen.

De gemeente zegt echter: ‘Wij hebben regels en een van deze regels luidt dat leden die zich gedurende een bepaalde periode onthouden van de tafel, afgesneden worden.’ Goed, maar wat is eigenlijk de bedoeling van deze regel? Wat wordt ermee bedoeld? Een moedwillige, hardnekkige veronachtzaming van de ordinantie. De regel is ingesteld met het oog op hen die zich onthouden van de tafel vanwege verachting van de ordinantie of een twist met de gemeente. Ze is echter niet bedoeld voor hen die de ordinanties hoogachten en de leden van de gemeente liefhebben, maar afblijven uit schroom of vanwege een teerhartige consciëntie. Dit is daarom een uitzonderlijk geval dat niet onder deze regel valt. Daarom is deze regel niet van toepassing of wel van toepassing naar de letter, maar niet naar de geest.

Welnu, het is naar de geest van het Evangelie om niet vast te houden aan de letter als deze in strijd is met de geest. In dat geval moet de letterlijke betekenis wijken voor de geestelijke bedoeling. De letter zegt: ‘Hij heeft de regel overtreden. Hij moet afgesneden worden; behandel hem als een heiden en tollenaar.’ De geest zegt: ‘Wij hebben een hogere en meer verheven regel: Behandel hem als een vriend, een broeder.’

Maar er is nog een punt van overweging. Het afsnijden van een lid beschouwen we als een zeer ernstige zaak. Het wordt door de meeste gemeenten veel te gemakkelijk gedaan. Niemand kan 1 Korinthe 5:3-5 met een verlicht oog lezen zonder te beseffen dat het afsnijden van een lid een hoogst ernstige zaak is en veel meer gebed en overdenking vraagt dan in de praktijk gebeurt. We moeten ons hier niet laten leiden door de verderfelijke praktijken van die gemeenten die leden aannemen en afsnijden alsof ze clubs zijn en niet het lichaam van Christus genoemd worden, maar door de Schriften der waarheid, de voorschriften en gebruiken van het Nieuwe Testament. Als we die als onze leidraad nemen, zien we uit 2 Korinthe 2:4-9 hoeveel beroering het Paulus, hoeveel verdriet het de leden (2 Kor. 7:9-11) en hoeveel leedwezen het de geschorste persoon (2 Kor. 2:7) veroorzaakte om uitgesloten te zijn van de gemeenschap met de gemeente. In de krachtige taal van de apostel: Zo iemand is overgegeven ‘aan den satan, tot verderf des vleses’, alsof uitsluiting van de gemeenschap met de gemeente betekent dat hij overgegeven is om gekweld en benauwd te worden door de duivel. En als de afsnijding van een lid vanwege openlijke, schandelijke zonden zulke smart en droefheid veroorzaakte, kunnen we er zeker van zijn dat uitsluiting van de gemeente geen geringe straf is en daarom met de grootste voorzichtigheid moet worden toegepast, alleen wanneer dit uitdrukkelijk wordt vereist. Het afsnijden van een lid van de gemeente zou moeten zijn als het amputeren van een lid van ons eigen lichaam. Bij het natuurlijke lichaam is dit soms noodzakelijk om het leven te redden. Een verbrijzeld lichaamsdeel of ziek gewricht moet soms geamputeerd worden om de overige lichaamsdelen te behouden. Zo moet een zondig lid soms van de gemeente afgesneden worden. Maar zoals een kundig chirurg zich zal inspannen om het lichaamsdeel te redden, zo zal een wijze predikant proberen het lid te behouden. Zoals het natuurlijk lichaam terugschrikt voor het verlies van een arm, zo moet het geestelijk lichaam terugdeinzen voor het verliezen van een lid.

In deze ontaarde tijd, waarin de liefde is verkild, schijnen zulke opvattingen en overwegingen misschien misplaatst en daarom onbruikbaar. De waarheid en de geest van het Evangelie blijven echter hetzelfde, onaangetast door de veranderende opvattingen van de mensen.

Als het afsnijden van de gemeente zo’n zware straf is, zouden dienaren van de gemeente zich dan niet moeten bezinnen voordat ze die opleggen aan iemand die leeft naar het Evangelie, een teerhartige consciëntie heeft en graag met hen zou aanzitten, maar bang is voor aanmatiging? Zouden we iemand met een Schriftuurlijk leven en een teerhartige consciëntie dezelfde straf opleggen als iemand met een schandelijk leven en een verharde consciëntie? Dit zou niet slechts in strijd zijn met alle billijkheid, maar ook met de wet zelf, en nog veel meer met de letter en de geest van het Evangelie!

Ons advies is daarom om het lid niet af te snijden van de gemeente om de genoemde reden, maar hem te behandelen met de grootste tederheid en welwillendheid. Misschien zal de Heere spoedig tot hem overkomen. Dan zal de gemeente zich verheugen dat ze hem niet behandeld heeft als vijand, maar als broeder.

We kennen een bijna identiek geval, waarin de Heere zich na korte tijd openbaarde aan iemand die op een heel vergelijkbare manier beproefd werd, tot grote troost van die betreffende persoon én van de gemeente waarvan hij lid was.

 

Augustus 1852

  1. Wat is het juiste moment om het Avondmaal te gebruiken?

Mijnheer, wat is het juiste moment voor het aanzitten aan het Avondmaal des Heeren, ’s morgens, ’s middags of ’s avonds? We moeten toegeven dat de ordinantie ’s avonds is ingesteld. Is het dan niet het meest in overeenstemming met de Schrift én de naam en het karakter van de ordinantie om aan dat gedeelte van de dag vast te houden?

Antwoord

Voor de beantwoording van dergelijke vragen moeten we twee dingen overwegen. Ten eerste de uitdrukkelijke voorschriften en bevelen van de Heere of Zijn apostel. Ten tweede, de geest en de betekenis van de ordinantie. Als er een uitdrukkelijk gebod is, is dat beslissend. Een gewillige, hartelijke, kinderlijke gehoorzaamheid is dan wijs en heilzaam. Het Nieuwe Testament is echter geen regel van St. Dominicus of een rooms-katholieke richtlijn voor de mis, die een beschrijving bevat van elke beweging en elk gebaar, en aangeeft of de handen of de ogen opgeheven moeten worden, of we ons naar de mensen moeten toekeren en wanneer we voor het altaar moeten knielen. Is er geen uitdrukkelijk bevel en geen gewoonte met een duidelijk verplichtend karakter? Dan moeten we ons laten leiden door de geest van het Evangelie, die volkomen haaks staat op een strikte, nauwgezette naleving van louter vormelijke voorschriften en vooral op een slaafse onderhouding van bepaalde tijden en seizoenen. Dat laatste deden de Galaten – de onvermijdelijke vrucht van hun evangelie. ‘Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb’ (Gal. 4:10,11).

Maar laten we dieper ingaan op de verschillende delen van deze vraag, de principes die ons moeten brengen tot een goede beslissing. Dit is immers een van die vragen die niet louter op zichzelf staan, maar met andere vragen samenhangen. Het juiste antwoord lost dan in één keer alle vragen op.

We moeten altijd in gedachten houden dat de ordinanties van het huis des Heeren uitdrukkelijk door Hem Zelf zijn ingesteld. De Doop, waardoor wij toegang krijgen tot de zichtbare gemeente, en het Avondmaal des Heeren, in de gemeente het blijvende getuigenis van Zijn vlees en bloed, zijn door de Heere Zelf ingesteld. Hierover bestaat, althans onder ons, geen verschil van mening. Maar ook als we geloven dat de ordinanties zelf door God zijn ingesteld, kan de vraag rijzen of elke omstandigheid die verbonden is met de oorspronkelijke instelling, zo bindend voor ons is dat we daar in geen enkel opzicht van mogen afwijken. Is het antwoord bevestigend, dan zou daaruit volgen dat we alleen in de avond aan dat sacrament mogen deelnemen, omdat het Avondmaal des Heeren in de avond is ingesteld en ook uitdrukkelijk een ‘Avondmaal’ genoemd wordt (1 Kor. 11:20).

