Het leven van W Tiptaft

Tijdlijn (1803-1864)

  • William Tiptaft, geboren 16-2-1803 in Braunston bij Oakham, Rutland, jongste zoon van 6 kinderen – Elizabeth, Deborah Ward, James, Robert Tomblin, Eliza, William – vader James (1811†) en moeder Elizabeth (1817†) zijn begraven in de kerk van Braunston.
  • 10-1812 t/m 6-1821 studie gymnasium incl latijn, grieks en wiskunde in Uppingham, Rutland
  • 10-1821 start studie in St Johns College Cambridge
  • 3-1826 hulppredikant te Treborough
  • 1-1827 zijn bekering
  • 1-1828 hulppredikant te Stogumber bij Bath
  • 2-1829 predikant in Sutton Courtney, Church of All Saints
  • 5-1829 voor het eerst J.C. Philpot ontmoet, in Wallingford
  • 10-1829 meer doorleiding in geestelijke zaken
  • 25-12-1830 gepreekt in de grote St. Helens Church te Abingdon
  • 24-11-1831 verlaat de Kerk van Engeland
  • 25-3-1832 de nieuwe Abbey Chapel te Abingdon geopend door Warburton en Hitchock
  • 17-6-1832 zondag, Tiptaft zelf gedoopt in de Old Chapel of Devizes, Wiltshire, door Hitchcock
  • 1834-1848 kost en inwoning geboden aan John Kay
  • 29-1-1843 eerste doop in de Abbey Chapel, 23 mensen, grote zegening in de nacht daarop
  • 29-4-1863 laatste preek in Abingdon, gezwel in zijn keel, daarna verzorgd bij zijn zus Deborah Ward Keal (1791-1871) en zwager William Tomblin Keal (1792-1874) te Oakham
  • 1-7-1864 terug naar Abingdon, verzorgd door vrienden
  • 17-8-1864 overleden, begraven door Tanner, Corton en Hammond op de begraafplaats van Abingdon, JCP was door ziekte verhinderd.

LevensloopTiptaft_Portret_1

William Tiptaft werd op 16 febuari 1803 geboren in Braunston, een dorp bij Oakham in Rutland. Zijn vader, James Tiptaft (overleden in 1811), was een tamelijk welvarende en vermogende akkerbouwer en veeboer. Zijn moeder, Elizabeth Tiptaft (overleden in 1817), stond bijzonder bekend om de striktheid van haar godsdienstige principes, haar vriendelijkheid en vrijgevigheid jegens de armen en haar beminnelijke karakter. Beide ouders waren trouwe aanhangers van de Kerk van Engeland. William lijkt veel van de aard van zijn moeder te hebben geërfd.

Nog geen tien jaar oud, werd William naar de Grammar School te Uppingham in Rutland gestuurd, met het doel opgeleid te worden tot geestelijke. Hier bleef hij tot hij in 1821 naar St. Johns College in Cambridge ging. Na een zware tyfusaanval te hebben overleefd, behaalde hij in 1825 zijn bachelorsgraad. Hij deed een vervolgstudie bij een privéleraar, werd in 1826 geordend in de Wells Cathedral en benoemd als hulpprediker te Treborough in Somerset. In januari 1828 werd hij benoemd als hulpprediker van Stogumber in Somerset, en in februari 1829 werd hij aangesteld op de standplaats van Sutton Courtney in Oxfordshire.

Hoewel hij Anglicaans predikant was, kende hij voor zichzelf geestelijk niets van de waarheden die hij geleerd had en die hij predikte, totdat zijn ziel in 1827 tot ontwaking kwam. Om het in zijn eigen woorden weer te geven: Ik geloof dat mijn ziel in januari 1827 werd levend gemaakt. Vanaf die tijd heb ik in mijn hart kenmerken gehad van de vreze Gods en vurige verlangens om door de Geest van God recht te worden onderwezen. Maar hoe duister, blind en onwetend ben ik geweest in geestelijke zaken. Hoe zou ik dat ook gebleven zijn, als er geen rijke, soevereine genade was. …….. Ik werd van de waarheid ervan overtuigd. Dit vond plaats in de tweede helft van de zomer van 1829. Door genade ben ik sindsdien in staat gesteld voortdurend voor deze leer te strijden.

Het was in de zomer van 1829 dat Mr. Tiptaft op een bijeenkomst in Wallingfort Philpot leerde kennen, die toen hulpprediker in Stadhampton was, een dorp ongeveer zes mijl van Sutton Courtney verwijderd. Zijn vriendschap met Mr. Philpot groeide. Het gebeurde wel dat Philpot een dienst voor Tiptaft waarnam en bij hem logeerde. Tijdens deze bezoeken werd er veel gesproken over de dingen des Heeren en was er meer en meer eensgezindheid in geestelijke zaken.

