Gadsby persoonlijk

Ik herinner mij dat ik, toen ik nog maar een jongen was, zo overtuigd werd van mijn goddeloosheid dat ik besloot mijn leven te reformeren en naar de kerk te gaan. Dit duurde enkele dagen en ik was erg ingenomen met mezelf en mijn goede voornemens. Terwijl ik naar de kerk ging, dacht ik dat alles om mij heen zo heilig leek. De mensen leken heilig, zelfs de grond waarop ik liep leek heilig en ook de kerkklokken leken heilig. Maar ik kwam in de verzoeking om een rapenveld te plunderen waar ik doorheen moest. Zo viel ik en verloor al mijn heiligheid en godsdienst tegelijk. Maar toen de Heere echt het werk aan mijn ziel begon, liet Hij mij voelen dat ik werkelijk in een land der woestijn, een woeste, huilende wildernis was. De Heere vond mij echter niet als een fijn en gedwee mens, zoals sommigen het voorstellen, want ik bood weerstand zolang ik kon.

‘Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen.’ De wijze waarop de Heere tot mij kwam, was dat Hij zodanig moest kloppen, dat Hij de deur en alles kapotsloeg, anders had Hij wel heel lang kunnen kloppen voordat ik Hem binnengelaten zou hebben.