Het leven van G Hazlerigg

GREY HAZLERIGG (1818-1912)
Redacteur van The Gospel Standard 1878-1880. Vertaald uit The history of The Gospel Standard magazine, B.A. Ramsbottom

Mr. Hazlerigg stamde uit een adellijk geslacht. Zijn vader was de lle baronet[1]. Opgeleid in Eton, had hij de hand van William IV gekust en de kleuren van zijn regiment in Manchester gedragen toen koningin Victoria werd gekroond. Door genade werd hij er echter toe gebracht zich achter het verachte volk van God te scharen.

Er zijn er nog steeds in leven die zich hem herinneren. Ten minste één bejaard lid in Zion, Leicester, werd er tijdens zijn pastoraat als lid aangenomen. De enorme Zion Kapel was tijdens zijn bediening tot de laatste plaats bezet. Naar verluidt werden vierentwintig personen tijdens het laatste jaar van zijn leven gedoopt (hij was vierennegentig toen hij stierf). Hij zelf was niet in staat ze te dopen, maar hield de preken bij de doopdiensten.

J.H. Philpot beschrijft in ‘De Seceders’ zijn jeugdherinneringen aan Mr. Hazlerigg in 1862: ‘Ik herinner me hem als een slanke, keurige, kleine man met een bleek, mager gezicht en een aristocratische neus’.

Hij werd zijn eigen moeder tot zegen, Lady Hazlerigg, die tot kennis van de waarheid werd gebracht toen zij bijna vijfenzestig jaar oud was.

Innig geliefd door zijn eigen gemeente, schreef iemand: ‘Hoe kunnen wij over hem spreken zonder dat onze hele ziel haar dank aan God voor zo’n predikant uitstort? Een volmaakt heer, zowel van geboorte als door genade, een prins onder de predikers, van rijke en zeldzame gaven, vol mededogen voor de armen, de beproefden en de bedroefden, een duidelijke vertegenwoordiger van de bevindelijke waarheid, maar onverbiddelijk tegenover alle uitvindingen van dwaling’.

Het volgende is ontleend aan zijn eigen verslag, uit het begin van zijn ‘Brieven aan een moeder’.

In mijn jeugd werd ik bij tijden zeer door de godsdienst ontroerd. Hoe dat kwam, kan ik niet zeggen. Ik herinner mij niet dat een van mijn vrienden iets meer had dan de gewone, Christus en Mammon samenvoegende godsdienst. Eén gouvernante, die ik had toen ik een heel klein jongetje was, was gewend mij naast haar te laten knielen en te laten zeggen: ‘Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o Heere, mijn Rotssteen en mijn Verlosser’. Ik herinner mij echter tijden dat ik dagenlang achter elkaar veel gemoedsrust genoot en zelfs wenste te sterven, zodat ik niet weer zou zondigen. Zo’n tijd ervoer ik toen ik in Eton als lidmaat werd bevestigd door de toenmalige bisschop van Hereford. Ik brak een tijdlang met mijn kinderlijke en jeugdige dwaasheden en ij dele gewoontes en genoot daardoor een soort vrede. Enige ondervinding van de kracht van de zonde en grote onkunde wat betreft de juiste wijze om die te overwinnen deden mij in dergelijke tijden vrezen dat ik opnieuw ten val zou worden gebracht en voor de kracht van de vijand zou vallen.

Bij tijden werd ik erg gekweld met angstaanjagende dromen. In één nacht werd ik drie keer in grote ontsteltenis wakker. Ik had gedroomd dat het einde van alle dingen gekomen was en dat de wereld in brand stond. Ik vertel deze dingen alleen maar, omdat ze zeker uitwerking hadden en een aanzienlijke invloed hadden op mijn gemoed. Mijn consciëntie werd enigszins wakker gemaakt en hoewel ik buitengewoon onwetend was, had ik genoeg licht om mij onrustig te maken. Mijn geweten beschuldigde mij, omdat ik niet voldeed aan de Schriftuurlijke maatstaf alles om Christus’ wil te verzaken en Hem geheel te volgen, wat, naar ik zag, de wil van God was en onmisbaar voor de zaligheid. Woorden als de volgende: ‘Gij kunt niet God dienen en den Mammon’; ‘want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God’, en andere van gelijke strekking, maar waarvan ik slechts een duistere, wettische en vleselijke opvatting had, lieten mij voelen dat mij ontbrak wat onmisbaar voor het ware christendom was en dat ik niet voldeed aan de maatstaf van het evangelie.

In mijn gemoed werd een mate van eerbied voor de godsdienst teweeggebracht, en zekere sluimerende verlangens om rechtvaardig in de Heere bevonden te worden. Maar ondanks dit alles was ik een ellendig, onkundig, zondig en zondigend schepsel. Soms had ik berouw en treurde ik. Dan zondigde ik weer tegen het licht van een gedeeltelijk onderricht geweten. Ik kon zondigen en berouw hebben. Totdat ik uiteindelijk kon zondigen maar geen berouw kon hebben als voorheen. Hoewel ik denk dat de echte wond in de consciëntie juist in die tijd dieper begon te worden.