Maar zijn we gebonden aan zulke precieze details? Om deze vraag te ontwarren, moeten we de volgende zaken overwegen:

  1. Er zijn bepaalde zaken die uitdrukkelijk verbonden zijn met de ordinanties van Gods huis. Hiermee bedoelen we de elementen die uitdrukkelijk zijn ingesteld en door de Heere Zelf zijn bevolen. Als hiervan wordt afgeweken, wordt de ordinantie ontkracht en waardeloos. Bij de ordinantie van de Doop zijn dit de onderdompeling in water in de Naam van de gezegende Drie-eenheid en de bekering tot God. Daarnaast het geloof in de Heere Jezus Christus en ten vierde de belijdenis van Zijn Naam. Dit zijn onmisbare elementen, even noodzakelijk voor het wezen van de ordinantie als het licht en de warmte voor de zon of het voedsel voor het lichaam.

Zo zijn er ook wezenlijke elementen van de ordinantie van het Avondmaal des Heeren, namelijk brood en wijn. Het breken van het brood, het drinken van de wijn, het vragen van Gods zegen en het samenkomen van de gemeente met dat uitdrukkelijke doel, tot gedachtenis van de Heere Jezus, zijn allemaal wezenlijke elementen. Daarvan kunnen we niet afwijken zonder te zondigen.

  1. Daarnaast zijn er echter ook middelmatige zaken. Ze hebben geen wezenlijke betekenis voor de ordinantie. Dat zien we ook in de natuur. De lucht die we inademen en het water dat we drinken, bestaan beide uit twee verschillende elementen. Lucht en water ontstaan door de verbinding van deze elementen. Worden ze echter gescheiden, zoals scheikundigen doen, dan is lucht geen lucht meer en water geen water. De lucht kan vol dampen zijn. Pestdampen kunnen de lucht vergiftigen of de rozentuin kan een aangename geur verspreiden, maar het blijft lucht. Er kan helder water van de berg stromen of modderig water naar de zee vloeien, zoals bij de Theems, maar het blijft water. Zo zijn er bij de ordinanties van Gods huis ook wezenlijke elementen en middelmatige zaken. De laatste mogen variëren of veranderen, de eerste niet.

Maar is de tijd waarop het Avondmaal des Heeren wordt bediend, een wezenlijk element of een middelmatige zaak? Naar onze mening is het een middelmatige zaak. Het wezen van de ordinantie wordt daardoor niet beïnvloed. Het Avondmaal des Heeren wordt niet wezenlijk anders als het drie of vier uur eerder óf drie of vier uur later wordt bediend. Hiervan hebben we een opmerkelijk voorbeeld (Hand. 20). Kort voor zonsopgang brak Paulus het brood voor de discipelen. Zij waren samengekomen op de eerste dag van de week om het brood te breken, vermoedelijk in de avond. Paulus gaat zo op in de prediking dat hij zijn preek uitstrekt tot middernacht. Éutychus, een slaperige jongen, valt van de derde verdieping en wordt dood opgetild. Paulus wekt hem op. Daarna breekt hij het brood en blijft spreken tot de dag aanbreekt. Wel, als de bediening van het Avondmaal des Heeren uitsluitend ’s avonds mocht plaatsvinden, overtrad Paulus hier beslist het gebod, want hij brak het brood na middernacht.

Als we het Avondmaal des Heeren precies zo moesten bedienen als toen het voor het eerst werd ingesteld, zouden we moeten zeggen dat de avond beslist het meest geschikte moment was. Het pascha werd altijd op dat moment gevierd en het Avondmaal des Heeren werd ingesteld direct nadat de Heere Jezus het pascha had gegeten met Zijn discipelen. Maar als we ons gebonden voelen aan de exacte tijd van de instelling, waarom passen we dat principe dan niet stipt toe? Waarom gebruiken we dan geen ongezuurd brood, want dat werd beslist gegeten bij het eerste Avondmaal, omdat er toen geen ander brood in huis mocht zijn (Ex. 12:19). Waarom strekken we ons niet in onze volle lengte uit op ligbanken? Waarom vieren we het Avondmaal des Heeren niet in een opperzaal en gebruiken we geen wijn uit Judéa, zoals de prins van Wales gedoopt werd met water uit de Jordaan? We zien onmiddellijk dat het onmogelijk of op zijn minst onpraktisch zou zijn om op zulke kleine details te letten. En als het wel mogelijk was, wat zouden we dan winnen door slaafs vast te houden aan de vorm? Louter een farizeïsche, aloude plechtigheid, niet meer dan een onveranderlijke letter waaruit alle geest is verdwenen, een overdreven nabootsing zoals Whitefield zag in Lissabon. Zoals de ziel in deze staat niet zonder het lichaam kan en toch belangrijker is, zo kan in de ordinantie de geest niet bestaan zonder de vorm. Postuur, kleur, leeftijd en kleding maken het lichaam niet wezenlijk anders, maar zijn veranderlijke bijkomstigheden. Zo lang de ordinantie in ere wordt gehouden en de wezenlijke elementen bewaard blijven, moeten we niet nauwgezet en slaafs vasthouden aan veranderlijke omstandigheden, zoals het tijdstip, het brood en de houding.[1]

Hoe laat het Avondmaal des Heeren wordt bediend en of dat op de eerste, tweede of laatste zondag van de maand gebeurt, is voor de gemeente een kwestie van het geschikte moment. Op het platteland, waar de hoorders her en der wonen, is het doorgaans ondoenlijk om de dienst in de avond te beleggen – ervan uitgaande dat er slechts twee diensten zijn. Hoorders die afstanden van vijf tot tien mijl moeten afleggen, kunnen niet tot de avond blijven, vooral niet in de winter. Om hen tegemoet te komen, moet de dienst in de middag plaatsvinden. Als Gods volk bijeenkomt om te roemen in Zijn zelfopofferende liefde en Hij aanwezig is om de gasten te zegenen, is het dan een misdaad waarvoor de rechter hen moet straffen, als de klok vier en geen acht uur aanwijst? Laten we de geest vasthouden en niet de letter. Moge het ons verlangen zijn om de aanwezigheid van de Heere te ervaren in de ordinantie, om door het geloof Zijn vlees te eten en Zijn bloed te drinken. Dan zullen onbelangrijke, kleine details een gepaste plaats krijgen.

 

Mei 1855

  1. Mogen General Baptists aanzitten met Particular Baptists?

Geachte heer, is het Bijbels als een gemeente van de Particular Baptists leden van de General Baptists toelaat tot de tafel des Heeren, op basis van de gegronde veronderstelling dat ze kinderen des Heeren zijn? U zou ons met een antwoord op deze vraag een grote dienst bewijzen.

De uwe in de Heere, Bèta, Delta.

Antwoord

Alle gemeenten van de Particular Baptists beschouwen een dergelijke praktijk als een ondermijning van hun beginselen en een aanvaarding van dwaling en wanorde. Mogelijk is dit niet duidelijk voor sommige mensen in onze gemeenten, die God oprecht vrezen. Daarom zullen we enkele woorden aan dit onderwerp wijden.

