Alle berichten van e heuvelman

Philpot persoonlijk

Het leven geven tot een buit; uit een preek over Jeremia 45:5

‘Ik zal u uw leven tot een buit geven.’ Ondervindt gij het niet steeds, mijn vrienden! dat dit leven gegeven wordt langs Gods eigen kanaal van mededeling? Indien uw bevinding is, gelijk de mijne, dan zijt gij, zittend bij de haard, of wandelende in het veld, dikwijls zuchtende en hijgende naar de openbaringen van Gods goedertierenheid en ontferming. Maar ik wil, dat het tot mij komt, in mijn weg, niet in Gods weg. Het moest, als het ware, in mijn ziel gestort worden uit de volheid van Christus, zonder dat het door het kanaal van droefheden, beproevingen en verdrukkingen tot mij komt. Maar alzo geeft de Heere Zijn gunstbewijzen niet.

Nieuwe uitgave binnenkort

Er wordt hard gewerkt aan een serie met al de preken en werken van William Gadsby waarvan deel 1 DV over niet al te lange termijn hoopt te verschijnen.

DV nog dit jaar verschijnt er eerst:

De Doop – Op duidelijke en getrouwe wijze opengelegd
door John Norcott en opnieuw vertaald in het Nederlands

Dit opmerkelijke boekje werd geschreven door één van de eerste Particuliere Baptistenpredikers, John Norcott, predikant te Wapping, Londen. In zijn tijd werden de baptisten onderdrukt en ook de auteur leed vervolging, kennelijk van de kant van broeders. Norcott publiceerde dit werkje terwijl hij in Holland was, waarheen hij door de vervolging verdreven was. John Norcott stierf op middelbare leeftijd in 1676.

Norcott schreef dit boekje aan zijn zeer geliefde vrienden en broeders in en rondom Wapping, die onze Heere Jezus liefhebben in oprechtheid, kinderen van één Vader, deelgenoten van de heerlijke Geest der genade.

In het boekje verklaart hij met grote helderheid de vraag en het antwoord die hij in zijn opdracht stelt: Misschien vragen sommigen: Waarom laat u uw keus vallen op de Doop als onderwerp voor uw eerste publicatie? Dingen van groter belang hadden toch nuttiger kunnen zijn? …. Zo zeg ik ook: omdat deze ordinantie van de Doop een verwaarloosde ordinantie is, die niet zuiver, naar het voorbeeld op de berg, in praktijk gebracht wordt, leek het mij goed om mijn keus hierop te laten vallen.

Een recensie over dit boekje in The Gospel Standard van 1912 geeft aan dat het boekje twee dingen karakteriseren: Ten eerste, de volheid van het Schriftuurlijke onderwijs over het onderwerp. ‘Alzo zegt de Heere’, staat op iedere pagina, in ieder argument en ieder pleidooi. En ten tweede: De begenadigde geest waarvan het doordrongen is, de zalving waarmee het klaarblijkelijk geschreven werd. De schrijver had de stromen van water die door Christus beloofd werden.

Een recensie over dit boekje stond ook laatst, juli 2017, in The Gospel Standard nav de laatste uitgave van 2016, en is als volgt:

Het is een voortreffelijk boek; het toont heel duidelijk aan dat, volgens de Schrift, de Doop der gelovigen door onderdompeling in water behoort plaats te vinden na belijdenis van Christus. John Norcott is niet zo goed bekend onder ons. Hij stierf op middelbare leeftijd in 1676. Hij werd de tweede predikant van de eerste Engelse Particuliere Baptistengemeente in Wapping, als opvolger van John Spilsbury. Zijn geboortedatum blijkt onbekend te zijn.

Het boek bestaat uit elf korte hoofdstukken. De eerste twee hoofdstukken laten vanuit de Schrift Christus’ voorbeeld zien in Zijn doop, en ook Christus’ opdracht om gelovigen te dopen. Het derde hoofdstuk geeft ons voorbeelden van de Doop der gelovigen in de Schrift. Hoofdstuk vier legt uit dat het dopen plaatsvindt door onderdompeling onder water, en het volgende hoofdstuk maakt vanuit de Schrift duidelijk dat dit moet doorgaan tot Christus’ tweede komst. Het zesde hoofdstuk bewijst dat de Doop voor alle gelovigen is, ongeacht de mate van genade. Hoofdstuk zeven toont aan dat de Doop der gelovigen een grote ordinantie is. In het volgende hoofdstuk beantwoordt John Norcott tweeëntwintig tegenwerpingen tegen de Doop der gelovigen. Hoofdstuk negen bestaat uit een tabel van vergelijking tussen de Doop der gelovigen en de kinderbesprenkeling. Hoofdstuk tien heeft als titel: ‘Duidelijke Schriftplaatsen aangaande de Doop, zonder enige menselijke gevolgtrekking vanuit de wijsheid van de mens.’ In het laatste hoofdstuk staan John Norcotts afsluitende overwegingen. Deze overwegingen geven ons plechtige leesstof. Het aanhangsel bevat een uittreksel over John Norcott uit History of the English Baptists van Joseph Ivimey.