Op mijn achttiende jaar ging ik in het leger. Hoewel ik zeer voor sommige vormen van zonde werd bewaard, was mijn leven er één van ijdelheid en kwaad, naar de eeuw dezer wereld en ver van God.

Op mijn negentiende jaar kwam er verandering. Ik geloof dat de Heere meer naderde. Ik herleid het echte werk van genade in mijn ziel tot deze periode. Als er toen al niet mee begonnen werd, werd het in die tijd wel met heersende kracht voortgezet. Op een dag zat ik bij een medeofficier aan tafel, of in de mes, zoals wij het noemden. Ik berispte hem vanwege enkele spottende opmerkingen die hij over het christendom maakte. Ik was een soort belijder. Hij was een soort ongelovige. Hij draaide zich abrupt naar mij om en zei: ‘Wat jou betreft, jij belijdt iets, waarvan je niets afweet’. Dit trof doel en bracht mij bij mijn Bijbel en tijdens het lezen op mijn knieën. Ongeveer een week lang las ik mijn Bijbel op mijn knieën voor de Heere. Werkelijk, spoedig begon ik te merken dat mijn medeofficier gelijk had. Het Woord van God begon vat op mij te krijgen en mij te beïnvloeden op een manier waarop zij dat eerder nooit gedaan had. Het vijfde hoofdstuk van Mattheus onder andere ontroerde mij zeer.

Mijn geest raakte met tussenpozen meer en meer in beslag genomen door het onderwerp godsdienst. Ik stopte met mijn vroegere gewoonten en raakte los van mijn vroegere metgezellen voor zover dat in mijn positie mogelijk was. Ik gaf mij voor zover dat verenigbaar was met mijn plichten als officier geheel aan één ding over: Het zoeken van de zaligheid van mijn ziel. De waarheid met betrekking tot mijn natuurlijke staat als zondaar, het ware karakter van God als heilig, rechtvaardig, wijs en goed, de weg der zaligheid door het geloof in Christus, de verschrikkingen van de hel en de zegeningen van de hemel werden meer en meer voor mijn ogen geopend. Deze ontdekkingen, vergezeld van vele verzoekingen, de werkingen van de lusten en de verdorvenheden en vooral van de ongelovige bezwaren die satan in mijn gemoed begon in te brengen, tegelijk met de vrees dat ik afvallig zou worden en terug zou gaan naar de wereld en zou zondigen, zoals ik tevoren te vaak had gedaan, deden mij zeer laag zinken en maakten mij buitengewoon treurig. Ik kon niet van de wereld genieten zoals eerder. Ik genoot niet van de dingen van het hemelse koninkrijk, hoewel ik bij tijden bezoeken van de Heere kreeg die mij bemoedigden en mijn geest ondersteunden.

Op een morgen, in deze toestand, waren de volgende woorden mij zeer zoet: ‘Als ik zal opwaken met Uw beeld, zal ik ermee verzadigd worden’. Ik zag dat ik in dit leven beproeving moest ondergaan. De voldoening werd bewaard voor de toekomende wereld. Op een dag was ik in gebed voor de Heere, vooral uit vrees dat ik afvallig zou worden en de zaligheid niet zou verwerven, toen een hemels licht in mijn ziel mij plotseling onderbrak, vergezeld van de volle overtuiging dat ik zalig zou worden en het eeuwige leven zou verkrijgen. Dit vervulde mijn hart met geloof, liefde, nederigheid en godsvreze. Ik barstte onmiddellijk uit in zingen en roepen: ‘Ik zal zalig worden! Ik zal zalig worden’! Dit was als een nieuw en goddelijk leven dat plotseling in mijn ziel losbarstte en haar vervulde met heerlijkheid, onsterfelijkheid en vreugde.

De troost en verzekering die ik aan dit bezoek ontleende, hielden, voor zover ik mij kan herinneren, enige tijd aan. Maar uiteindelijk werden ze mij geheel ontnomen. Eén ding dat daaraan bijdroeg, was dat ik in een boek las, dat mensen dergelijke dingen kunnen ervaren en toch afvallig kunnen worden en het op niets uitloopt. Ik was in deze tijd in goddelijke zaken als iemand die op de tast ging, zonder iemand om mij te leiden. Sterker nog, ik kende niemand die zich ook maar in het minst in mijn toestand kon verplaatsen. Ik was zeer onkundig wat betreft vele dingen die betrekking hebben op de zaligheid. Zowel mensen als boeken brachten mij eerder op het verkeerde spoor dan dat zij mij op de juiste wijze leidden. Toen begon ik weer weg te zinken. Ik begon verder en verder in beproeving weg te zinken. Ik kwam in diepere overtuigingen en diepere gemoedsoefeningen terecht.