We geven volmondig toe dat het op het eerste gezicht bekrompen en onbuigzaam schijnt, en in het oog van sommigen bijna onchristelijk is om General Baptists die de kenmerken van genade vertonen, niet met de Strict Baptists te laten aanzitten. Het gaat hier echter niet om de individuele personen, maar om het principe. Wat hard schijnt met het oog op personen, kan volkomen rechtmatig blijken als het over zaken gaat. In dit geval moeten we niet letten op de persoonlijke gevoelens van individuele leden, maar op de belangen van de gemeente, de ‘pilaar en vastigheid der waarheid’. Mag de gemeente, als erfgenaam van Christus, een dwaling en dwalende mensen gedogen? Dat doen we beslist wel als we leden van dwalende gemeenten toelaten aan de tafel. Als we namelijk de leden gedogen, accepteren we ook de gemeente en de predikant. Bovendien, welk bewijs hebben we dat ze deelgenoot zijn van de genade, terwijl ze zulke dwalingen geloven? Want dat moeten we toch aannemen, zolang ze General Baptists blijven. De General Baptists zijn weggezonken in de dwaalleer van de vrije wil en de meesten van hen zijn dodelijke vijanden van een Evangelie van vrije genade. Hoe kunnen we aan de tafel des Heeren mensen verwelkomen die Zijn volbrachte werk loochenen, die niet ontbloot en ontledigd zijn van zichzelf, en die strijden tegen de kostelijke waarheden waaraan wij al onze hoop ontlenen?

U antwoordt misschien: ‘Dat doen deze leden niet.’ Maar hun predikant doet dat wel en ook de gemeente waaraan zij verbonden zijn. Zolang zij met die gemeente verenigd zijn, zijn dit ook hun woorden en daden, want als zij zich zouden uitspreken tegen de leerstukken die hun predikant belijdt, zou er spoedig een eind komen aan hun lidmaatschap. Zouden we hun predikanten toelaten op onze preekstoel? Waarom zouden we hun leden dan wel aan onze tafel laten aanzitten? ‘Zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn’ (Amos 3:3)? Hoe kunnen voorstanders van de particuliere verzoening wandelen met voorstanders van de universele verzoening? Hoe kunnen vrienden van vrije genade zich verenigen met vrienden van de vrije wil? Hoe kunnen zij die volkomen en uitsluitend Christus’ gerechtigheid aangrijpen, samen optrekken met hen die deels hun eigengerechtigheid vasthouden? Aan de tafel des Heeren willen we liefde en eenheid, zodat we één van hart en zin zijn. Maar hoe is dat mogelijk als leden van de General Baptists samen met ons deelnemen aan deze plechtige ordinantie? Als ze Gods kinderen zijn en de waarheid in liefde ontvangen hebben, waarom zitten ze dan nog onder de dwaling? Waarom blijven ze nog lid van gemeenten waar een dwaalleer wordt gebracht? Waarom gaan ze niet uit hun midden weg en scheiden ze zich niet af, zoals de Heere gebiedt?

Waarom willen ze eigenlijk aanzitten met de Particular Baptists? Hebben ze niet hun eigen tafel? Waarom blijven ze daar niet? Waarom willen ze dat wij hun dwalingen gedogen? Zeer waarschijnlijk blijven ze lid van dode gemeenten, omdat ze hun vlees willen behagen of hun eigen lusten willen bevredigen. Waarom zouden we dit moeten goedvinden en bedekken, zodat zij gestijfd worden in het kwaad? Als ze één van hart met ons zijn, waarom sluiten ze zich dan niet openlijk bij ons aan? Als ze zich niet één voelen met ons, waarom willen ze dan met ons aanzitten?

Door ons uit te spreken tegen hun toelating aan de tafel – niet vanwege een vooroordeel tegen de individuele persoon, maar op grond van de waarheid en onze consciëntie – bewegen we hen er misschien toe om hun verkeerde wegen te overdenken. Zo kan onze schijnbare hardheid beter voor hen zijn dan een mildheid die aangenaam is voor het vlees. Zolang gemeenten waar de waarheid beleden wordt, de dwaling gedogen in woord of daad, in principe of in de praktijk, zal de ernst ervan gebagatelliseerd worden. Zo worden waarheid en leugen verward, gemeente en wereld onmerkbaar vermengd, de tegen de dwaalleer opgetrokken muren neergehaald. Ten slotte wordt de scheiding van al het kwaad opgeheven.

De enige manier is dat we vanaf het begin weerstand bieden. We moeten weigeren toe te geven aan deze schijnbare kleinigheid en dat ogenschijnlijke wissewasje in de ogen van de mensen, alsof er iets onbeduidend is in de waarheid van God en Zijn dienst. Vanaf het begin moeten we ons verzetten tegen elke dwaling en elk kwaad, zoals we onmiddellijk een klein lek in een schip zouden dichten of een vonk in een kamer zouden uittrappen, om te voorkomen dat het schip zinkt of het huis afbrandt. Particular Baptists die niet vasthouden aan hun geloof en orde, zullen spoedig ook andere vernieuwingen gedogen, totdat ze uiteindelijk al hun onderscheidende kenmerken kwijtraken en puur werelds worden, een jammerlijk overblijfsel van wat ze eens waren. Bij individuele personen begint de zonde vaak met iets kleins. Het een leidt tot het ander en uiteindelijk komen ze tot grove zonde. Zo begint in gemeenten dwaling en verval vaak met de vraag: ‘Is dit geen kleinigheid?’

We zijn op deze gronden dus tegen toelating van leden van General Baptists-gemeenten tot de tafel des Heeren, omdat we zo de dwaling gedogen, onze geloofsopvatting en orde omverwerpen en een weg banen naar vereniging met de wereld, met alle schadelijke gevolgen van dien.

 

September 1855

  1. Mag men bij onmin samen aan de tafel des Heeren zitten?

Geachte heer, is het goed als leden van de gemeente aan de tafel des Heeren zitten, terwijl ze zoveel tegen elkaar hebben dat ze niet met elkaar spreken en naar elkaar luisteren? Hoe is dit te rijmen met de volgende Bijbelteksten? ‘Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het, dat broeders ook tezamen wonen’ (Ps. 133:1). ‘Die den HEERE vrezen, spreken vaak, een ieder tot zijn naaste (Mal. 3:16, Eng. vert.). ‘Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander’ (Joh. 13:35). Kunnen zulke hoorders vrucht ontvangen onder het gepredikte Woord? We hopen dat u wilt antwoorden in de Gospel Standard.

Hoogachtend, een trouwe lezer.

Antwoord

Verdeeldheid in de gemeente en persoonlijke twisten zijn droevige vruchten van de val. Zonder twijfel staan ze haaks op de geboden en de geest van het Evangelie. Helaas zijn er maar weinig gemeenten waarin verdeeldheid en twist niet in meerdere of mindere mate wordt gevonden.

De vraag is echter in hoeverre de gemeenteleden daardoor belemmerd worden om samen aan de tafel des Heeren te zitten. Als we een algemene regel zouden formuleren, van deze strekking dat bij verdeeldheid of tweedracht de twistende partijen niet samen mogen aanzitten, zouden spoedig vele leden niet meer deelnemen aan het Avondmaal des Heeren. Anderzijds schijnt het zeer bedroevend en ongepast te zijn wanneer leden als broeders aan de tafel des Heeren zitten, gezamenlijk de tekenen van Zijn lichaam en bloed ontvangen, en tegelijkertijd zo in onmin leven dat ze elkaar daarna niet eens willen spreken.