Ook was hij in die tijd verloofd met ‘een zeer beminnelijke en innemende jonge vrouw, de oudste dochter van een hoog gerespecteerd Anglicaans predikant in de buurt’. Zij verbrak de verloving nadat Tiptaft de leerstukken der genade was gaan beleven en verkondigen, in haar ogen ‘extreme opvattingen’. Tiptaft is sindsdien altijd vrijgezel gebleven, volgens hem de meest geschikte staat voor het werk waarvoor God hem bestemd had.

Een gebeurtenis die hem meer in openbaarheid bracht was het preken op kerstavond 1829 voor de burgemeester en de gemeenteraad van Abingdon in de St. Helen’s kerk. Hij predikte uit Matthéüs 1:21: en begon zijn preek met: ‘Ik sta vanavond voor u als dienstknecht van Christus of als dienstknecht van de duivel.’ Het had een ‘elektrisch’ effect en werd vele jaren lang onthouden door degenen die hem toen hoorden. Zijn heldere, eenvoudige uitspraken over de Goddelijke waarheid veroorzaakten zulk een opschudding in de stad Abingdon als zelden is gezien.

Tiptaft maakte zich steeds meer zorgen over zijn positie in de Kerk van Engeland. In een brief uit die tijd zegt hij: ‘Ik moet u nu zeggen dat mijn gemoed gekweld wordt over het verlaten van de Kerk van Engeland, want ik merk dat ik niet mijn standplaats en tegelijk een goede consciëntie kan houden.’ Kort daarna, in november 1831, gaf hij zijn standplaats op en kocht een stuk land in Abingdon, waar hij de Abbey kapel oprichtte, grotendeels op eigen kosten, die geopend werd op 25 maart 1832. Hier predikte hij tot zijn dood in 1864. Op 17 juni 1832 werd hij door Mr. Hitchcock gedoopt te Devizes in Wiltshire.

Tiptaft_Oakham_10_zus_Deborah_Keal_Marketplace Tiptaft_Oakham_9_zus_Deborah_Keal_Marketplace

Hij predikte ook regelmatig in Oakham, nabij zijn geboorteplaats Braunston en logeerde dan bij zijn zus en zwager, de familie Keal. Zijn prediking in Abingdon, maar zeker ook in Oakham ging in zijn begintijd vergezeld van Gods zegen in het roepen van zondaren uit de duisternis. Vele jaren later, toen Philpot deelpredikant van de gemeenten in Oakham en Stamford geworden was, getuigden velen dat hun eerste ontwaken door de bediening van Tiptaft was geschied. Toch had de Heere ander werk voor hem te doen. Het behaagde de Heere hem in veel inwendige beproevingen te brengen, die hem erg drukten. In 1835 schreef hij: Ik raak er meer en meer van overtuigd hoe weinig ik weet en hoe ongeschikt ik ben om te preken. Het werk van de bediening is voor mij een grotere beproeving dan het ooit geweest is. Hij zegt van zijn bediening dat hij zo onwaardig was, zo ongeschikt, zo onwetend, om te staan tussen de eeuwig levende God en nimmer stervende zielen.

Gods genade kwam in deze toestand overvloedig openbaar, omdat het hem weerhield van de hoogmoed en bracht hem ertoe meer te wandelen in de vallei der verootmoediging. Zijn droevige en beproefde weg duurde verscheidene jaren; hij moest verder met preken te midden van veel duisternis en dienstbaarheid van geest. Toch gaf de Heere hem zelfs in deze toestand veel getuigenissen dat zijn werk niet ijdel was. Door te hard werken en zijn innerlijke beproevingen werd hij in 1838 ernstig ziek. Tot zijn herstel in augustus 1839 verbleef hij bij zijn zus en zwager.