Terwijl ik zo meer en meer van mijn aangeboren blindheid zag en dieper in de wildernis terechtkwam, waren de woorden in Jesaja: ‘Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, etc. ‘ zoet en behulpzaam. Zij gaven mij de hoop dat de Heere mij zo zou leiden. Ik zag nu duidelijk dat alles van het geloof afhing. Dat hij die gelooft zalig zal worden. Bij tijden, tijdens het lezen of mediteren, sprong het geloof op en kwam levendig in oefening. In het licht des Heeren, schijnend op het Woord, zag ik het licht. Dan voelde ik mij gelukkig en zeker. Dan was ik ervan overtuigd dat ik een gelovige was. Bij andere gelegenheden werd ik verslonden door allerlei vragen: Had ik geloof? Was God met mij of niet? Was ik oprecht? Enz. Wanneer de Heere op mij scheen tijdens lezen of gebed, wist ik dat ik oprecht was, dat ik geloofde, enz. Maar wanneer Hij zich terugtrok, was ik weer rusteloos en slingerde ik heen en weer. Een deel van deze tijd was ik thuis met verlof. Toen keerde ik weer terug naar mijn regiment en dit veroorzaakte nieuwe beproevingen. Toch gaf de Heere mij vastberadenheid en stelde mij in staat te belijden en mij afzijdig te houden van degenen die in zonde leefden. ‘Mijn hart is bereid’, enz. (Ps. 57:7) was bij mij. Maar ik werd vreselijk gekweld. Ongelovige twijfels verbijsterden en schokten mijn gemoed. Wettischheid had zeer de overhand en slokte mij op. Stromen van kwade, lage, vuile en afschuwelijke gedachten werden rond deze tijd over mijn gemoed uitgegoten, zodat ik in grote nood verkeerde.

Bij tijden ervoer ik echter perioden van vreugde en vrede waarvan ik geen moment afstand wilde doen voor al het genoegen van deze wereld, zoals ik een belijdende medeofficier vertelde. Eens waren de volgende woorden zeer zoet: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven’. Een andere keer leek de Heere bijzonder aanwezig, terwijl ik over Hem las zoals Hij werd gezien door Johannes in het eerste hoofdstuk van het boek Openbaringen. Dit waren heldere, zij het vluchtige, doorbraken van goddelijke vreugde in mijn ziel. De taal van mijn hart was: ‘Geef mij Christus of ik sterf’, of, zoals ik het in mijn eenvoudige gebed uitdrukte, dat ik beschouwd zou mogen worden als een vernietigde en aangenomene in Christus, maar dan als uit de dood.

Op een dag was ik bezig met lezen en gebed. Ik had juist een boek opgepakt om te lezen, toen de Heere plotseling door Zijn Heilige Geest in mij ziel nederdaalde en haar vervulde met de vreugde van de hemel. Ik barstte los in lofprijzing en aanbidding met de volgende woorden: ‘Mijn Vader, mijn Vader’. Mijn gedachte was: ‘Wel, wat kan de hemel zelf meer zijn dan dit’? Mijn ziel werd meteen vervuld met liefde, vreugde, vrede, geloof en godsvreze. Ik herinner mij dat er drie kwartier voorbij ging terwijl ik in deze gemoedstoestand op mijn knieën lag, en het leek nauwelijks een minuut.

Hierna zonk ik opnieuw weg in diepe wateren en overstelpten vele verzoekingen mijn ziel. Mijn gezondheid leek onder mijn gemoedsoefeningen geheel te bezwijken. Om deze reden en omdat het leger onwenselijk voor een christen scheen, nam ik ontslag en keerde naar huis terug. Ik was helemaal niet in orde en onderging de meest hevige verzoekingen. Mijn dagen leken af te gaan als een schaduw en onder de onophoudelijke gemoedsverwarring voeren de dagen voorbij als jachtschepen, zoals Job zegt.

Op een dag toen ik de bijbel las, trof ik het zesde hoofdstuk van de Hebreeën. Het was alsof haar vreselijke oordelen mij hadden getroffen, want meteen werd mij ingefluisterd dat dit precies mijn toestand was; dat ik afvallig was geworden nadat ik de dingen had ondervonden waarover Paulus schrijft. Ik herinner mij hoe mijn ziel ogenblikkelijk overstelpt werd met het diepste zielenleed. Hoe het grootste afgrijzen mij overviel. Ik dacht dat ik mij buiten hoop en de mogelijkheid om zalig te worden gezondigd had. Dat het onmogelijk was mij wederom te vernieuwen tot bekering. Op dit moment kwam er een arme aan de deur bedelen. Ik hielp haar. Maar dat deed ik met het gevoel dat zij alles wat ik bezat mocht hebben. Wat was het nut van iets bezitten, gezien het feit dat ik eeuwig verloren moest gaan. Als ik, dacht ik, honderd jaar lang zou leven, zou het nog altijd hier op neer komen: Ik moet verloren gaan, want in mijn hart wist ik wel dat Gods Woord onmogelijk verbroken kon worden.

Deze vrees en dit afgrijzen overkwam mij van tijd tot tijd voor de duur van ongeveer zes of zeven jaar. Bij tijden werd ik weer getroost en wandelde ik een poosje in zekere mate aangenaam en in vrede met God. Maar steeds opnieuw bleef ik vallen voor de kracht van aangeboren verdorvenheid. Een wettische geest en de kracht van de natuur waren nog altijd krachtig in mij aanwezig. Heel mijn omgeving was ook zinnelijk makend en bedrieglijk van aard. Zo was mijn weg vol wankelmoedigheid en kwaad. Steeds opnieuw kwam met overstelpende kracht over mijn ziel dat de verschrikkingen die ik gevoeld had beslist gegrond waren en voorboden waren van eeuwige ellende.