Dit zou niet zo moeten zijn. Een gekwetst lid zou veel beter geduldig onrecht kunnen verdragen dan op zo’n moment en zo’n manier zijn wrevel tonen. Bij dergelijke kwesties moet veel aan de consciëntie van de individuele personen overgelaten worden en aan de vrucht van het werk van de Heilige Geest in hun hart. Als er geen sprake is van een openlijke breuk en een publieke ruzie, kan de gemeente niet echt ingrijpen. Als we over een wond wrijven, verergert de pijn. Rust zorgt vaak voor herstel. Zo is het ook bij gevoelens van afkeer. Als er ruchtbaarheid aan gegeven wordt, neemt de ergernis waarschijnlijk toe. Anders zullen ze vaak langzamerhand wegebben en plaatsmaken voor betere gevoelens. In al deze kwesties is veel wijsheid en verdraagzaamheid nodig. We moeten steeds bedenken dat we nog in het lichaam zijn. We zijn arme, gevallen zondaren die alleen door soevereine genade verlost worden. Als we moeten wachten tot iedere grief tegen een broeder weggenomen is, zullen we mogelijk helemaal nooit aan de tafel des Heeren zitten. Juist dat onaangename gevoelen kan tot een belijdenis brengen en het samen neerzitten kan onder Gods zegen die liefde opwekken die dat gevoel verdrijft.

 

November 1855

  1. Wie moet het Avondmaal des Heeren bedienen?

Geachte heer, als u het zinvol vindt, zou ik blij zijn als u in de Gospel Standard uw mening zou willen geven over de Bijbelse invulling van het Avondmaal des Heeren. (Bovendien ken ik nog een of twee van uw vrienden die zich met mij zouden verblijden.) Ik ken enkele dienaars van de waarheid, die het gepast vinden om alle gemeenteleden die zich daartoe gedrongen voelen, vrij te laten om op te staan, een gebed te doen, een gedeelte van Gods Woord te lezen en een gezang op te geven. Zij vinden dat dit en elk onderdeel van de avondmaalbediening niet alleen aan de predikant is voorbehouden en dat hij slechts als lid van de gemeente moet aanzitten.

Minimus.

Antwoord

Orde is gewenst, om niet te zeggen onmisbaar, in de hele eredienst en bovenal bij de bediening van het Avondmaal des Heeren. ‘De apostel zegt: ‘Mij verblijdende en ziende uw ordening’ (Kol. 2:5) en: ‘Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden’ (1 Kor. 14:40).

Het is een algemene regel dat er geen orde is zonder leider. Zoals we onlangs duidelijk gemaakt hebben, was de gemeente te Korinthe de meest ongeregelde gemeente in het Nieuwe Testament; naar onze mening vooral omdat er geen predikant en regerende ouderlingen waren. Omdat ze zich aan de tafel des Heeren zo ongeregeld gedroegen, kregen ze van de apostel een bijzondere en strenge berisping (1 Kor. 11:17-33). Een kleine gemeente met ongeveer een dozijn leden en een grote onderlinge verbondenheid, die recent is gesticht en waar nog geen verdeeldheid of jaloezie is ontstaan, is niet te vergelijken met een grote gemeente die al lang bestaat. Wat voor de eerste gemeente heel geschikt is, past mogelijk totaal niet bij de laatste. Mogelijk kan de plechtigheid in een kleine gemeente heel eenvoudig en sober zijn. Dat betekent echter in geen geval dat dit even geschikt is voor een grotere gemeente, met veel opvattingen en veel leden met een verschillende leeftijd en positie. Verspreid over het platteland zijn er veel kleine gemeenten zonder predikant. Er is geen reden om het Avondmaal des Heeren daar niet op de meest stichtelijke en profijtelijke wijze te bedienen. Deze gemeenten moeten echter niet stellen dat dit ook de beste manier is voor grotere gemeenten met een predikant. Veel regels die wel geschikt zijn voor een klein gezin, zouden in een groot gezin misplaatst zijn. Bij kleine ondernemingen kan er een zekere mate van vrijheid zijn, die bij grotere bedrijven tot chaos en verwarring zou leiden. Zo ook bij gemeenten. Hoe groter de gemeente, hoe groter de noodzaak van orde en regel. We zijn evenzeer gekant tegen gekonkel en heerszucht als iedereen, maar we zijn warme vrienden van orde, rust en stichting, want ‘God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de gemeenten der heiligen’ (1 Kor. 14:33).

Laten we onszelf dan beperken tot gemeenten met een predikant of betrouwbare waarnemers en een redelijk groot ledental. Naar onze stellige overtuiging is de predikant de geschiktste persoon om het Avondmaal des Heeren te bedienen. Om te voorkomen dat iemand zal denken dat we natuurlijk een voorkeur hebben voor het ambtsgewaad, geven we de volgende redenen voor onze mening.

  1. Dit strookt het meest met de orde waarover we hebben gesproken. Stelt u zich voor dat het aan de tafel volkomen onzeker was wie het gezang zou opgeven, de zegen zou vragen en het brood zou breken. Dan zou er, vooral in een grote gemeente, een mate van verwarring en gespannen verwachting ontstaan die zeer schadelijk is voor onze gebedsgestalte, onze meditatie en ons verlangen om een gezicht en gevoel te krijgen van het lijden van de Zaligmaker; een verlangen dat allen, behalve verharde belijders, dan in hun hart levend wensen te voelen. Zij die de predikant liefhebben, zouden het erg vinden als zijn plaats door een ander werd ingenomen. De stem van het lid dat het gezang opgaf, is mogelijk wel de laatste die anderen wensen te horen. Als de predikant zijn plaats aan de tafel inneemt, ontstaat er spontaan een gevoel van orde.
  1. Vanwege zijn ambt schijnt vooral de predikant de positie te hebben om de ordinantie te bedienen. Er is afgunst en verdeeldheid in de gemeenten. Om verschillende redenen hebben de meest vooraanstaande mensen vaak bezwaren tegen sommige leden. Zij hebben echter de sterkste begeerte om te spreken, te bidden, te lezen, gezangen op te geven en zichzelf op de voorgrond te plaatsen. Als de bediening van het Avondmaal des Heeren voor alle leden open was, zouden juist zij onmiddellijk dit ambt op zich nemen, niet om de gemeente te stichten, maar om zichzelf te verhogen.
  1. Als de predikant de ordinantie bedient, kleeft daaraan niet het nadeel wat praktisch altijd verbonden zou zijn aan de bediening van het Avondmaal des Heeren door een gewoon lid. Hij is algemeen aanvaardbaar voor de gemeente of zou dat moeten zijn, zodat geen van de leden geërgerd zal zijn als hij het Avondmaal des Heeren bedient. Blijkbaar is het zozeer zijn taak dat daardoor geen jaloezie wordt verwekt. Er is iets in ons wat geen aanmatiging kan verdragen, maar onmiddellijk buigt voor gezag. Wat bij anderen als aanmatiging overkomt, is bij de predikant blijkbaar alleen wettig gezag, waartoe hij bevoegd is vanwege de verhouding waarin hij tot de gemeente staat. Hij mag de kansel beklimmen. Hij is gerechtigd om een kerkelijke vergadering te leiden. Het is zijn ambt om een kandidaat te dopen. Het is zijn taak om de zieken te bezoeken. Een ander zou een of al deze dingen even goed kunnen doen. Als God hem echter genadig de bekwaamheid verleend heeft en de gemeente hem verkozen heeft om deze taken te verrichten, waarom zouden we hem dan het breken van het brood ontzeggen? Het is overduidelijk dat Paulus het brood voor de discipelen brak, nadat hij te Tróas gepreekt had (Hand. 20:11). Zij die zojuist het Woord van zijn lippen ontvangen hadden, waren ongetwijfeld blij dat ze het brood uit zijn handen ontvingen. Iemand moet de leiding hebben om de orde te bewaren en om te voorkomen dat verkeerde gevoelens ontstaan, als we de nabijheid en de zegen van de Heere het meest begeren. Wie zou daarvoor beter geschikt zijn dan de man die de gemeente als haar onderherder beschouwt, die allen als hun predikant zien – of zouden moeten zien – en die sommigen hartelijk liefhebben als hun geestelijke vader?
  1. Het gevaar van zelfverheffing tijdens de bediening van het Avondmaal des Heeren is niet zo groot als bij een gewoon lid. De predikant beschouwt het breken van het brood, het uitschenken van de wijn en het zoeken van de zegen des Heeren voor de gemeente evenzeer als zijn taak als de prediking van het Woord des levens.

