Toen het God op gezegende wijze behaagde mij voor het eerst in dit vuur te brengen, was een van de eerste dingen die Hij deed: mijn gebeden verbranden. Ik had er voorheen zo’n vaste regelmaat in dat ik niet durfde te gaan slapen voordat ik had opgezegd wat het ‘Gebed des Heeren’ wordt genoemd. En heel vaak dommelde ik al weg voordat ik klaar was, net als de arme papist die de kralen aan zijn rozenkrans telt. Maar nu kon ik zelfs niet beginnen aan het Gebed des Heeren. Ik durfde God geen ‘Vader’ te noemen. Welk recht had ik om te zeggen: ‘Onze Vader’? Ik voelde dat er in het gebed iets meer was dan wat ik bezat. Mooie woorden waren nu niet meer genoeg. Ik voelde dat ik voor God stond als een wetsbreker.