Omdat ik op dat moment belijdend lid van de staatskerk was, was mij geleerd dat het juist was na als lid bevestigd te zijn het avondmaal des Heeren te vieren. Ik trachtte dit te doen, maar ik herinner mij goed de vrees die mij overviel toen de afschuwelijke woorden over het zichzelf een oordeel eten en drinken werden gelezen. Ik kon ze niet meer verdragen. In afgrijzen ben ik opgestaan en heb ik het bedehuis verlaten, waarbij ik de waardige avondmaalgangers achterliet om deel te nemen. Ik durfde niet te blijven omdat ik, vreesde ik, verdoemd en onwaardig was.

Ik was als iemand met tering; soms leefde ik een tijd lang op, maar onder invloed van een organische ziekte stortte ik dan opnieuw in. Uiteindelijk leek de Heere met betrekking tot mij de volgende woorden te spreken: ‘Efraim is vergezeld met de afgoden; laat hem varen’. De Heere wil Zijn volk niet met de wereld delen. Nee, het oordeel van Salomo is: ‘Geeft aan die het levende kind, en doodt het geenszins’. Er is een overgeven van een kind van God aan satan tot afbraak van het vlees, opdat de geest gered mag worden op de dag van de Heere Jezus.

Ik ging uiteindelijk naar de universiteit van Cambridge met het idee om predikant in de staatskerk te worden. Maar ik merkte dat al mijn godsdienst mij beetje bij beetje werd afgenomen. Het was alsof de Heere bij mij vertrok, zoals in Ezechiël (10 en 11, 23). Wiskundestudie en verkeerde kameraden beroofden mij spoedig van mijn godsdienst. Weliswaar had ik perioden van hevige wroeging en bittere tranen, vooral tijdens het horen van preken, maar ik voelde mij te sterk verstrikt om mij los te maken, hoewel ik vurig wenste dat dat voor mij zou worden gedaan. Heel deze tijd voelde ik mij, onder een redelijk opgewekte uiterlijke verschijning, in het geheim ellendig. Ik was niet werkelijk één met degenen, met wie ik tot op zekere hoogte omging. Ik was niet gelukkig temidden van de vrolijkheid. Er was, geloof ik, een pijnlijke leegte, een innerlijke rusteloosheid en ontevredenheid. Bij tijden voelde ik ook knagende wroeging en dacht ik dat mij nu beslist niets overbleef dan een vreselijk verwachten van het oordeel en brandende verontwaardiging

Eens, toen ik in de kerk van Illstone was, werd ik zoet bezocht door een geest van gebed die zich uitte in een roepen tot God in de naam van Jezus. Nu begon de naam Jezus buitengewoon zoet voor mij te worden, zodat ik de Heere smeekte dat ik nooit goden zou hebben behalve Hem. Andere heren dan Hem hadden heerschappij over mij gehad. In Zijn kracht wenste ik nu slechts melding te maken van Zijn naam.

Op een dag, toen ik aan het wandelen was, waren de woorden van Jacob mij zeer zoet en werden tot een gebed: ‘Indien Gij, Heere, mij weer brengen wilt ten huize mijns vaders in vrede, zo zal de Heere mij tot een God zijn’. Ook de woorden van David waren met kracht in mijn hart: ‘Zo zal ik den goddelozen Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren’. Zo leek ik geloften af te leggen. Ik leek bij tijden een vurig verlangen te hebben dat de Heere Jezus Christus groot gemaakt zou worden in de streek waar ik woonde: mijn eigen geboortestreek.

Ik werd er omstreeks die tijd toe gebracht in ons huis weer met huisgodsdienstoefeningen te beginnen en de Heere te bidden of het een altaar in Egypteland mocht worden. Spoedig zag ik de goede gevolgen hiervan aan een grotere ernst in het gezin en ik maakte één of twee opmerkelijke perioden van gebed met betrekking tot enkele leden mee. Zo zwoegde ik voort naar de rust. Ik werd zoet getrokken door de barmhartigheden van God en het hogepriesterschap van de Heere Jezus, zoals dat wordt bekend gemaakt in de Hebreeën. Paulus’ woorden: ‘Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?’ ‘Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet’, boezemden mij ontzag in en wekten mij op. Deze woorden, toegepast door de Heere, wekten mij dadelijk op en alarmeerden mij en bemoedigden toch.

Uiteindelijk gaf de Heere mij rust en vrede. Hij zorgde ervoor dat ik voortdurend wachtte op Hem. Op een keer werd ik verzocht mijn hart te beproeven en te overtuigen en mijzelf vrede te geven, door middel van louter redeneren. Ik probeerde als volgt te redeneren: ‘Die geloofd zullen hebben, zullen zalig worden, zegt de Schrift. Ik heb geloofd, dus ik zal zalig worden’. Maar dat voldeed niet. Een dergelijke werkwijze bracht geen rast voor mijn ziel. De Heere toonde mij dat ik voor vrede op Hem moest wachten. Dit gaf Hij mij op Zijn eigen tijd. Hij moet van vrede spreken tot de heidenen en de vrucht van Zijn eigen lippen scheppen. Daarom, gezegend zijn zij die op Hem wachten.