Wij herhalen dat het een voortreffelijk boek is. De schrijfstijl is duidelijk en eenvoudig. Toch wordt overtuigend aangetoond dat de bewijsgrond voor dit leerstuk uit Gods Woord komt. De Schriftuurlijke waarheden worden op een duidelijke en directe manier beschreven, en zijn gemakkelijk te begrijpen. Het kwam ons voor dat de Schriftuurlijke waarheid op zo’n onweerlegbare manier uiteengezet wordt. In het voorwoord van de uitgever staan enkele opmerkingen die Mr. J.K. Popham in 1912 gemaakt heeft. Hij schreef ‘dat geen ander werk dat wij over dit onderwerp gelezen hebben, met eenzelfde helderheid en overtuiging de natuur, manier en verplichting van de Doop naar ons hart en verstand overbracht …’ Hij maakte nog meer heel positieve opmerkingen. Wij hopen enkele uittreksels uit dit boek in het volgende nummer van de Gospel Standard op te nemen, zo God wil.

De publicatie van dit boek komt heel goed uit nu er tegen de Doop der gelovigen geschreven is in het blad van de Netherlands Reformed Congregations in de Verenigde Staten en Canada. Wij realiseren ons dat er in de kring van Nederlandse reformatorische kerken veel godvruchtige gelovigen zijn, die een door God gewerkt geloof bezitten. Het spijt ons dat er in een artikel over de Doop (dat loopt vanaf de nummers februari tot mei) dingen geschreven zijn die niet waar zijn.

Er wordt gezegd dat wij de volwassenendoop in praktijk brengen. Nee, wij brengen de Doop der gelovigen in praktijk, op belijdenis van geloof in Christus, met bekering en tevens een gezegende hoop in Immánuël. Hierbij kan het ook gaan om kinderen of tieners, op een waarachtige en hartelijke belijdenis.

Een ander misverstand is dat wij niet geloven dat het met Abraham gesloten verbond geestelijk was. Dat was het zeker, want Jezus zei: ‘Abraham … heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest.’ Hij zag door het geloof de zaligheid voor zichzelf in het Zaad der belofte. John Norcott behandelt Calvijns dogma dat de Doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is en daarom bedoeld is voor kinderen die in christelijke gezinnen geboren worden. John Norcott toont vanuit de Schrift duidelijk aan dat wanneer een huisgezin gedoopt werd, dit plaatsvond nadat zij geloofden.

Wij hebben veel achting voor de godzaligen in de Nederlandse reformatorische kerken, maar het spijt ons dat zij de on-Schriftuurlijke opvattingen van Calvijn en anderen over de Doop volgen. Een van de eerste belijdenissen van de baptisten werd in 1644 opgesteld en in 1646 uitgebreid, en staat bekend als de London Baptist Confession of Faith. De Dordtse Leerregels werden in 1618 en 1619 goedgekeurd. De Westminster Confession werd in 1646 opgesteld. De wortels van onze Geloofsbelijdenissen zijn even oud als die van de andere reformatorische kerken.

Dit geschrift is een kort geschrift, maar wel een meesterlijk geschrift. Daarom bevelen wij het van harte bij onze lezers aan.

Philpot aan het woord

De godsdienst is voorzeker de allerbelangrijkste en nochtans de meest verborgen zaak waarmee wij op deze wereld ooit van doen hebben gehad of kunnen krijgen. Deze zal u óf troosten, óf bedroeven. In de grootste voorspoed kan deze de oorzaak van de opperste ellende zijn, of in tegenspoed de oorzaak van de allerzuiverste vreugde.

Philpot aan het woord

U moet erop letten dat ’s mensen verlegenheid Gods gelegenheid is. Wanneer de arme ziel zo in de laagte gebracht is dat hij nergens in staande kan blijven dan in de almachtige kracht van God, dán is het de tijd dat de Heere zal beginnen om Zichzelf te ontdekken als Eén die de ongerechtigheid vergeeft en de overtredingen van het overblijfsel van Zijn verkoren erfenis voorbijgaat.