Tiptaft maakte zich veel zorgen over het waarnemen van de ordinanties van de Doop en het Avondmaal des Heeren in Abingdon. Want er waren veel mensen die onder zijn bediening geroepen of gezegend waren, en die graag een openbare belijdenis van hun geloof in de Heere Jezus Christus wilden afleggen. Zijn eigen moeilijkheden hadden hem er lange tijd van weerhouden, maar in januari 1843 werd hij in staat gesteld om door alle hinderpalen heen te breken en werd hij genadig gesterkt om 23 personen te dopen. Op de avond die op deze doop volgde, gaf de Heere hem de grootste zegen die hij ooit ervaren heeft. Tiptaft schrijft daarvan: Zodra ik ’s avonds in bed lag, voelde ik dat mijn hart begon te smelten en had ik een zoet gevoel van Gods liefde voor mijn ziel, wat mijn tranen onmiddellijk deed stromen. De Heere begon op zoete wijze dierbare beloften aan mijn ziel toe te passen, met zalving en kracht, en in een mate waarmee ik nooit eerder gezegend ben. Ja, ik heb nog nooit zo’n gezegende openbaring en zoete verlossing ondervonden, hoewel ik verschillende tijden kan noemen waarop ik gezegend ben. Die bleven echter ver achter bij deze zoete zegen voor mijn ziel……Tot tussen twaalf en één uur lag ik in deze gezegende toestand op bed en viel toen in slaap, ongeveer twee uur lang. Ik werd wakker in een kostelijke gestalte, terwijl de Heere mijn ziel opnieuw zegende, totdat ik mij ervan moest weerhouden luid te wenen. Ik ging niet opnieuw slapen, maar lag wakker, terwijl ik God loofde en prees voor Zijn goedheid en genade aan mijn ziel, onder vernederende gezichten van mijzelf en verheven gezichten van de gezegende Jezus. Ik had gemeenschap en omgang met Hem in Zijn zware strijd en lijden.

Philpot schrijft over deze zegening: Op de volgende dag des Heeren deed hij de mensen verslag van de opmerkelijke zegen waarmee hij aldus begunstigd werd. Er is mij verteld dat zulk een schouwspel als toen plaatsvond, vrijwel nooit eerder in een kapel gezien was. Hij weende en het volk weende van louter vreugde. Het was alsof de Heere Zelf bijzonder onder hen tegenwoordig was, omdat elk begenadigd hart zozeer wegsmolt, en dit vergezeld ging van zulk een loven en prijzen van de Heere voor Zijn liefde en genade, die Hij aldus geopenbaard had aan Zijn lieve en geëerde dienstknecht; en ook voor zulk een getuigenis, dat Hij gegeven had aan de bediening van de ordinanties en de vorming van een gemeente. Hun geloof in de waarheden die zij zo lang hadden gehoord en beleden, werd zo bevestigd, hun hoop werd zo gesterkt en hun liefde tot de Heere, Zijn ordinanties en Zijn volk zo vermeerderd, dat gezegd mag worden dat de zegen niet alleen was van hem aan wie ze in het bijzonder gegeven was, maar zich uitstrekte tot heel zijn volk met hem. En ik mag er wel aan toevoegen: ook tot de zeer vele lezers van het verslag dat hij er zelf van gedaan heeft, zoals dit spoedig daarna werd opgenomen in het Gospel Standard Magazine (maart 1843).

Hoewel zijn bediening vanaf die tijd niet wezenlijk veranderde, werd ze toch helderder, voller en ruimer. De volgende twintig jaar verrichtte Tiptaft een overvloed aan arbeid. ‘Waar hij ook heenging, zijn persoonlijke vriendelijkheid, zijn vrij zijn van alle hoogmoed en uiterlijk vertoon, zijn vrijgevigheid en sympathie jegens de armen, zijn rake, kernachtige uitspraken en de erkende godzaligheid van zijn leven gaven een gewicht aan zijn getuigenis, zoals weinig predikanten gehad hebben.’

Tegen het einde van 1862 kreeg hij last van een vervelende heesheid en verminderde krachten, een ernstig keelabces en een kwaadaardige zweer op zijn stembanden bleken de oorzaak. Op 29 april 1863 preekte hij voor zijn geliefde volk in Abingdon, terwijl niemand vermoedde dat het voor de laatste keer zou zijn. In mei ging hij in Londen preken, waar hij een arts raadpleegde. Op 2 juli ging hij in Oakham logeren, waar hij de hele herfst en winter bleef, terwijl zijn gezondheid slechter werd en zijn stem ten slotte nog maar een fluistering was. Ondanks dat hij er goed verzorgd werd, voelde hij dat hij graag naar Abingdon terug zou gaan om daar zijn laatste dagen door te brengen en te sterven. Op 1 juli 1864 betrok hij dichtbij de begraafplaats een huis welke gereed gemaakt was door vrienden, tot grote vreugde van zijn treurende gemeente. Hij blies kalm zijn laatste adem uit op 17 augustus. Zijn laatste woorden waren: Wat een barmhartigheid, mijn laatste momenten zijn mijn beste momenten geweest. Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. Prijs God, prijs God. Genade zal al de lof ontvangen.

Tiptaft_Abingdon_34_BegraafplaatsEen vriend van Tiptaft tekent Tiptaft naderhand als volgt: Zonder het schepsel te willen verheffen of een ander goed man klein te achten, kan gerust gezegd worden dat er maar weinig Tiptafts zijn; zo nederig, zo oprecht, zo ernstig, zo zelfverloochenend, zo getrouw, zo godzalig; hij was godvrezende boven velen. Zijn leven was hoogst consequent, zijn einde hoogst gezegend.