Toen ik zo op de Heere wachtte, op een zoet gevoel van Zijn gunst voor mij ziel, werd ik pijnlijk beproefd door de verzoeking te geloven dat de Heere nu geen wonderen meer deed. Hij had Zijn plicht gedaan door te sterven voor zondaren. Nu moest de zondaar het zijne doen in een weg van berouw en geloof. Alles wat gedaan zou worden was door de Heere gedaan. De zaligheid hing daarom af van de zondaar, die zijn deel moest volbrengen. De voorwaarden van het evangelie waren: berouw hebben en geloven. Daar stond ik. Aan deze voorwaarden kon ik niet voldoen. Dus het evangelie zelf verdoemde mij, als dit het evangelie was. Ik voelde mij, zoals Erskine schrijft, ‘geheel krachteloos om berouw te hebben, te geloven of te bidden’.

Op een dag, toen ik in de kerk van Carlton was, werd ik, als mijn geheugen mij niet in de steek laat, op lieflijke wijze van deze verzoeking bevrijd. De volgende woorden werden met kracht aan mijn hart toegepast: ‘En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken’. Ik voelde de trekkende verdienste van het kruis van Christus. Een gekruisigde Christus bracht, geloofde ik, niet alleen vergeving, maar tegelijkertijd ook geloof, berouw en een aannemend hart. Hij maakt de gelovige en geeft hem Zijn kroon.

Het was echter niet door één of twee bezoeken, hoe zoet en krachtig ook, dat ik tot rust werd gebracht. De voornaamste manier die de Heere gebruikte om mijn ziel na al mijn zwerftochten en gezwoeg te bevestigen in de volheid van de zegen van vrede, was de brieven van Paulus in mijn ziel te doen stromen met de zoetste stroom licht, leven en vrijheid. Ik nam ze altijd op om ze te lezen. Gewoonlijk had mijn oog nauwelijks een vers doorlopen of de bergen dropen van zoete wijn en de hemelen regenden gerechtigheid en gezegendheid in Christus, zodat ik weinig meer te doen had dan op te klimmen tot de zoetheid van de volle gemeenschap met God in Christus. Mijn ziel leek dan vervuld van de oude wijn van de eeuwigdurende liefde van God, als de sprengbekkens van het altaar. Alles leek volmaakte, onbeschrijfelijke onsterfelijkheid en vrede. Of misschien zou ik beginnen te lezen en alles zou dood en verdoemenis blijken te zijn, en vervolgens zou de Heere Jezus Christus mijn ogen onmiddellijk openen en de Heilige Geest zou licht en leven en heerlijkheid en vrede in mij uitgieten. Ik hoefde in die dagen niet te arbeiden voor mijn geestelijke voedsel, maar hoefde slechts te eten wat uit zichzelf groeide. Het was jubeljaar voor mijn ziel waarin zij terugkeerde naar haar rust in Christus na lang, wettisch gezwoeg, inspanning en moeite.

Twee belangrijke zaken die mij in deze toestand brachten, waren: 1. Ik werd verlicht zodat ik de vrije toegang voor zondaren tot het heilige der heiligen zelf door het bloed van Jezus waarnam, en ik in staat werd gesteld daarin te geloven, en 2. mij werd de volmaaktheid getoond van de gelovige, komende zondaar in de volmaaktheden van de Heere Jezus. Deze twee dingen bevrijdden mijn ziel van de brandende toom van God die daarin wordt gevoeld en van de wettische vogelnetten. Ik voelde dat het bloed van Jezus steeds weer op zoete wijze aan mijn ziel werd toegepast en van vrede sprak. Ik zag mijn toegang tot de Vader door de Geest, door het geloof, als volkomen in Hem. Ik zag dat de wet was begraven, dat de zonde was gekruisigd en dat de oude mens was verdoemd en terechtgesteld. Ik voelde de kracht van deze waarheden in mijn eigen ziel. Zij bevrijdden mijn consciëntie, kruisigden mijn vlees en brachten mij bevindelijk in het gezelschap en het genot van het opgestane leven van de Heere Jezus Christus, waar geen wet is, geen zonde, maar waar God in Christus door de Geest alles in allen is. Dit vervulde mijn hart met liefde tot God, zoals Hij mij bekend gemaakt was in de Heere Jezus, met liefde voor Zijn volk en met een vurig verlangen mensenzielen te redden en mijn zegeningen anderen mee te delen. Ik herinner mij dat ik op een dag, toen ik in Paulus brief aan de Romeinen aan het lezen was, door vermoeidheid in slaap viel, teiwijl ik de verzen 25 en 26 van hoofdstuk 3 overdacht. Weldra werd ik wakker en onmiddellijk kwamen deze zelfde woorden met zoet licht in mijn ziel en openbaarden mij de gezegende manier waarop de Heere een zondaar rechtvaardigt door het geloof in het bloed en de gerechtigheid van Christus. Ik placht geoefend te worden met de vraag of het mogelijk was dat een rechtvaardige God mij kon vergeven en zegenen. Maar Hij toonde mij dat Hij rechtvaardig kan zijn en toch goddelozen die in Jezus geloven kan rechtvaardigen.