Wij hebben het sterke vermoeden dat de geest die de predikant van de tafel wil verdrijven, niet heel veel verschilt van de geest die hem van de preekstoel wil verbannen. We vermoeden dat Plymouth[2] de hoek is waaruit deze winden waaien.

 

September 1857

  1. Kan een zieke vrouw buiten de Doop om lid worden?

Geachte heer, het volgende is mij ter ore gekomen. Ik voor mij zou dankbaar zijn als de Heere uw hart zou willen neigen om in de Gospel Standard uw mening daarover te geven. Een lid van een baptistengemeente heeft een vrouw die door genade geroepen is en nu met haar hele hart de Doop van de gelovigen omhelst. Ze gaat echter gebukt onder een chronische ziekte, waardoor ze de ordinantie van de Doop niet kan ontvangen. Ze begeert vurig Gods volk te ontmoeten en voelt dat ze zich uitsluitend kan voegen bij hen die het gesloten Avondmaal in ere houden. Zou het onder zulke omstandigheden strijdig met de ordening van het Evangelie zijn om haar op te nemen in de gemeente (zonder een precedent te scheppen)? Haar ziekte en lichamelijke zwakheid maken het voor haar immers onmogelijk om de ordinantie van de Doop te ontvangen, hoewel zij dat vurig wenst.

Hoogachtend, een trouwe lezer.

Antwoord

Dit is precies de manier waarop dwaling en zonde de gemeente binnensluipen en de waarheid en ordening van het Evangelie ondermijnen. Onderdompeling maakte plaats voor uitgieting, het gieten van water over het hoofd of gezicht, en daarna voor besprenging. Zo werd de Doop feitelijk geloochend en ontkracht. Juist verzoeken en verontschuldigingen zoals hierboven waren daar de oorzaak van. Al heel vroeg in de geschiedenis van de gemeente werd het regel om de Doop uit te stellen, vanwege de bijgelovige gedachte dat de Doop de zonde kon afwassen. Het gevolg was dat de Doop vaak zo lang werd uitgesteld dat onderdompeling van de stervende niet meer mogelijk was. Moest hij dan zonder de Doop, en dus zonder vergeving, sterven? Naarmate de Doop meer tot een zaligmakende ordinantie werd verheven, werd de noodzaak van de bediening groter. Deze moeilijkheid werd als volgt opgelost. De geleerde theologen beslisten dat het uitgieten van het water over het gezicht even goed was als het onderdompelen van het hele lichaam. De stervende kon dus vergeving ontvangen zonder zijn leven in gevaar te brengen.

De volgende stap was heel gemakkelijk. Bij de zonde leidt de ene stap tot de volgende; zo ook bij de dwaling. Als het geoorloofd is om water uit een bekken te gieten, kunnen we ook een beetje water uit het bekken op de dopeling sprenkelen. Nu de wijze waarop de ordinantie bediend wordt, eenmaal veranderd is en het bekken in plaats van de rivier of het doopbassin gekomen is, kan het ook niet veel meer uitmaken of al het water of slechts een deel daarvan wordt gebruikt. Toen de ordinantie niet langer meer werd bediend zoals ze door de Heere was ingesteld en door de apostelen werd bediend, kwam stap voor stap de dwaling de gemeente binnen en kreeg er vaste voet aan de grond. Toen was de overgang van de Doop van volwassen gelovigen naar de besprenging van alle kinderen gemakkelijk.

God is jaloers op Zijn eigen voorschriften. Misschien lijkt het passender en praktischer om de ark te vervoeren op een nieuwe wagen dan om deze op de schouders te dragen. Dat dacht God echter niet en daarom toonde Hij Zijn ongenoegen door een ernstige straf. Hij heeft ‘onder ons een scheur gedaan, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht’ (1 Kron. 15:13). Iets kan ons recht schijnen en een bepaalde stap kan onder bepaalde omstandigheden geoorloofd lijken. Het vlees pleit vurig voor toegeeflijkheid, het uit te voeren plan schijnt aanbevelenswaardig en redelijk, en de Schriftuurlijke weg moeilijk of onbegaanbaar. Al die tijd bedekt de sluier van het ongeloof onze ogen en weegt Gods eer niet op ons hart. Zo is het open Avondmaal in de gemeenten ingevoerd. Wij hebben ons afgevraagd wat passend was en aangenaam voor het vlees.

De briefschrijver stelt dat dit één bijzonder geval is, dat geen gewoonte mag worden. Wij weten echter hoe één voorbeeld praktisch altijd navolging vindt en hoeveel water kan ontsnappen door een heel klein gat in een molenstuw. De satan en het vlees hebben het water tot een verschrikking gemaakt voor sommige mensen. Hoewel wij al jarenlang een zwakke gezondheid hebben, is dat zelden een belemmering geweest om dagelijks veel koud water te gebruiken. We geloven dat er weinig, heel weinig, gevallen zijn waarin de Doop door onderdompeling gevaarlijk kan zijn. Als dit echter een van deze zeldzame gevallen is, mogen we omwille van één persoon Gods voorschrift niet ongehoorzaam zijn. Als ze vanwege haar klacht niet gedoopt kan worden, zal de Heere, Die geen harde Meester maar een geduldige Vader is, de wil voor de daad houden. Is ze gedoopt met de Heilige Geest? Is ze door het geloof gespijsd en gelaafd met het vlees en bloed van de Zoon van God? Dan heeft ze reeds de weldaden ontvangen waarvan de Doop en het Avondmaal des Heeren slechts de uitwendige, zichtbare tekenen en afschaduwingen zijn.

 

Mei 1858

  1. Kan het Avondmaal in besloten kring gehouden worden?

Geachte heer, ik zou u dankbaar zijn als u in overeenstemming met Gods Woord, de enige veilige regel voor gelovigen, zou willen aangeven of u het Schriftuurlijk acht dat slechts enkele mensen met elkaar afspreken om gezamenlijk het brood te breken, zonder predikanten uit te nodigen om dat in het openbaar te doen.

Hoogachtend, een liefhebber van de waarheid.

Antwoord

De bovenstaande vraag is wat onduidelijk. Omdat we menen de bedoeling van de schrijver te kunnen gissen, zullen we ons antwoord daarnaar richten. Voor een goede en Schriftuurlijke conclusie over dit onderwerp, en ook over alle vergelijkbare thema’s, moeten we eerst een helder overzicht hebben van de fundamentele, Schriftuurlijke beginselen.

We geloven dat in het Nieuwe Testament, zowel overeenkomstig de instelling als de praktijk, het Avondmaal des Heeren was voorbehouden aan de gemeente. Het is geen bijeenkomst van vrienden, geen gezellige maaltijd van gelovigen, maar een instelling van Gods huis. Daarom moet het Avondmaal des Heeren alleen in Gods huis gevierd worden. Het Avondmaal des Heeren is niet slechts de gedachtenis van de dood des Heeren totdat Hij komt, maar ook een teken en blijk van de wederzijdse gemeenschap tussen de leden van een gemeente van Christus, en een heilzaam middel om hun gemeenschap met Hem en met elkaar te verlevendigen en te versterken. Het Avondmaal des Heeren is bij uitstek en uitsluitend een kerkelijke ordinantie. Het is dus volstrekt vereist dat er een gemeente moet zijn om eraan deel te kunnen nemen. Waar geen gemeente is, kan de ordinantie niet bediend worden. De gemeente kan heel klein zijn. Zo lezen we over een huisgemeente (Kol. 4:15; Fil. vers 2). Groot of klein, het blijft een gemeente. Maar twee, drie of twintig mensen, hetzij gedoopt of ongedoopt, die samenkomen om het brood te breken, vormen geen gemeente, net zo min als een hoop stenen of een stapel bakstenen een huis zijn. De ordinanties zijn ordinanties van Gods huis en dat huis is een Evangeliegemeente. Dat is wezenlijk anders dan een bijeenkomst van enkele of vele mensen die samenkomen om het brood te breken, op grond van het enkele feit dat ze elkaar als gelovigen erkennen.