Philpot persoonlijk

Het leven geven tot een buit; uit een preek over Jeremia 45:5

Sedert een langdurige krankheid, ben ik, temidden van menigerlei mismoedigheden, en met velerhande veranderingen en wisselingen er gevoelig toe gebracht (gelijk ik nooit tevoren kende, althans niet met ditzelfde drukkend besef van behoefte) te zoeken naar de bezoeken en openbaringen van des Heeren gunst, de dauw van Zijn Geest, de toepassing van Zijn verzoenend bloed, en de inwendige getuigenis Zijner liefde en genade. Ook kan ik ter zaligheid op niets anders mijn vertrouwen stellen. Ik spreek derhalve niet over een onzeker misschien. Ik ken de grond, want ik heb dezelve betreden; ik heb hem met mijn ar­beidzame voetstappen als bedekt, en als ik dat alles dus uitschets, dan spreek ik naar de mate, wat ik er van weet, en betuig hetgeen ik gevoel.

Gadsby persoonlijk

Natuurlijke indrukken: uit zijn levensbeschrijving

Het natuurlijk geweten zal een mens schrik aanjagen, maar het zal hem nooit doen gevoelen dat zijn zonden gericht zijn tegen een heilige, rechtvaardige en goede God en dat al de gebreken van ons hart, de totaal verdorven werkingen van onze geest, hoogverraad zijn tegen een heilig God. Er zijn misschien maar weinigen die meer hartverscheurende werkingen van het natuurlijk geweten gehad hebben dan ik. Ik verkeerde jaren achtereen in die verschrikkelijke toestand en als ik alleen was, dan verwachtte ik dat de hel voor me open zou gaan om me binnen te laten. Ik dacht dat de duivel op het punt stond om me naar de hel te slepen. Ik geloof echt dat dit allemaal uit de natuur voortkwam.

Philpot persoonlijk

Omkering: uit een preek over Hebreeën 4:14-15

Toen ik nog in de wereld leefde had ik geen ernstige gedachten van de godsdienst; wel waren er onderscheiden omstandigheden en in het bijzonder wat ik zag en hoorde van begenadigde mensen, die mijn op­merkingen dienaangaande trokken, maar het was alles zeer oppervlakkig, zonder enige blijvende indruk. Ik had toen besef noch lust tot een godsdienstige belijdenis en als ik het gedaan had, dan zou het huichelarij ge­weest zijn. Had ik eigen zin en wil mogen opvolgen, ik zou rustig voortgeleefd en de letterkunde met ernst be­studeerd hebben, zonder mij met den godsdienst in te laten, opdat mijn gemoed niet verontrust en mijn schone en veelbelovende toekomst niet verijdeld mocht worden. Maar God had in Zijn oneindige barmhartigheid mijner ziel, en daarmede veel andere harten ten goede, het anders bepaald. Hij maakte mij godsdienstig of ik wilde of niet, want Hij bracht de eeuwige dingen met zulk een kracht op mijn gemoed, Zijn Woord bindende op mijn consciëntie, waardoor ik een besef kreeg van mijn verloren staat en toestand en hongerende en dor­stende werd naar Hem, zodat ik niet kon ontkennen of de Heere Zelf had die verandering in mijn ziel ge­wrocht en alles nieuw gemaakt, dat onmogelijk voor mij of voor anderen kon verborgen blijven. Daarom moest ik van die Goddelijke wezenlijkheden spreken, dewijl zij zulk een kracht op mij uitoefenden; ik kon niet zwijgen. De gevolgen van een en ander waren mij onbekend en ik bekommerde mij daar ook niet over. Zo gaat het met al Gods volk, een ieder naar de mate van zijn geloof.