Toen ik mij op een dag in geestelijke zin een vuile melaatse voelde, een man vol melaatsheid, zoals ik mij vaak voelde, dompelde de Heere mij door het geloof op zoete wijze onder in Zijn bloed en gaf mij gemeenschap aan Zijn opstanding. Dit bezoek kwam voort uit het verhaal van de reiniging van de melaatse in Israël en beantwoordde qua bevinding aan de woorden van de dichter:

Gedrenkt in het bloed van zijn kameraad,
ging de levende vogel vrijuit.
Het beeld, als het goed wordt begrepen,
Beschreef een schuldige ziel, uitvergroot
En door de dood van een Zaligmaker vrijgesproken.

Ik ervoer in mijn eigen ziel dit onderdompelen in Christus’ bloed en deze zoete vrijheid van hart en consciëntie voor God. Op een dag, tijdens het beluisteren van een predikant, werd ik aller-zoetst gezegend toen hij Leviticus 16 verklaarde. Ik zag dat mijn zonden op het hoofd van Christus waren gelegd en door Hem waren weggedragen in een land van vergetelheid, opdat zij mij niet langer in de verdoemenis zouden brengen. Een andere keer bracht dezelfde prediker op zoete wijze naar voren dat de gelovige in de Heere Jezus al door zonde en dood en oordeel en hel was ingegaan in het leven in heerlijkheid en gezegendheid. Dit had hij al gedaan in de Persoon van een Ander. Daarom was zijn staan in Christus beter dan het staan van Adam in onschuld. Adam kon vallen. De gelovige in Christus moet voor eeuwig leven.

Het Woord van God was mij in die dagen werkelijk zoet. Niet alleen de brieven van Paulus, maar ook de Bijbel in het algemeen, van Genesis tot Openbaringen, was vol van Christus. Hij was de Roos van die Saron. Zijn geur vulde de bladzijden. Overal was de zoete geur van Christus. Eerder was de bijbel een verheven boek geweest. Nu was zij mij overal een zoet boek. De som en het wezen ervan was Christus. In die dagen had niets voor mij enige bekoring behalve datgene, wat Christus Zelf in zich had. Zijn woorden werden gevonden en ik heb ze opgegeten, en Hem Zelf, aangezien daarin het voedsel en de blijdschap en de vreugde van mijn hart waren. Christus was alles. O, hoe zoet waren de woorden van Paulus: ‘Uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.’ Hoewel ik zag dat Hij de Heilige Israëls is, kon ik mij toch in Hem verblijden. Ik had mij Hem voorgesteld als een harde Man. Maar nu aanschouwde ik Hem zoals Johannes schrijft: ‘Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid’. Hij leek mij geheel genade. Vol van genade waren Zijn lippen. Als een heilige, onnozele Hogepriester, zag ik, werd hij net zo iemand als ik zelf. Hij was afgescheiden van de zondaren om zondaren in Zijn heerlijkheid te ontvangen. Hij kon een melaatse aanraken en melaatsheid veranderen in reinheid, terwijl Hij daardoor toch niet verontreinigd werd. Een oneindige, eeuwige, heilige Hogepriester was, zag ik, Gods verschaffing voor en niet tegen een zondaar. Ik had Christus gekend naar het vlees en over Hem gedacht op een vleselijke manier. Nu kende ik Hem zo niet meer. Maar ik geloof dat alles onder de onderwijzingen van de Geest nieuw was geworden, en dat mijn ziel gezegend en gelukkig was in het bezit van een gekruisigde, opgestane Zaligmaker. Zijn naam was mij in die dagen zoet. Zijn naam zelf, Jezus, was een olie, die uitgestort wordt. Hij was de genade zelf voor mijn gewonde, zonde-zieke, geruïneerde ziel en ik beminde Hem.

Vanaf de vroegste dagen van het goddelijke werk in mijn ziel had ik sterke indrukken gehad met betrekking tot het geestelijke ambt en mijn eigen verordinering. Sterke verlangens om op deze manier van nut te zijn voor anderen bezochten mijn hart, wanneer de Heere genadig met mij was. Deze verlangens en indrukken bleven steeds weer terugkomen. Ook werden Schriftgedeelten van tijd tot tijd aan mijn gemoed toegepast. Zij wakkerden deze verlangens aan en brachten de overtuiging teweeg, dat de Heere mij voor dit werk bestemd had. Zo was de zegen van Mozes (Deut. 33:8-11) voor Levi bij tijden zeer krachtig. Gewoonlijk werd ik ertoe gebracht als Salomo om wijsheid te bidden. Soms kwam satan binnen en zei mij dat het allemaal trots en ondeugendheid van mijn hart was. Mijn vrienden, die mij zo ernstig aangedaan zagen, wilden vaak dat ik predikant zou worden in de staatskerk. Maar zij kenden de kwellende gemoedsstrijd die ik bij tijden doormaakte niet. Ik werd vaak dagen achtereen getroffen door verschrikkelijke vrees, zodat mijn tanden zelfs klapperden van angst en beven. Een andere grote hinderpaal waren de vreselijke, ongelovige kwellingen en vuile godslasteringen die in mijn gemoed werden uitgegoten. Zij waren zo vreselijk en zij vermengden zich zo met mijn pogingen juist aan goddelijke zaken te denken, dat ik op een keer juist niet aan zulke zaken probeerde te denken, maar eraan probeerde te ontsnappen. Hoe kon ik anderen bijstaan, terwijl ik mijzelf meer een ongelovige verdoemeling toescheen dan iets anders? Ik had nooit gedacht dat kinderen van God de dingen meemaakten die mijn ziel door moest maken. Soms, als ik van plan was aan deze wensen van mijn vrienden te voldoen, gebeurde er iets om dat te voorkomen. Dit was meer in het bijzonder het geval omstreeks het moment van mijn volkomen verlossing. Ik stond net op het punt predikant te worden, maar er gebeurden dingen die dat verhinderden; en vervolgens maakte mijn grote zielennood een einde aan dergelijke voornemens. In plaats van bevestigd te worden in de Kerk van Engeland als predikant, voelde ik mij uiteindelijk gedwongen non-conformist te worden.