Dit is een van de kenmerken die de twee ordinanties, de Doop en het Avondmaal des Heeren, onderscheidt van de genademiddelen zoals prediking, gebed, lezen en zingen. Overal waar gelovigen samenkomen, mogen de genademiddelen gebruikt worden. Het Avondmaal des Heeren is echter een bijzondere ordinantie van Gods huis en mag niet bediend worden buiten Gods huis, dat is, de gemeente van Christus. Plaats, tijd en wie de ordinantie bedient – als het tenminste een lid van de gemeente is – zijn middelmatige zaken. Het is echter geen middelmatige zaak als twee, drie of twintig mensen samenkomen en zeggen: ‘We zullen onder ons het brood breken, en dit is de Heere even aangenaam als wanneer we allemaal leden van de gemeente waren en uitdrukkelijk met dat doel bijeenkwamen.’ God is geen God van wanorde, maar van orde. Hij heeft bepaald dat er een gemeente moet zijn en dat Zijn ordinanties in en door de gemeente worden bediend. Iedere inbreuk op de door God bepaalde orde is ongehoorzaamheid, op zijn zachtst gezegd, aan Zijn geopenbaarde wil.

Het is moeilijk om als bewijs concrete teksten te noemen. We moeten ons laten leiden door de algemene analogie van het geloof. Duidelijk is echter dat onmiddellijk na de Pinksterdag een gemeente werd gevormd, want we lezen in Handelingen 2:47: ‘En de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden.’ Even duidelijk is dat in die gemeente het Avondmaal des Heeren werd gevierd. In Handelingen 2:42 lezen we: ‘En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.’

Veronderstel dat twee, drie of twintig mensen die zichzelf gelovigen in Christus noemden, in die dagen de leer van de apostelen, de gemeenschap en de kerkorde verworpen hadden, dat ze gezamenlijk bijeenkomsten hadden belegd en zogenaamd het Avondmaal des Heeren gevierd hadden. Zou dat geen scheurmakerij en ongehoorzaamheid geweest zijn? Is de situatie nu wezenlijk anders? Hebben we in het huis Gods, in de gemeente, nog steeds de leer der apostelen, de gemeenschap, de breking des brood en de gebeden? Wat is het anders dan scheurmakerij en ongehoorzaamheid als enkele mensen, die nooit samen een gemeente gevormd hebben, samenkomen en zogenaamd het Avondmaal des Heeren vieren? In werkelijkheid is dit niets meer dan brood eten en wijn drinken, zonder enige grond in Gods Woord. Het is niet de aanwezigheid of de afwezigheid van een predikant die van doorslaggevende betekenis is. Een gemeente is volkomen vrij om het Avondmaal des Heeren te vieren zonder predikant, maar een predikant heeft geen volmacht om zonder een gemeente het Avondmaal des Heeren te bedienen.

 

Mei 1864

  1. Is het juist om bij schorsing van een diaken het Avondmaal uit te stellen?

Geachte heer, stel dat een lid en diaken van een gemeente van de Particular Baptists ongeregeld wandelt en door de gemeente enige tijd op non-actief gesteld wordt, bijvoorbeeld voor drie maanden, en aan het eind van die periode door de gemeente wordt verzocht om zijn zonde te belijden. Is het dan juist of in overeenstemming met de Schrift der waarheid om het Avondmaal des Heeren uit te stellen, omdat hij niet voor de gemeente wil verschijnen?

Ik zou heel blij zijn als u in de Gospel Standard wilt aangeven hoe u hierover denkt.

De uwe om der waarheid wil, een zwakkeling.

Antwoord

We veronderstellen dat de bovenstaande uiteenzetting juist is. Helaas moeten we echter zeggen dat we vaak zulke onjuiste, eenzijdige beschrijvingen ontvangen dat daardoor een heel verkeerde indruk gewekt wordt. Ervan uitgaande dat het bovenstaande een eerlijke, onpartijdige uiteenzetting van de situatie is, kunnen we slechts onze verbazing uiten dat zo’n vraag nodig wordt geacht. In welke toestand moet de gemeente volgens de bovenstaande uiteenzetting verkeren! De briefschrijver vermeldt niet of de gemeente een predikant heeft. Uit de wanorde die er heerst, moeten we afleiden dat dit niet zo is. Wie daar vooral schuld aan heeft, weten we niet.

In de eerste plaats zou de diaken aan het eind van die periode niet verzocht moeten worden om zijn zonde te belijden. Hem zou meegedeeld moeten worden dat de tijd van schorsing verstreken is en dat de gemeente bereid is te luisteren of de Heere hem berouw heeft gegeven over zijn zonde. Er moet echter geen verzoek gedaan worden, tenzij hij kennelijke blijken van berouw heeft getoond en zo’n diep besef van zijn eigen onwaardigheid om terug te keren, dat de gemeente zich genoopt voelde om hem te vertroosten, opdat hij niet door al te overvloedige droefheid verslonden zou worden. Uit zijn weigering om aan dit verzoek gehoor te geven, lijkt integendeel te volgen dat hij eerder gekrenkt dan verootmoedigd is door zijn straf, en niet waarlijk tot berouw en droefheid naar God gebracht is. Hij moet daarom met een heel verkeerde geest bezet zijn.

Vervolgens de bediening van het Avondmaal des Heeren nalaten, omdat de betreffende diaken zijn zonde niet voor de gemeente wil belijden. Hoe moet het met de gemeente gesteld zijn als zo’n ongerijmde, ongeregelde handelwijze wordt goedgekeurd? Hoe kan een dergelijke verwaarlozing om die reden in overeenstemming zijn met de Schrift der waarheid? We zouden de gemeente daarom willen adviseren, als ons advies van enige waarde is, om de schorsing van de diaken te handhaven tot berouw en belijdenis van de zonde zijn gevolgd, en om de ordinantie van het Avondmaal des Heeren net als anders te bedienen, onafhankelijk van de gesteldheid van dit lid. Het is namelijk schandelijk dat de bediening van ordinanties van Gods huis nagelaten wordt vanwege één lid, en nog wel een lid dat geschorst is vanwege een ongeregelde wandel.

 

Augustus 1864

  1. Kan een lid elders aanzitten in een gemeente die open Avondmaal hanteert?

Geachte uitgever, uw vriendelijke, beknopte en Schriftuurlijke antwoorden op vragen in de Gospel Standard hebben veel twistgesprekken beslist en vaak rust gebracht in het gemoed van Gods zwakke kinderen. Zou u daarom zo vriendelijk willen zijn om uw gedachten over het volgende onderwerp op papier te zetten?

Stelt u zich voor dat een lid van een Evangeliegemeente, die gefundeerd is op de beginselen van de Strict Baptists zoals deze in het Nieuwe Testament zijn opgetekend en bevolen, voor zijn werk of voor zijn plezier, voor korte of langere tijd, naar een afgelegen plaats verhuist. Zou dit lid onder zulke of soortgelijke omstandigheden mogen aanzitten aan de tafel des Heeren met mensen die een open Avondmaal voorstaan? Wanneer blijkt dat hij zo gehandeld heeft, wanneer de predikant (of diaken, als er geen predikant is) het dwalende lid in liefde en genegenheid vermaant, en wanneer dit lid niet buigt onder de vriendelijke en zachtmoedige vermaning, maar een geest van eigengerechtigheid toont en openlijk verklaart dat hij dit weer zal doen als de gelegenheid zich voordoet, wat is de plicht van de gemeente in dat geval?