John Kershaw aan het woord

Laten er grote onderzoekingen des harten onder ons zijn, opdat we zullen zien hoe de zaken staan tussen God en onze kostbare, nimmer stervende zielen. We kunnen een gedaante van godzaligheid hebben, een naam dat we leven, en we kunnen een grootse vertoning in het vlees maken, maar toch niet uit God geboren zijn.

overgenomen uit een preek over Johannes 1:13

Philpot persoonlijk

Zijn Naam belijden: uit een preek over Hebreeën 4:14-15

Het zou kunnen zijn dat ook hier zich zulke bevin­den die den Heere vrezen en toch somtijds bijna wensen nimmer Zijn naam te hebben beleden, zoo is althans mijn ervaring. Trouwens, wanneer mijn gemoed vaak door in- en uitwendige beproevingen werd terneer geworpen en laag gezonken was of op andere tijden eens recht inzag wie ik in mijzelf ben, als een arme, vuile zondaar en gevoelde hoe weinig ik als Christen of als Evangeliedienaar tot eer en verheerlijking van ’s Heeren naam geleefd heb, dan heb ik bijna kunnen wensen dat ik den Naam van Jezus nooit in het openbaar beleden had. Wellicht meent gij dat ik, als alom bij de gemeenten der waarheid bekend, begeerte heb en zoek te zijn een volksman, maar dat is mijn streven of natuurlijken aan­leg niet. Ik zou veel liever stil en afgezonderd leven, dan mij telkens weer in het publiek te vertonen. Wanneer mijn roeping mij vaak aan uit- en inwendige tegen­stand bloot stelt, heb ik mij wel ik weet niet waar en wat gewenst, behalve wat en waar ik ben. Doch dit is niet alleen de ervaring van u en mij. Ook de profeet Jeremia had kennis aan deze zielsbeproevingen, als hij zeide: ‘Ik zal Zijner niet gedenken en niet meer in Zijn naam spreken’.

John Kershaw aan het woord

Het is een grote bron van troost en blijdschap dat ‘de Heilige Israëls’ – en werkelijk, het doet mijn ziel goed hieraan te denken, nog voordat ik het uitspreek – een Vriend is Die ‘te allen tijde liefheeft’ en Die ‘meer aankleeft dan een broeder’ (Spr. 17:17; 18:24). De Heere verandert niet zoals u en ik veranderen; er zijn geen hoogten en diepten, er is geen koud en heet bij Hem. Nee, Jezus Christus, ‘de Heilige Israëls’, is ‘gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid’ (Hebr. 13:8).

Philpot persoonlijk

IJver om eigengerechtigde godsdienst af te breken; uit een preek over Prediker 3:3-4

Alzo is het met onze armelijke godsdienst, onze bouwvallen van eigengerechtigheid, ons hutje van vleselijke wijsheid en van schepsels vermogen. Zij moet afgebroken, voor het gezicht weggenomen en ten enenmale weggevaagd worden! Dat is het lot hetwelk onze eigen godsdienst van God te wachten heeft. Ik mag geloven, dat God zoiets aan mijn godsdienst gedaan heeft; en omdat ik weet hoe gemakkelijk de duivel mij in het verleden verblindde, daarom ijver ik steeds zo, om de godsdienst van anderen af te breken. Wetende op welk bedrog en welke misleiding ik steunde, voor de Heere mij vernederde, zo doet dit mij, gelijk de blinde en geketende Simson, de handen uitstrekken naar de pilaren van de tempel van des mensen eigengerechtigheid, opdat ik die op de hoofden van de afgodendienaars zou doen neerstorten.

Philpot persoonlijk

De verzoening door de dood en de behoudenis door het leven: uit een preek over Romeinen 5:10

Er zijn twee vrienden waartussen verdeeldheid bestaat. Eén van hen komt op het sterfbed en hierop wordt zijn hart vertederd en de vijandschap weggenomen. Door een zekere vriend of kennis zendt hij een boodschap van liefde aan zijn vroegere vriend en sterft op vreedzame wijze, dankende en lovende God. Als de boodschap bij hem komt en wanneer deze het hart bereikt, dan neemt het alle vroegere vijandschap weg en dan vindt er onmiddellijk verzoening plaats. Ik heb dit ondervonden en daarom ken ik dit. Het is geen toelichting die bedacht is, maar een waar feit, daar de zaak mij persoonlijk overkomen is, tenminste, iets soortgelijks. Ik breng dit alleen naar voren om aan te tonen, dat er op een bepaald ogenblik een feitelijke verzoening kan zijn en dat evenwel de gevoelde verzoening pas dagen of weken later kan plaatshebben. Mijn vriend was inderdaad met mij verzoend en schreef om hieraan uitdrukking te geven een paar dagen vóór hij door de dood werd weggenomen, doch ontving mijn vriendelijk antwoord op zijn sterfbed en zond me een betuiging van zijn stervende liefde. Op deze wijze werd de feitelijke verzoening gewerkt door de dood van Christus; de doorleefde verzoening moet in de ziel worden gewerkt door de toepassing van de dood van Christus aan de consciëntie.