Echter, terwijl ik terugkeerde van wat ik beschouw als een soort Babylonische gevangenschap in mijn ziel, keerde de oude indruk, dat de Heere de bedoeling had mij als predikant te gebruiken, ook bij mij terug. De Heere leek in mij de verlangens en het hart van een predikant te doen herleven. Hij spoorde mijn geest aan en ik dacht vaak aan de wijze waarop Hij de geest van Simson in het kamp van Dan aanspoorde. Hij gaf mij ook zoete en dierbare beloften in verband met deze zaken. Zacharia 3:7 en Psalm 2:8 waren zeer krachtig en zoet in een weg van toepassing. Maar voornamelijk Jeremia 1:7. Ik voelde mijn eigen uiterste ontoereikendheid voor het werk des Heeren toen deze woorden op zoete wijze tot mij kwamen. De Heere toonde mij ook hoe Hij mij kon en, daar vertrouwde ik op, zou gebruiken in Zijn werk, omdat iemand als ik zijn eigen belangen diende. Ik hoopte dat ik bij de Heere hoorde en een lid van Zijn mystieke lichaam was. Ik geloofde dat Hij mij als zodanig tot heerlijkheid van Zichzelf zou gebruiken. Ik was gewend in onze huisgodsdienstoefening een gebedenboek te gebruiken. Maar na een poosje bracht de Heere mij ertoe dergelijke steunpilaren terzijde te schuiven. Vervolgens stelde Hij mij ertoe in staat mijn ziel voor de Heere uit te storten als voor een Vader. Door de kracht van de Heilige Geest kon ik dit in het openbaar doen. Daaraan voorafgaand, in stilte, was ik in staat gesteld dat vrijmoedig te doen in de naam van Jezus. Mijn moeder stond ons uiteindelijk toe bijeen te komen in de zaal in Carlton, waar wij resideerden. Ik sprak daar niet alleen tot ons eigen gezin, maar ook tot wat vreemdelingen die van tijd tot tijd kwamen. Daarna werd ik uitgenodigd in Leicester te spreken en op andere plaatsen. Alles wat ik kan zeggen is dat de Heere mij van tijd tot tijd met het werk hielp en mijn ziel deed overlopen van Zijn zegen. Ik was wat onbekend met methodische godgeleerdheid. Ik wist alleen dat ik zelf een verloren zondaar was en dat Christus door de gift van de Vader en de werking van de Heilige Geest een zoete en algenoegzame Zaligmaker voor mij was. Het was mij een vreugde aan zondaren in de omtrek te vertellen wat een dierbare Zaligmaker ik gevonden had; te wijzen op Zijn verlossende bloed en te zeggen: ‘Zie, de weg tot God. Ik placht uren van zoete gemeenschap te hebben voor de bediening en de heerlijkheid des Heeren was tijdens de bediening aanwezig.

Ik werd nu gedurende lange tijd diepgaand geoefend met betrekking tot het predikantschap. Vaak gedacht dat ik het op moest geven. Maar dit kon ik niet doen. Er kwamen gewoonlijk nieuwe uitnodigingen om te preken binnen. Het was zwaar werk, maar ik ging door. Ik ben de preekstoel opgegaan met de verzoeking dat de Heere mij dood zou slaan. Toch wilde mijn consciëntie mij niet toestaan het op te geven en ik ben doorgegaan met het volgende gevoel: ‘Wel, ik zal het op Zijn genade wagen. Ik zal het proberen en van Zijn waarheid spreken als Hij mij daartoe in staat stelt. Ik durf niet met een gerust geweten iets anders te doen. Ik zal Zijn werk proberen te doen en de uitkomst aan Hem overlaten’.