Verschillende lezers die de Gospel Standard en haar uitgever een warm hart toedragen, zouden erg blij zijn met een vriendelijk antwoord.

Een liefhebber van de Bijbelse waarheid en orde.

Antwoord

We twijfelen niet welk antwoord we moeten geven op bovenstaande vraag. Voordat we dit echter doen, zullen we proberen zo eenvoudig en kort mogelijk de beginselen en principes weer te geven waarvan de Strict Baptists in een dergelijk geval uitgaan, omdat ze vaak verkeerd begrepen of voorgesteld worden.

We geven volmondig toe dat het op het eerste gezicht enigszins in strijd lijkt te zijn met de liefde en de geest van het Evangelie om aan erkende broeders, indien ze ongedoopt zijn, niet alleen het Avondmaal te ontzeggen, maar zelfs zo star en onbuigzaam te zijn dat we het aanzitten aan de tafel des Heeren in gemeenten met een open avondmaalbediening verbieden. Daarom is het noodzakelijk om goede gronden te hebben voor een praktijk die zo haaks schijnt te staan op de geest van het Evangelie.

Omdat we in deze beperkte ruimte geen bewijs kunnen geven voor ons punt, hoewel dat heel goed mogelijk is, zullen we alleen de beginselen noemen waarvan de gemeenten van de Strict Baptists uitgaan. Allereerst stellen we dat zowel de Doop als het Avondmaal des Heeren ordinanties zijn die God heeft ingesteld. Ze zijn bedoeld als een blijvend getuigenis van de zaken die ze betekenen. Dit eenvoudige feit neemt ons beide ordinanties geheel uit handen. We mogen de ene ordinantie net zo min wijzigen als de andere. Wijzigingen in de bediening en in de toelating van personen zijn niet geoorloofd. Als we naar ons goeddunken de ene ordinantie mogen gebruiken of veronachtzamen en verachten, mogen we ook zo met de andere ordinantie omgaan. Als we, naar eigen keus, mogen dopen of niet, kinderen mogen besprenkelen of gelovigen mogen onderdompelen, kunnen we in dezelfde vrije, zelfgekozen weg het Avondmaal des Heeren volkomen veronachtzamen of brood en wijn vervangen door andere elementen.

De Strict Baptists zijn tegen deze vrijzinnigheid in beginselen en in de praktijk. Zij stellen, wat niemand op grond van de Schrift kan loochenen, dat voor de apostelen de Doop de toegangsdeur tot de gemeente was en het Avondmaal des Heeren een kerkelijke ordinantie. Daarom leren ze dat een ongedoopte naar Schriftuurlijk gebruik niet mag deelnemen aan het Avondmaal des Heeren. Omdat ze geloven dat dit een Schriftuurlijke regel is, durven ze die niet te overtreden of daarvan af te wijken. Merk op, dat we hier geen bewijs leveren voor ons punt – dat zou vele pagina’s kosten – maar slechts de gronden en grondbeginselen noemen waarvan de Strict Baptists uitgaan. De Strict Baptists geloven dat het on-Schriftuurlijk is om het brood te breken voor ongedoopten. Daarom geven ze leden van hun gemeente die on-Schriftuurlijke praktijken goedkeuren of aanmoedigen, berispingen. Ze zeggen, volkomen terecht: ‘Het zou zeer ongepast zijn als we, direct of indirect, zouden goedkeuren wat naar onze overtuiging on-Schriftuurlijk is, en zo zouden handelen in strijd met onze leer en onze gebruiken. We geloven vast dat de geïnspireerde apostelen van onze gezegende Heere géén ongedoopte persoon toestemming gegeven zouden hebben om aan het Avondmaal des Heeren aan te zitten.[3]

Als een van onze leden door met ongedoopten aan te zitten, goedkeurt wat wij on-Schriftuurlijk achten, kunnen we dat niet door de vingers zien. Zo wordt de orde der gemeente overtreden en de omheining afgebroken die, naar wij geloven, tussen de gemeente en de wereld is opgetrokken door de geïnspireerde apostelen van onze gezegende Heere. Het kan hard schijnen om onze leden te straffen voor deelname aan het Avondmaal des Heeren met gelovige broeders. Deze broeders handelen echter on-Schriftuurlijk en wandelen tot nu toe ongeregeld. Deze ongeregelde wandel wordt door onze leden aangemoedigd en goedgekeurd. Als we dat negeren, krijgen we deel aan hun zonde. We maken ons schuldig aan ongehoorzaamheid, omdat we onze ogen sluiten voor hun zonde. Hoe hard het ook schijnt te zijn, we stellen hen onder de tucht om niet de zonde van instemming op ons te laden.

Op deze gronden worden leden die aanzitten in gemeenten met een open avondmaalbediening, door de Strict Baptists gestraft met berispingen. Het is louter een zaak van evangelische orde. De vraag is helemaal niet of degenen met wie het lid aanzit gelovige broeders zijn, en of de liefde en de geest van het Evangelie in de plaats komen van de voorschriften en gebruiken van het Evangelie. De geest en de gebruiken van het Evangelie kunnen niet echt met elkaar in strijd zijn. Het punt is echter of zij die geregeld willen wandelen, mogen dulden en goedkeuren dat een broeder ongeregeld wandelt. Het is geen kwestie van broederlijke liefde, maar van evangelische orde. Het komt vooral hierop neer: Als ik mijn broeder liefheb en als bewijs van mijn liefde met hem wil delen in de blijken van de liefde des Heeren, mag ik daarom dan ongehoorzaam zijn aan wat naar mijn overtuiging de geopenbaarde wil is van de Heere Die we beiden liefhebben? Ik zeg: ‘Nee’, en dat zou hij ook moeten zeggen. Hij zou immers niet moeten willen dat ik mijn consciëntie verwond door mijn ongehoorzaamheid of door tegen mijn principes in te handelen.

Nu rijst echter de vraag wat de Strict Baptists moeten doen als een van hun leden handelt zoals in de bovenstaande vraag is beschreven. Als een lid verder van de gemeente komt te wonen, mag hij dan de regel van de kerkorde overtreden, die gebaseerd is op de al eerder genoemde gronden? Als dat zo zou zijn, zou dezelfde situatie ook elke andere daad van ongehoorzaamheid of ordeloosheid rechtvaardigen. Zo wordt een christelijke wandel, of ten minste de orde in de gemeente, afhankelijk van de afstand over de weg of het spoor. Wat absoluut ongeoorloofd zou zijn voor een lid dat in Londen woont, zou helemaal niet verkeerd zijn als hij op het platteland ging wonen. Wat hij niet zou of mocht doen op een afstand van een of twee mijl van zijn kapel, zou hij wel kunnen en mogen doen als hij tachtig mijl weg woonde. Maar regels en het handhaven van orde in de gemeente kunnen niet gebaseerd worden op afstand, de vervoersprijs of het spoorboekje. Als gedrag thuis verkeerd is, is het in den vreemde ook verkeerd. Een verhuizing naar een verre plaats, zelfs als daar geen gemeente is met dezelfde geloofsbelijdenis en orde, rechtvaardigt geen overtreding van de orderegels in de gemeente waartoe het lid behoort.

Maar wat moet de gemeente doen als het dwalende lid zijn daad rechtvaardigt en verklaart dat hij opnieuw zo zal handelen als de gelegenheid zich voordoet? We hebben ernstige bezwaren tegen strenge maatregelen bij kerkelijke aangelegenheden, als er geen sprake is van een kennelijke overtreding van zedelijke regels of openlijke zonde. We moeten daarom eerst proberen liefdevolle raadgevingen of waarschuwingen te geven, of het dwalende lid te wijzen op de grondbeginselen waarvan de Strict Baptists uitgaan.