Het volgende komt uit Verdere Geschiedenis van de Gospel Standard Baptisten. Mr. Hazlerigg voelde zich omstreeks deze tijd gedwongen de Staatskerk te verlaten door een krachtige toepassing van de woorden: ‘Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt’. Dit deed een behoorlijke storm ontstaan en zijn moeder werd dringend verzocht haar invloed op haar afvallige zoon aan te wenden. In plaats daarvan echter, bleef zij bij hem en stond hem toe bijeenkomsten te houden in de zaal van hun huis in Carlton, waar zij zich vaak bewust waren van de zegen des Heeren. De tijd kwam dat het huis in Carlton moest worden afgebroken. Lady Hazlerigg moest beslissen of zij bij haar andere zoon in Nosely zou gaan wonen of haar eigen huis zou blijven aanhouden. De kwestie werd op de volgende wijze voor haar opgehelderd. Toen haar zoon Grey op een dag vertrok om het evangelie te prediken, stond zij te kijken hoe hij de weg afreed. Op dat moment kwamen de volgende woorden in haar hart: ‘Waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan; uw volk is mijn volk en uw God mijn God’. Zij besloot naar Leicester te gaan en daar voor een thuis voor hem te zorgen.

Toen Mr. Isbell Leicester in 1861 verliet, werd Mr. Grey Hazlerigg als zijn opvolger in de Trinity Kapel aangesteld. Hij zou er elke keer drie maanden preken en drie maanden niet. Tijdens die pauzes zou hij weggaan. Deze regeling woog loodzwaar op zijn gemoed, zodat hij na elf jaar zei dat hij niet langer kon blijven. De kerk koos hem toen als predikant, maar zelfs toen werd hem geen zeggenschap over de preekstoel toegestaan. Eén voorwaarde die door de familie Harrison bedongen was toen de kapel gebouwd werd, was ‘dat het uitsluitende recht van zeggenschap over de preekstoel moest worden gevestigd in handen van de familie, die de geestelijkheid onderhield’. Mr. Hazlerigg vond terecht dat hij onder deze omstandigheden niet kon blijven. Hij vertelde de kerk dat hij gedwongen was afstand te doen van zijn ambt en de bediening van de kapel. De kerk nam de zaak toen ter hand en stuurde een afvaardiging naar de familie Harrison om te vragen Mr. Hazlerigg toe te staan de waarnemend predikanten voor de kerk uit te nodigen. Dat verzoek werd onverbiddelijk geweigerd. Er werd een maand gevraagd om de kwestie te overwegen. Maar nadat die tijd was verstreken, werd hetzelfde antwoord gegeven dat erop neerkwam dat, als Mr. Hazlerigg wilde gaan, hij gaan kon wanneer hij wilde.

De kerk had geen ander alternatief dan hun predikant opgeven of hun bedehuis. Zonder aarzeling werd de laatste koers ingeslagen en in 1872 ging bijna de hele kerk er met hun predikant uit. Zij besloten een kapel te bouwen waar zij op hun eigen manier konden kerken en de predikanten konden uitnodigen met wie de predikant akkoord ging. Mr. Hazleriggs laatste preek werd gehouden over de woorden: ‘Gij legt mij in het stof des doods’, zo veelzeggend voor zijn gevoelens van dat moment. De vrienden kwamen op 11 maart bijeen voor gebed in de Masonic Hall en op woensdag 13 maart voor een preekdienst, en naderhand werden de bidstonden gehouden in een ruimte, afgestaan door Mr. Brown in zijn pand aan de High Street, terwijl de zondagse diensten eerst in de Temperance Hall werden gehouden en nadien in de Masonic Hall en de Corn Exchange[2]. Het gepredikte woord ging zo gepaard met de zegen des Heeren dat negen leden tijdens het jaar 1872 aan de kerk werden toegevoegd. Dezen werden gedoopt door Mr. Hazlerigg in de St. Peter’s Lane Kapel, die voor de gelegenheid vriendelijk werd uitgeleend. Uiteindelijk werd voor de nieuwe kapel een terrein gekozen, dat aan de ene kant aan Humberstone Road grensde en aan de andere kant aan Erskine Street. De kapel werd Zion genoemd. Openingsdiensten werden gehouden op 15 april 1873.

Spoedig na de opening van Zion trouwde Mr. Hazlerigg met juffrouw Clarke van Loughborough. De ceremonie vond plaats op 24 juni 1873 in de Independent Kapel. De dienst werd geleid door Francis Covell die de voorgaande maandagavond ook in Zion preekte over de woorden: ‘De tijden, die over hem verlopen zijn’ (1 Kron. 29:30). Mr. Hazlerigg was toen vijfenvijftig. Vier jaar later, toen hij een grote beproeving in het gezin doormaakte, hield hij een opmerkelijke preek op de verjaardag van Eastbourne over de woorden: ‘Mijn Vader! Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede’! Op zijn zeventigste verjaardag, 13 maart 1888, werd hem door Mr. J. Hack, de oudste diaken, een beurs overhandigd met 280 nieuwe jubileum soevereinen[3] van de kerk en gemeente. De bijeenkomst werd geleid door Mr. Wakeley.

In maart 1896 gleed Mr. Hazlerigg uit toen hij in de stad liep en brak zijn dij. Maar hem werd genezing gegund en hij was in staat weer te lopen met behulp van een stok. Meer huiselijk verdriet werd ervaren door de dood van zijn vrouw in 1901. Mr. Hazlerigg overleefde haar elf jaar en ging heen naar zijn eeuwige rust op 4 oktober 1912 op de leeftijd van vierennegentig.

[1] Rang tussen ridder en baron

[2] Graan/korenbeurs

[3] gouden ponden