Als dit vruchteloos is en het gedrag herhaald wordt, zien we geen andere mogelijkheid dan schorsing, want er moet in de gemeente tucht en orde zijn. Als deze stap geen resultaat heeft, moeten we – hoe pijnlijk ook – overgaan tot afsnijding. Overhaaste, overijlde maatregelen keuren we sterk af, bijvoorbeeld de onmiddellijke afsnijding van een lid vanwege een daad, alsof hij een verschrikkelijk misdrijf gepleegd had. We moeten nooit harde maatregelen treffen voordat gematigde middelen zijn toegepast en vruchteloos zijn gebleken. Het is veel beter om een broeder te winnen met een vriendelijke en wijze raad dan om hem door scherpe berispingen van ons te verwijderen. Deze berispingen hebben niet alleen hun uitwerking op zijn gemoed, maar brengen ook andere christenen die onze uitgangspunten niet kennen of begrijpen, tot veroordeling van onze geest en gebruiken.

 

Maart 1866

  1. Was het gebroken brood een beeld van het lichaam des Heeren?

Geachte uitgever, zou u mij uw mening willen geven over de volgende teksten? In Lukas 22:19 nam Christus ‘brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis’. In Johannes 19:33 en 36 lezen we echter: ‘Maar komende tot Jezus, als zij zagen dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet.’ ‘Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden.’ Ik zou graag willen weten hoe het gebroken brood een teken kan zijn van Christus’ lichaam, als geen been van Hem verbroken is? Zijn lichaam was gekneusd en opengereten, maar niet verbrijzeld. Ik vraag uw mening omdat ik graag de waarheid wil weten.

Hoogachtend, J.S. M’C. Eagle

Canada West, 24 augustus 1865

Antwoord

In onze ogen is het niet zo moeilijk om het breken van het brood te rijmen met de ongebroken beenderen. Het breken van het brood is een symbolische daad. Het is een teken van het lichaam van Christus dat verbroken werd door het lijden dat Hij verdroeg, toen Hij de zonde ‘tenietdeed door Zijns Zelfs offerande’ (Hebr. 9:26). De apostel, die door Goddelijke openbaring spreekt over de instelling van het Avondmaal des Heeren, zegt: ‘Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht in welken Hij verraden werd, het brood nam, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis’ (1 Kor. 11:23-24). Hier zegt de Heere Zelf dat Zijn lichaam gebroken wordt. Maar hoe? Zijn vlees werd gebroken door slagen, vooral door de wrede geseling die Hij onderging op bevel van Pilatus, door de doornen van Zijn kroon, door de nagels van het kruis en door de speer van de Romeinse soldaat. Zijn lichaam werd van Zijn ziel gescheiden en dus, in zekere zin, gebroken. Zijn hart was ook gebroken. Niet letterlijk, zoals sommigen ten onrechte hebben gezegd, maar geestelijk. Hij riep uit: ‘De versmaadheid heeft Mijn hart gebroken’ (Ps. 69:21), en: ‘Mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden Mijns ingewands’ (Ps. 22:15). ‘Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. (…) Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem krank gemaakt’ (Jes. 53:5,10). Al dit lijden naar lichaam en ziel, al deze slagen, worden treffend voorgesteld door het breken van het brood.

Dit alles is echter niet in strijd met de tekst dat geen been van Hem verbroken zou worden. Het lichaam kan gebroken zijn, terwijl geen van de beenderen verbroken is. Duidelijk moest zijn dat de Heere Zijn leven vrijwillig afgelegd had en dat het Hem niet met geweld ontnomen was. Hij heeft het Zelf zo schoon verwoord: ‘Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen’ (Joh. 10:17-18). Niet het kruis was de oorzaak van Zijn dood. Zijn sterven was een vrijwillige daad. Hij legde Zijn leven af; niemand kon Zijn leven van Hem nemen. Om dit duidelijk te maken, blies Hij de laatste adem uit voordat de soldaten kwamen. Hier schijnt een heilige gepastheid in te liggen. Als we het zo mogen zeggen, God wilde niet dat het lichaam van Jezus onnodig verminkt werd. Het was noodzakelijk voor het offer dat Zijn bloed gestort werd, want ‘zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving’ (Hebr. 9:22). De dood van het slachtoffer was onmisbaar. Anders was het offer niet volkomen en genoegzaam. Door de nagels in Zijn handen en voeten en door het doorsteken van Zijn zijde was Zijn kostbaar bloed vergoten. Door Zijn vrijwillig sterven was het offer volmaakt. Daarom was het niet nodig dat Zijn heilig lichaam na Zijn dood verminkt zou worden door Zijn benen te breken. Het werk was volbracht, het offer volkomen, de zonde weggenomen, de wet vervuld, het recht voldaan, de satan overwonnen, de gemeente verlost en God verheerlijkt.

Het zou niet betamelijk geweest zijn als de beenderen van dit dierbare lichaam verbroken werden nadat alles zo volbracht was. De moordenaars waren misdadigers. Hoewel één van hen door soevereine genade gered werd, ontvingen ze straf waardig hetgeen ze gedaan hadden (Luk. 23:41). De boze Joden kruisigden Hem tussen de twee moordenaars. Maar was het niet betamelijk dat er enig onderscheid zou zijn tussen het lichaam van de heilige, onschuldige Zoon van God en deze ellendige misdadigers? God liet niet toe dat Christus de smaad zou dragen die hun werd aangedaan. Er moest gezorgd worden voor Zijn lichaam. In een hof was al een plaats toebereid om het te begraven. Een graf waarin nog nooit iemand gelegen had, was al gereed om het lichaam van Jezus te ontvangen, zodat het daar kon rusten tot de morgen van de opstanding. Toen verrees het met alleen de tekenen van de nagelen in Zijn handen en voeten, en van de speer in Zijn zijde. Een verheerlijkt lichaam, zoals het nu volkomen en volmaakt zit aan de rechterhand des Vaders.

Dit werd afgebeeld door het paaslam, waarvan geen been gebroken mocht worden (Ex. 12:46; Num. 9:12). Het is in overeenstemming met de tekst: ‘Hij bewaart al zijn beenderen; niet één van die wordt gebroken’ (Ps. 34:21). Zo bestaat er dus geen tegenstrijdigheid tussen het breken van het brood en Zijn ongebroken beenderen. Alle tekenen zijn per definitie onvolmaakt. Het gaat slechts om de belangrijkste betekenis. Het breken van het brood is een zinnebeeld van het gebroken lichaam van Jezus. Bovendien is de gepaste en zinnebeeldige uitdeling van het brood aan de deelnemers van het Avondmaal onmogelijk als het brood niet gebroken wordt.

[1] We maken tegen het knielen bezwaar op dezelfde gronden als onze puriteinse voorvaders: 1. Het past niet bij het karakter van een Avondmaal. 2. Het werkt een bijgelovige verering van het brood en de wijn in de hand.

[2] Philpot verwijst hier naar de Plymouth Brethren, een groep mensen met bezwaren tegen de Anglicaanse kerk. Zij braken elke zondag het brood tijdens hun bijeenkomsten en achtten roeping belangrijker dan de aanstelling door mensen. (noot vert.)

[3] We hebben soms beseft en gezegd dat Paulus net zomin een bekeerde heiden, bijvoorbeeld de stokbewaarder te Filippi, ongedoopt aan het Avondmaal toegelaten zou hebben als Mozes een onbesneden Israëliet toegestaan zou hebben aan het pascha deel te nemen. Niet dat de Doop en de besnijdenis voor ons op gelijke voet staan, want de ene ordinantie is uit het Evangelie en de andere uit de wet. De ene is de gehoorzaamheid van een gelovig hart (Mark. 16:16), de andere was bevolen op straffe van uitroeiing uit Israël (Gen. 17:14).